Alle woorden die nu in het Nederlands -eren krijgen, hadden toen nog -er: kint ~ kinder, blat ~ blader, runt ~ runder, calf ~ calver enz. Daarnaast had je de variant -re, zoals in beenre (‘beenderen’), hoenre (‘hoenderen’) en kindre.
In de late middeleeuwen veranderde dat in het westen. Mensen gingen -(e)n zetten achter álle meervoudsvormen. Honde werd honden, stoele werd stoelen, en kindre en eier werden kind(e)ren en eieren. Uit dat Hollands ontstond het Standaardnederlands. Daardoor zeggen we nu kinderen, eieren en bladeren. Maar in het Brabants ging het anders.
In grote delen van West-Brabant gingen mensen er juist een -s achter zetten. Zo kreeg je daar kienders, eiers en blaoiers.
In Midden- en Oost-Brabant bleef het oude meervoud: kijnder, aaier en blaoier. In het Duits is er ook geen uitgang bij gekomen: Kinder, Eier en Blätter. En dat geldt ook voor het Nedersaksisch en het Limburgs.
De uitspraak veranderde in Midden- en Oost-Brabant wel: Eier werd èèjer en aaier. Rondom Helmond viel de j-klank weg: in 1966 vond je daar nog èèër en aaër. Er waren zelfs plaatsen waar de e was weggevallen: aar.
Bijzondere meervoudsvormen als èèër en aar worden steeds zeldzamer. Maar vormen als aaier en eiers houden het stukken beter uit. Dat komt doordat ze in grotere gebieden voorkomen.