De meeste Brabantse dorpen kennen een ontwikkeling vanaf de vroege middeleeuwen. Heel Brabant was toen veel natter dan nu, omdat het regenwater alleen via een natuurlijk verloop werd afgevoerd. In dat natte landschap waren alleen een aantal hogere en drogere delen geschikt voor permanente bewoning en landbouw. Op deze hoogste delen van het landschap, waar een natuurlijke vruchtbaarheid aanwezig was, ontstonden vanaf de achtste eeuw de oudste nederzettingen, veelal op relatief grote dekzandplateaus.