Je hoort vaak dat het stukje ‘-de’ in vormen als blijfde van het middeleeuwse ‘du’ komt, maar dat is onmogelijk. “Jij blijft” was in de middeleeuwen du blijfs, en “blijf je” was blijfstu.
In Holland en Brabant werd ‘du’ hoe langer hoe minder gebruikt, omdat mensen het onbeleefd begonnen te vinden. In plaats daarvan gingen ze ghi tegen elkaar zeggen. Oorspronkelijk betekende ghi ‘jullie’ en ‘u’, net zoals het Franse vous. Bij ghi had het werkwoord heel andere vormen dan bij du: ghi blijft en blijfdi. Die waren ontstaan uit de West-Germaanse vormen *jī bilībid en *bilībid jī. *Bilībid jī “smolt samen” tot ‘blijfdi’.
In het Limburgs bleven du blijfs en blijfstu bewaard, bijvoorbeeld als het Venlose de bliefs en bliefse. Maar Brabantse vormen als ge blijft en blijfde stammen af van ghi blijft en blijfdi. Blijfdi werd in de middeleeuwen ongeveer uitgesproken als [bliefdie]. Die uitspraak vind je nog terug in het Land van Cuijk en rond Budel: bliefde. Rond Helmond is de f weggevallen: bliede.
Ook in andere Oost-Brabantse streken vind je f-loze vormen, zoals blijde, blèède en bledde. De f sleet weg doordat die woorden zo veel gebruikt werden. Zo is ook de g verdwenen in woorden als meude (mag je) en kredde (krijg je). Alleen in het noordwesten van Noord-Brabant, in de Westhoek, hoor je blaif je. De dialecten daar zijn al vroeg verhollandst. Blaif je is ook uit blijfdi ontstaan: via *blijfdji. Het stukje -dji is bewaard in bepaalde Belgisch-Limburgse en West-Vlaamse dialecten.
Sinds 1937 zijn er nog verschillende onderzoeken gedaan naar de woorden, de uitspraak en de grammatica van de Brabantse dialecten, maar blijf je is daarin niet meer specifiek onder de loep genomen. Uit plaatselijke woordenboeken die door de jaren heen zijn gemaakt, valt wel het een en ander op te maken, maar onvoldoende om een recenter beeld van heel Noord-Brabant te schetsen.