Het is 1940 wanneer de wereld van de jonge Celine abrupt verandert. Ze woont in Rotterdam en werkt in de winkel van haar moeder en stiefvader. Na de Duitse inval beseft Celine, die Joods is, langzaam maar zeker dat ze niet langer veilig is. De stad die haar thuis was, wordt gevaarlijk. Op wat normaal gesproken ‘zomaar’ een zondagochtend zou zijn, bekruipt haar het gevoel dat ze weg moet. Ze blijkt gelijk te hebben; als ze terugkomt van een wandeling naar kennissen hoort ze van de buurman dat de Duitsers voor de deur stonden om haar op te pakken. Ze moet onderduiken en alles achterlaten wat haar dierbaar is.