Al in de zeventiende eeuw was de hooiwinning in de Langstraatse buitenpolders, het gebied ten noorden van de Winterdijk tussen Waalwijk en Geertruidenberg, de voornaamste bron van inkomsten en had daarmee de turfwinning verdrongen. Pas in de eerste decennia van de twintigste eeuw verdween geleidelijk de hooiwinning en -handel als pijler onder de economie in dit deel van het noordelijke randgebied van Brabant. Ook elders in Nederland werd veel hooi geproduceerd en overal was er een groot tekort aan maaiers in de tijd van de hooioogst. Dit leidde tot een seizoentrek uit binnen- en buitenland. Het totaal aantal trekarbeiders in de Nederlandse hooiwinning wordt in het jaar 1811 geschat op minstens 12.000, waarvan zo’n 1500 in de westelijke Langstraat.