Het verschil tussen boekske en buukske is al meer dan duizend jaar oud. Het is namelijk ontstaan in de negende eeuw. In de negende eeuw gebeurde er iets bijzonders in het oosten. Mensen gingen bepaalde klinkers anders uitspreken. Dat deden ze als er een i-klank zat in de volgende lettergreep.
In het woord voor ‘boek’ heeft nooit een i gezeten. In heel Noord-Brabant is dat boek geworden. Maar in het verkleinwoord zat wél een i. In het oosten had dat gevolgen, maar in het westen niet.
In het westen ontstond het verkleinwoord boecskijn, met dezelfde oe als boec. Via boecsken werd dat het West-Brabantse boekske. Maar ten oosten van de rivier de Donge ging het anders. In dat gebied ontstond *buecskijn. Daar zat een uu-klank in, veroorzaakt door de ij, die toen nog als [ie] klonk. Uit die variant is buukske ontstaan. We noemen die klinkerwisseling tussen boek en buukske umlaut.
Umlaut? Komt het dan uit het Duits? Nee! Het komt niet uit het Duits, maar we delen het wel met die taal – én met het Nedersaksisch en Limburgs, waar het bijvoorbeeld book ~ beukske is. Umlaut zie je ook in woorden als man ~ mènneke, kòp ~ kùpke en bôom ~ bumke.
De puntjes op de Duitse klinkers ä, ö en ü heten ook umlaut, en dat is geen toeval. We noemen ze zo doordat ze meestal in woorden staan met de klankverandering umlaut: Mann ~ Männchen, Kopf ~ Köpfchen, Baum ~ Bäumchen.
Het Standaardnederlands is ontstaan uit westelijke dialecten. In die taal hebben verkleinwoorden nooit umlaut gekregen. Boekske werd daar later bovendien boekje. Het stuk -je is overgenomen van woorden als straatje. In Noord-Brabant heeft dat woord ook -je: stròtje of – met umlaut – strùtje.