100 jaar geschiedenis van de slibbehandeling bij RWZI Tilburg

Voor de technici, proces operators en geinteresseerden is op het “Scada” computer systeem de schematische beeld weergave het proces goed te volgen. (Foto: Auteur, 2025)

Al 75 jaar (2025) heeft Waterschap De Dommel de taak om rioolwater schoon en veilig naar het oppervlaktewater te pompen.

De ontwikkeling van de slibbehandelingssystemen

In de eerste plaats betreft het hier de open riolen, oftewel sloten, die het vuile water (poep, plas en bedrijfsafval) van huishoudens en bedrijven naar watergangen (riviertjes) transporteerden. Omdat deze slootjes snel stank en ziektes veroorzaakten, werd na 1900 begonnen met het aanleggen van rioolleidingen. Deze leidingen bestonden uit gres- of gietijzeren buizen en later uit beton. Deze afvoerleidingen voerden het afvalwater naar de vloeivelden (sliblagunes).

Pas rond 1927 werd de eerste rioolwaterzuiveringsinstallatie gebouwd, genaamd de Afvalwaterreinigingsinstallatie Tilburg-Oost, afgekort “AWRI T.O.” en door het Tilburgse volk ook wel “den afvoer” genoemd.

Slibbehandeling op de zuivering Tilburg-Oost

Als men over de rioolwaterzuivering praat, dan heeft men het meestal over de biologische en mechanische zuivering. Maar het vuile water bevat veel bezinkbare stoffen die van de straten en huishoudens meespoelen naar de zuivering. Deze stoffen noemt men het primaire slib. De bacteriën uit de biologische zuivering noemt men het secundaire slib (spuislib). Het actiefslib in de beluchtingstank bestaat uit aeroben, oftewel zuurstofminnende bacteriën.

Het slib werd vóór 1930 op droogbedden gedroogd en afgevoerd naar de stortplaats. Rond 1925 werd een proefinstallatie gebouwd ten behoeve van slibindikking. In deze periode werd slibbehandeling met behulp van chemische (zwavelzuur) toevoeging uitgeprobeerd. Vanwege aantasting van de slibmenggoten en de chemische vervuiling van het slib werd de proef stopgezet.

Na 1927 werd de biologische zuivering verder uitgebouwd. Na 1950 werd een gistingsinstallatie gebouwd waar het primaire en secundaire slib tot gisting werd gebracht. Twee methaan-verwarmingsketels zorgden voor het verwarmen van de slibgisting. Het overschot aan gistinggas werd geleverd aan de gasfabriek Essent aan de Lange Nieuwstraat.

Primaire en secundaire slib werden direct in de slibgisting gepompt met een kortere verblijftijd, wat als consequentie had dat er minder methaangas werd geproduceerd.

De bijzondere bouw van de gistingsinstallatie op AWRI-T.O. bestond uit een constructie waarbij het geheel deels op 6 meter boven en deels op 6 meter onder maaiveldhoogte lag. Tegen de 6 meter hoge bakken werd aan de buitenzijde aarde aangebracht. Dit zorgde voor isolatie van de gistingcompartimenten. Door de spontane groei van gras en struiken werden de tanks tevens gecamoufleerd.

Het bijzondere aan deze gistingtanks waren de drijvende gasklokken. Het gistingsgas drukte deze klokken omhoog en zorgde zo voor de gewenste gasdruk.

Een drijvende gasklok is een constructie die op het geproduceerde biogas drijft en dient als flexibele afdekking van de slibgistingstank. Naarmate er meer biogas wordt geproduceerd, stijgt de gasklok; bij afname daalt deze. Dit systeem zorgt voor een constante druk in de tank en minimaliseert gasverliezen.

Zwavelzuur

In 1954 werd als proef slib geconditioneerd (bewerkt) door toevoeging van zwavelzuur. De indikking op zich werd goed gerealiseerd, maar het aspect veiligheid en de aantasting van de betegelde betonnen goten vormden een probleem.

De mengers (roerwerken) in de gistings­tanks waren van pokhout en draaiden in pokhouten lagers. Dat er grote krachten bij kwamen kijken, bleek uit het feit dat de elektromotorische aandrijving regelmatig onderhoud nodig had. De koppelingen van de motor naar de tandwiel­vertragingskast waren een zwak punt, en zelfs de aandrijfassen braken regelmatig. Dit betekende dat de gisting­compartimenten gecontroleerd moesten worden en dat er bij een gebroken aandrijfas reparaties moesten plaatsvinden.

Een opmerkelijke ervaring was dat oude materialen op de schroothoop door onderhoudsmonteur en smid Jan de Kroon werden gezien als reserve­onderdelen en bruikbare materialen. Hij hield streng toezicht en stond niet toe dat iemand zonder zijn toestemming iets van de schroothoop meenam. Er is wel eens voorgekomen dat twee koperen pompwaaiers, elk meer dan 1.000 kg, in de nachtelijke uren werden meegenomen.

Reparatie en onderhoud aan de roerwerken van de gistinginstallatie en de borstel­beluchtings­koppelingen waren zwaar werk dat wekelijks werd uitgevoerd. Zowel onderhoudslieden als monteurs werden ingezet. Omdat deze aandrijvingen zich op 12 meter diepte onder in de tank bevonden, gingen de werkers ’s ochtends met hun lunch de tank in en kwamen pas ’s middags weer naar boven. In de rokerige kantine werd dan vaak het kaartspel “Roemen” gespeeld, met een inzet van 5 cent per behaald punt.

Rioolwaterzuivering Tilburg-Oost Moerenburg.
Luchtfoto van Rioolwaterzuivering (RWZI) Tilburg-Oost in 1995. (Foto: Sky Pictures Goes / BHIC / Waterschap de Dommel)

Hechte gemeenschap

De arbeiders op AWRI-T.O. vormden een hechte gemeenschap. Dat merkte je vooral wanneer er een nieuwe collega werd aangenomen. De Tilburgse werklieden keken eerst “de kat uit de boom” voordat een nieuwe kracht geaccepteerd werd.

Tot 1974 werd het uitgegiste slib ontdaan van textielvezels afkomstig van de textielfabrieken, met behulp van een wolzeef. Dit was een roterende trommel van circa 2,5 meter doorsnee en 6 meter lengte, met aan de buitenzijde roosterplaten en kloppers om de vezels los te slaan. Aan de binnenzijde liep over de lengte een goot waarin de textielvezels vielen, waarna deze handmatig met een hark werden verwijderd.

Het vloeibare uitgegiste slib werd vervolgens verpompt naar de grasvelden van de trappisten. Het gras groeide als kool en de koeien graasden er graag van. Later bleek echter bij controle van de melkproductie dat er kwik in de melk aanwezig was. Deze constatering leidde ertoe dat er onmiddellijk werd gestopt met het besproeien van de vloeivelden.

Rond 1970 werd het uitgegiste slib met toevoeging van polymeer via zeefbandpersen (Belmerbandindikkers) ontwaterd tot circa 20% en afgevoerd naar de stortplaats. In dezelfde periode werd het slib op de installatie in Mierlo behandeld met behulp van kamerfilterpersen en kalktoevoeging.

Heden ten dage wordt het slib van de zuivering in Eindhoven naar Mierlo verpompt. Daar wordt het via centrifuges ingedikt en vervolgens per as naar de slibgisting op Tilburg-Noord vervoerd.

Nieuwe zuivering

Na 1970 werd op Tilburg-Noord de nieuwe zuivering gebouwd, voorzien van een slibconditioneringsinstallatie: de Farrar. Een variant hierop was het Zim-proces in Breda, waarbij stoominjectie werd toegepast. Op de zuivering in Boxtel had men al jarenlang gekozen voor een Clarigester-gisting.

Bij de Farrar-installatie werd het slib door twee gasketels en een warmtewisselaar op hoge temperatuur en druk gebracht (210 graden Celsius, 25 bar). Dit vormde het zogenaamde conditioneringsproces. Om de slibleidingen van de warmtewisselaar te reinigen, werd het proces “flashen” uitgevoerd. Hierbij werd de druk van 25 bar en de temperatuur van 210 graden Celsius in de slibleidingen plotseling naar atmosferische druk gebracht, wat leidde tot een krachtige spuibeweging.

Het geconditioneerde slib werd vervolgens via vacuümfilters verwerkt. Dit waren cilindrische trommels met aan de buitenkant filterdoeken. Door vacuüm aan de binnenkant van de trommel werd het slib op de doeken vastgehouden, waardoor een droge stofgehalte van wel 40% werd bereikt.

De Farrar-installatie draaide als een continu proces, waarvoor in drieploegendienst werd gewerkt. In perioden met veel slibproductie draaide de installatie zelfs een heel jaar lang, ook in de weekenden, zonder onderbreking. Omdat de bediening en controle in de ploegendienst door slechts één persoon werd uitgevoerd, werd een slaapdienst ingevoerd. Hierdoor was er bij calamiteiten altijd een tweede persoon beschikbaar voor ondersteuning.

Extra aanvoer

Extra aanvoer van rioolslib kwam van bedrijven zoals Edit (papierpulp) en Fuji (geurstoffen). Door deze volumes draaide de Farrar-installatie soms dagproducties van 50 m³ slib, dat naar de vuilstort De Spinder werd gebracht. Vanwege stankemissie werd dit slib bij aankomst ondergeschoven onder ander stortvuil.

Het slib bevatte zanddeeltjes die de wanden van de slibleidingen afslijten. Pijpen met een oorspronkelijke wanddikte van 8 mm sleten af tot slechts 2 mm, waardoor het risico op scheuren groot was. Elke drie jaar moesten de leidingen van de warmtewisselaar worden vervangen. Deze werkzaamheden vereisten fotolassers en keuring door het Stoomwezen.

De slibcontainers werden door firma Versteynen naar de stortplaats, circa 200 meter verderop, gereden. Chauffeur Wil van Lier viel op omdat hij regelmatig rondsnuffelde op de vuilstort en koperdraden meenam. Tussen het transport door verbrandde hij de PVC-isolatie van de kabels in een olieton, wat zorgde voor rook en stank. De opbrengst bij de schrootboer was zo’n 5 gulden per kilo.

Een stagiair werd ooit wijs gemaakt dat het slib van de Farrar-installatie goede mest was voor in de tuin. Na het bemesten van zijn voortuintje in Goirle kwam er echter al snel een stankklacht, waarop hij het slib heeft verwijderd.

Omdat het warmte-krachtproces veel energie en onderhoud vergde, werd al snel gedacht aan een gistinginstallatie. In 1988 werd op RWZI Tilburg-Noord de nieuwe gistinginstallatie in gebruik genomen. Twee Caterpillar-motoren dreven generatoren aan voor de productie van elektriciteit. Een groot deel hiervan werd op de zuivering zelf gebruikt; het overschot werd op het energienet ingevoerd.

Afvoer slib van Tilburg-Oost naar Tilburg-Noord

Om het slib in te dikken werd polymeer toegevoegd. Klaarmeester Fred van Loon deed dit met grote zorg. Soms werd echter een te hoog droge stofgehalte bereikt, tot wel 6%, wat tot pompstoringen leidde. Hierbij kwam het voor dat de klaarmeester besproeid werd met ingedikt slib, en douchen was dan niet altijd afdoende om van de stank af te komen.

Het ingedikte slib van Tilburg-Oost werd per tankwagen naar Tilburg-Noord vervoerd en daar in de gistinginstallatie gebracht. Deze transporten zorgden voor veel stankklachten vanuit de omwonenden.

In 2019 werd de gistinginstallatie uitgebreid met een slibdrukhydrolyse-installatie (Cambi). Dit werd gedaan om een hogere opbrengst aan methaangas te verkrijgen. Sindsdien wordt het ingedikte slib van RWZI Eindhoven via centrifuges op de slibverwerking in Mierlo voorbereid, waarna het per as naar Tilburg-Noord wordt vervoerd.

Vanaf de slibbunker wordt dit slib in het Cambi-proces geconditioneerd en in de gisting gepompt. Het secundaire slib wordt, met behulp van polymeerdosering, op bandindikkers ingedikt en vervolgens naar de gistinginstallatie verpompt.

Ter afronding: het terrein van AWRI T.O. en omgeving zal mogelijk de functie krijgen van een park met culturele aspecten om dit historisch erfgoed van Tilburg te behouden.

Dit verhaal is geschreven in een serie over 75 jaar zuiveringswerk van Waterschap De Dommel. Hieronder een overzicht van de verhalen.

  • Dit artikel is gebaseerd op de ervaringen van de auteur als zuiveringsmedewerker van AWRI T.O.

Onderdeel van:

Jouw verhaal telt ook!

Deel het met ons en help Erfgoed Brabant Verhalen groeien!

Periodes