Staot, stö, stji

Alle zeventien de woorden op de kaart komen van twee middeleeuwse varianten: ‘staet’ en ‘steet’. ‘Staet’ was typisch westelijk. In het Nederlands veranderde het langzaam in ‘staat’ en in West-Brabant in ‘staot’. Aan de noordelijke rand van West-Brabant werd het zelfs ‘stao’ en tussen Den Bosch en Tilburg kwamen de varianten ‘stò’ en‘stòi’ op. In […]
Wereld, wèreld, wirreld, werreld

‘Wereld’ komt van het Germaanse *weraldi, wat uit twee delen bestond: *wer and *aldi. *Wer betekende ‘man, mens’. Het zat ook in *werawulf, oftewel “menswolf”. Daar komt ‘weerwolf’ vandaan. Het tweede deel van *weraldi was afgeleid van *ald, de voorouder van ‘oud’, het Engelse ‘old’ en het Duitse ‘alt’. *Aldi betekende “leeftijd”. *Weraldi was dus […]
Mart en mert

Mart, mert, mercht en het Nederlandse markt komen uit het Latijn. Tussen de eerste en de vierde eeuw namen de Germanen het Latijnse woord marcātus over als *markāt. Marcātus was een spreektaal-variant van mercātus. Het betekende ‘markt, handel’. In de Romaanse talen ontstonden er o.a. het Franse marché, het Spaanse mercado en het Italiaanse mercato […]
Pakke en vatte

Het middeleeuwse woord voor ‘pakken’ was nemen. Dat is altijd blijven bestaan, in het Standaardnederlands én in de Brabantse dialecten. De voorlopers van pakke en vatte hadden in de middeleeuwen een andere betekenis. Het middeleeuwse woord packen betekende ‘inpakken’ en ‘opladen’. Die betekenissen vind je nog terug in woorden als pakhuis en pakpapier, en in […]
Aaier, eiers en aar

Alle woorden die nu in het Nederlands -eren krijgen, hadden toen nog -er: kint ~ kinder, blat ~ blader, runt ~ runder, calf ~ calver enz. Daarnaast had je de variant -re, zoals in beenre (‘beenderen’), hoenre (‘hoenderen’) en kindre. In de late middeleeuwen veranderde dat in het westen. Mensen gingen -(e)n zetten achter álle […]
Jullie

‘Gullie’, ‘gellie’, ‘gallie’ en ‘gillie’ zijn ontstaan uit het middeleeuwse ‘ghi liede(n)’. ‘Ullie’, ‘ellie’, ‘allie’ en ‘ollie’ komen van ‘u liede(n)’. In veel Brabantse dialecten vind je ook ‘zullie’ (zij) en ‘hullie’ (zij, hun, hen), dat als ‘ullie’ klinkt in West-Brabant. Sommige dialecten hebben ook ‘wullie’, ‘wellie’ of ‘willie’ (wij). Bij ‘gullie’/‘gellie’ enz. gebruik […]
Graog, gère en gèèrs

In het Brabants vind je die typisch Hollandse woorden vooral in oude vestingsteden, zoals Grave, Geertruidenberg, Woudrichem, Heusden en Bergen op Zoom. Dat komt doordat die steden vroeger veel contact hadden met Holland. Woorden als gère, gèèrs en ger hebben een heel andere herkomst dan graag. Ze komen namelijk van hetzelfde middeleeuwse woord als het […]
Ruike, ruke en rieke

In de dialecten rond Cuijk en Budel zeggen mensen ruke. Een u in plaats van een ui is typisch voor die dialecten. Buigen is bijvoorbeeld buge, en Cuijk heet in het dialect Cuuk. In West-Brabant is het buige en rondom Tilburg bèùge – en dus niet buge. Daarom is het vreemd dat ze daar wel […]
Uis, hous en huus

Het begon allemaal in het Oudnederlands (600-1150) met het woord hūs. Hūs werd uitgesproken met de lange oe-klank van boeren. Die uitspraak vind je nog in grote delen van Limburg. In Noord-Brabant komt hij alleen nog voor in en rond Budel: hoes. Lokaal wordt meestal hoês geschreven. In een lange Oost-Brabantse strook van noord naar […]
Emel, hemel en himmel

Het begon allemaal in het West-Germaans (100-500) met het woord himil, waar ook het Duitse Himmel van afstamt. In het Oudnederlands (900) was het nog steeds himil, maar dat ging veranderen. In het Middelnederlands (1150) veranderde himil in hemel. De eerste i (als in pit) werd gerekt. Zo kreeg je een ee-klank. De tweede i […]
Kinkeluters, kikvorsen en puiten

Het oorspronkelijke kikkerwoord was vors. Via vorsch komt dat van het Germaanse frosk. De r is over de o gesprongen, zoals vers van frisk komt en borst van brust. In het Duits is het nog Frosch, frisch en Brust. De meeste Brabantse dialecten combineerden vors met kik-. Dat komt van het woord kikken, een nabootsing […]
Kèès, kaas en keês

Het begon allemaal met het Latijnse woord cāseus. In de Romeinse tijd namen de Germanen cāseus over als *kāsī, waarschijnlijk samen met de Romeinse manier van kaas maken. Het Germaanse *kāsī werd onder andere het Engelse cheese, het Duitse Käse, het Friese tsiis, het Limburgse kieës en het Nedersaksische keaze. Bij ons ontstonden er in […]