Niet eerder kwam het water zo hoog en zo ver, beweerde de Bossche notaris H.L. van Linden (?-na 1757). Deze watersnood was zo groot, zo stelde hij, dat de "oudsten in ons land geen naarder voorbeeld weeten". Naar aanleiding van de overstroming van zijn stad schrijft Van Linden een ‘gedenkzuyl’: een gedicht van 27 pagina’s waarin hij het leed van de Bosschenaren uitgebreid en in alle tragiek verbeeld. Maar toch was er hoop: een kind in een drijvend wiegje kon overleven, en misschien kon ook de hele stad nog worden gered.