De kloosters in noordoost Noord-Brabant dreigden in de negentiende eeuw uit te sterven. Dat kwam door het gehate Napoleontische decreet van suppressie van 3 januari 1812. De kloosterlingen dienden hun gebouwen te verlaten en er werd beslag gelegd op hun bezittingen. Nog bedreigender was het hierop aansluitend verbod van koning Willem I om novicen aan te nemen. Ook de Kapucijners in het Emmausklooster in Velp voelden de consequenties van dit beleid.