In “Ad Fontes. Over Samuel Elsevier, zijn vrouwen en zijn slaven” schetste historicus Gerrit Jan Schutte een biografie van het leven van Samuel Elsevier (1653-1724). Elsevier, geboren in Den Haag, had wortels in de Zuidelijke Nederlanden en kwam uit een koopliedenfamilie met uitgebreide internationale betrekkingen. De familie had relaties met de koloniën, gekenmerkt door carrières in de koloniën waaronder bestuurlijke functies in de WIC, VOC en later Staats-Brabant. In 1689 kwam het gezin Elsevier na een lange reis vanuit Sri Lanka (Ceylon) via Zuid-Afrika terug naar Nederland. Elsevier had inmiddels al ruim tien jaar als VOC-ambtenaar gediend in Sri Lanka en India. Nadat Samuel flink had verdiend in de koloniën, keerde hij terug naar Nederland en vestigde zich in Oirschot. Aan boord bevond zich ook ‘zijn’ tot slaaf gemaakte jongen of man, die later in de gereformeerde kerk in Oirschot gedoopt zou worden onder de naam Adam Matande.
Slavernij was in de Republiek formeel verboden. Wie als tot slaaf gemaakte persoon in 1693 voet op Nederlandse bodem zette, was volgens de wet officieel vrij. Adam zou dus in feite vrij man moeten zijn geweest. De officiële wetgeving strookte alleen niet altijd met de praktijk. In die periode was het gangbaar om Zwarte en Aziatische bedienden en slaafgemaakten vanuit de koloniën mee te nemen naar de Republiek. Daarbij kon mede door gebrek aan duidelijkheid in wetgeving en handhaving slavernij in de praktijk voortbestaan. Tot slaaf gemaakte mensen verlieten dus niet zomaar direct hun ‘eigenaren’. Zij kwamen nauwelijks uit de afhankelijkheidsrelatie waarin zij waren geplaatst. Dit maakte het moeilijk, zo niet onmogelijk, los te komen. Vaak bleven zij dan ook in dienst en werd hiermee hun afhankelijke positie voortgezet.
“Adam, eersteling van zijn volk”
Uiteindelijk vond de doop van Adam Matande plaats op 20 december 1693 in de gereformeerde kerk in Oirschot. Hoewel een doop tot christen een extra bevestiging van vrijheid kon zijn, illustreert het tegelijkertijd dat de voortzetting van koloniale slavernij in de Republiek een gangbare praktijk was. De predikant leek er in elk geval geen bezwaar tegen te hebben gehad zijn status als “slaef” in officiële documenten vast te leggen. In het doopregister van de Gereformeerde kerk van Oirschot werd hij geregistreerd als “Indiaesche slaef van de Hr Samuel Elsevier”. In het lidmatenboek leest de registratie “Oostindische slaef”.
publijcke belijdenisse gedaen hadde, en is den 20 dito gedoopt,
en den 3 Jann. 1694 toeggelaten tot het H. Avondmael”. (Bron: Regionaal Historisch Centrum Eindhoven)
Slavernij in de Indische Oceaan was wijdverspreid. Mensen werden overal vanuit de Indische Oceaan en de Indonesische archipel tot slaaf gemaakt en verhandeld. Van Papua, Indonesië, Madagaskar, India tot Zuid-Afrika. De omschrijvingen “Oostindisch” of “Indiaensch” konden dus naar allerlei plaatsen verwijzen. Waarom kreeg hij de naam Adam Matande en wat zegt deze naam? Volgens Schutte gaf de dominee de naam als verwijzing naar “Adam, eersteling van zijn volk”. Ook kon de naam gerelateerd zijn aan de familie die ze dienden zodat men wist bij wie ze hoorden, of werden christelijke namen als Christiaan gegeven om aan te tonen dat zij geen ‘heidenen’ waren.
Waar de achternaam Matande mogelijk vandaan komt, wordt in het artikel niet bevraagd, terwijl het een verwijzing kan zijn van de plek waar hij vandaan kwam of was verhandeld. Het was een gangbare praktijk dat een ‘eigenaar’ ook toponiemen gebruikte die verwezen naar een plaatsnaam. Vooral in de context van de VOC kwam dit regelmatig voor, zoals de tot slaafgemaakte Augustus van Bengalen, hoewel dit ook voorkwam bij de WIC, zoals bij João Mina (naar Elmina, het huidige Ghana). Gezien de plek waar Elsevier destijds werkzaam was, is het aannemelijk dat Adam Matande uit Malabar aan de zuidwestkust van India kwam. De meeste slaafgemaakten in Ceylon kwamen uit zuidelijk India en vooral Kerala (Malabar). De zoekterm ‘Matande’ en variaties hierop levert in de VOC-archieven tevens resultaten op die allemaal verwijzen naar die regio.
Arts in Den Haag
In de tot nu toe verschenen literatuur stopt alle informatie over Adam Matande bij zijn vertrek naar Den Haag in 1694. Uit dit vooronderzoek komt naar voren dat hij in Den Haag blijkt te zijn gaan werken als arts. In het Gelders archief ligt in het familiearchief van Aldenburg Bentinck een bijzondere bron. De overeenkomende gegevens, zoals exacte naam en omschrijving, periode en woonplaats, duiden op dezelfde persoon. In een opmerkelijk rechtbankverslag uit 1695 verklaarde Adam Matande dat hij, terwijl hij dacht zijn vergoeding voor de behandeling van een van zijn patiënten te bespreken, “tot sijn groot leetweesen voor Godt en de gantsche werelt is misleijt”.
Adam reisde af naar deze patiënte, genaamd Hendrina Kemp, in Rijswijk waar haar familie hem onthaalde met een feestelijke maaltijd en drank. Al spoedig werden hem de achterliggende intenties duidelijk. Na het diner, toen hij inmiddels in benevelde toestand was gebracht, stak de moeder van Hendrina zonder zijn medeweten “een seecker goud ringetje aan sijn vinger”. Later die avond, zo verklaarde Adam verder, toen hij in beschonken toestand in bed lag, bleek hij te zijn ontkleed. In het midden van de nacht zou hij wakker zijn gemaakt door een vrouw die avances maakte. Volgens de verklaring bleek Adam de volgende ochtend ook nog eens beroofd te zijn van de contanten uit zijn zak. Toen Adam Hendrina hierop aansprak, zou zij hierop hebben geantwoord dat dit was voor “eenige meubelen tot huijsraet, tegen het aenstaende houwelick”. In plaats van geld te ontvangen voor de uitgevoerde behandeling van zijn patiënte Hendrina werd Adam dus onder valse voorwendselen en dwang een huwelijk met haar opgedrongen. Hoe dit verhaal eindigt wordt uit de geraadpleegde bronnen niet duidelijk.
Deze bron roept nieuwe vragen op. Zijn beroep als arts, al twee jaar na zijn doop, zet aan het denken. Waar heeft hij het vak geleerd? Als hij in 1695 in Den Haag werkzaam was als arts, betekent dit dat hij als volwassen man met Samuel Elsevier zou zijn meegereisd naar Nederland. In elk geval kan worden vastgesteld dat Adam als volwassen man moet zijn gedoopt in Oirschot. Dat hij als arts in de zeventiende eeuw werkzaam was in de Republiek, is bijzonder. Was hij al arts toen hij werd gekocht door de familie Elsevier en was Matande mogelijk zijn eigen achternaam? Was hij in de Republiek na zijn doop een vrij man of leefde hij in slavernij? Dit spoor biedt nieuwe aanknopingspunten die mogelijk leiden tot meer informatie over Adam zelf. Zijn verhaal toont weerbaarheid en eigenaarschap van Adam, die niet alleen arts is, maar ook naar de rechtbank stapt om onrecht aan te vechten. Het verhaal van Adam Matande onderstreept dat koloniale slavernij vele kanten kende.
Van Den Haag vertrok Elsevier uiteindelijk in juli 1696 met de IJsselmonde naar Zuid-Afrika richting Kaap de Goede Hoop. Of Adam toen met hem meeging, wordt uit de geraadpleegde bronnen niet duidelijk. In de scheepsjournalen van het schip waarmee Elsevier naar Zuid-Afrika ging, lijkt er geen verwijzing te zijn naar Adam. De kans is aannemelijk dat Adam in Nederland is gebleven. Waarom dit in het familiearchief van de Gelderse familie Aldenburg Bentinck terecht is gekomen, na een aankoop van dit document op een Antwerpse veiling in 1930, is niet duidelijk. Vervolgonderzoek is nodig om de levensloop van Adam Matande te kunnen uitdiepen en mogelijk vast te stellen of hij hier in vrijheid heeft geleefd.
Dit artikel is een bewerking van De Stad Vertelt. Vooronderzoek naar het Slavernijverleden van Eindhoven. Het volledige rapport is hier te vinden:https://www.onderzoekslavernijverledeneindhoven.nl/
Archief
Regionaal Historisch Centrum Eindhoven toegang 10225, inv.nr 32. Nederduits gereformeerde gemeente. Lidmatenregister (1650-1742), folio 19; folio 38.
Gelders Archief, toegang 0613, inv.nr. 4344 familie Bentinck/Aldenburg Bentinck, inv.nr. 4344, Verklaring, afgelegd door de arts Adam Matande ten overstaan van het gerecht van Scherpenzeel inzake een huwelijk, hem onder valse voorwendselen opgedrongen door zijn patiënte Hendrina Kemp.
Nationaal Archief (NL-HaNA) Inventaris van het archief van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), 1602-1795 (1811) toegang 1.04.02, Inv.
nr. 5065 Journaal van het schip IJsselmonde, scans 1-84.
Literatuur
Jouwe. N., et al, ed., Slavernij herbezien. Visuele bronnen over slavernij in de Indonesische archipel en de Indische Oceaan, Edam, 2021.
Oostindië, G. en Maduro, E., In het land van de overheerser, deel 2: Antillianen en Surinamers in Nederland, 1634 / 1667 – 1954, Leiden, 1986.
Ponte, M., “Slavernij in Nederland?”, in: R. Allen e.a. ed., Staat en slavernij: het Nederlandse koloniale slavernijverleden en zijn doorwerkingen, Amsterdam, 2023, 218-223.
“Hoe heette Christiaan?”, https://www.hoeheettechristiaan.nl/samenvatting/ (Stand op 8 maart 2024).
Sint Nicolaas, E., et al, Slavernij. Het verhaal van João, Wally, Oopjen, Paulus, Van Bengalen, Surapati, Sapali, Tula, Dirk, Lohkay, Amsterdam, 2021.
Raben, R., “Utrecht en de slavernij onder de VOC”, in: N. Jouwe, M. Kuipers en R. Raben ed., Slavernij en de stad Utrecht, Utrecht, 2021, 88. Aanvullend is advies ingewonnen bij D. Raben, gespecialiseerd in de VOC-geschiedenis.
Schutte, G.J., “Ad Fontes: over Samuel Elsevier, zijn vrouwen en zijn slaven: een voorstel tot herinterpretatie”, in: Historia, Journal Of The Historical Association, (jrg. 45, nr. 2 2000), 355.