Het gaat om meer dan 20 spiegels die in de omgeving van Cuijk gevonden zijn. Dit was in de eerste eeuw een stedelijk gebied, waar Romeinse soldaten aanwezig waren. Het lag namelijk naast het Oppidum Noviomagus Batavorum, wat nu de stad Nijmegen is. In deze regio zijn meer vondsten gedaan die geassocieerd worden met de Romeinse cultuur, zoals olielampjes, geĆÆmporteerd etenswaar en badslippers. Dit kan aan de ene kant verklaard worden door de soldaten die hun eigen gewoontes en producten meenamen. Aan de andere kant ontstond er in de stedelijke nederzettingen rondom het legerkamp een wareneconomie. Bewoners specialiseerden zich in een bepaald beroep en verkochten hun waren op de markt. Zij hadden vervolgens het geld om hun benodigdheden, en wellicht luxeproducten, te kopen met hun winst. De soldaten uit het legerkamp hadden ook geld te besteden en investeerden op deze manier in de economische groei van hun omgeving. Binnen deze context kunnen de spiegels vervaardigd zijn.
In de rest van Noord-Brabant, met name in de landelijkere regioās, zijn er bijna geen sporen van spiegels gevonden. Hoewel er wel aanwijzingen zijn dat de bewoners van het platteland in Noord-Brabant bekend waren met Romeinse soldaten en de waren die zij meebrachten, werden de spiegels dus niet door iedereen overgenomen. GeĆÆmporteerd aardewerk is wel gevonden in de regio, evenals glaswerk en Romeinse munten.
Er is óók een spiegel gevonden in een vrouwengraf in Esch, naast allerlei waardevolle objecten en geïmporteerde waren. De context van het graf is vergelijkbaar met die in Cuijk. Dit kan verklaard worden door de afkomst van de bewoners: zij kunnen bepaalde connecties gehad hebben met Nijmegen en Cuijk, of daar hebben gewoond. Een andere verklaring kan zijn dat de bewoners van Esch speciale voorwerpen op een doelbewuste manier gebruikten om hun status als lokale elite te bevestigen, zeker als vrouw.
Alleen voor vrouwen?
Spiegels werden, net als cosmetica en sieraden, veelal geassocieerd met vrouwen. In de Romeinse tijd was de spiegel onderdeel van de mundus muliebris, wat vaak vertaald wordt als de āvrouwenwereldā. Uiterlijke verzorging was een manier voor vrouwen om hun status uit te dragen. Door dit op grafmonumenten van rijke vrouwen af te beelden, werd het prestige van haar vereeuwigd. Ovidius benadrukt in zijn Ars Amatoria de verschillende manieren waarop Romeinse vrouwen dit doen, en legt hierbij de nadruk op het āvrouwelijkeā. Vrouwen uit de provincie Germania Inferior blijven helaas buiten beschouwing.
Gebruikten mannen in de Romeinse tijd dan geen spiegels? Dit is onwaarschijnlijk. Romeinse mannen scheerden zich regelmatig of lieten zich scheren, en dat is zonder spiegel best lastig. De relatieve afstand tussen spiegels en de mannelijke cultuur in de Romeinse tijd kan verklaard worden doordat er geen symbolische waarde aan het object zat. De masculiene tegenhanger van de mundus muliebris is virtus, waarmee dapperheid en uitmuntendheid wordt bedoeld. Binnen deze sfeer viel wel noodzakelijke verzorging van het uiterlijk, zoals het scheren van de baard. Maar zij verkregen geen prestige met de versiering van het uiterlijk. Dit werd, meer dan bij vrouwen, gezien als ijdel.
Een eigen draai
De vondst in een stedelijke en geromaniseerde context in Cuijk, Nijmegen en Esch geeft aan dat het product een Romeins karakter had. Het vermoeden is echter dat deze in de buurt van Nijmegen, dus lokaal, zijn geproduceerd. Ze zijn gemaakt van brons, dat in een mal van tin werd gegoten. De mallen zijn niet teruggevonden, maar op sommige spiegels zijn restjes tin gevonden. Het reflectieve gedeelte werd gemaakt door een mengsel van tin, ijzer en koper heel dun over het bronzen blad te smeren. Dit was een bekende techniek en dus niet nieuw. Aan het uiterlijk van de spiegels is ook een eigen draai gegeven: ze ogen praktischer en steviger dan exemplaren uit andere delen van het Romeinse Rijk.
Een object als een spiegel illustreert hoe moeilijk het is om de Romeinse tijdgeest in het huidige Noord-Brabant te duiden. De onzekerheid over de herkomst, maar ook de implicaties van het object houden ruimte voor verschillende interpretaties. Voor Romeinen uit Italiƫ zou het object eerder Bataafs ogen dan Romeins, terwijl het voor de bewoners in de provincie juist sneller als Romeins bestempeld zou worden. En voor groepen als de soldaten en de elite in Oppidum Noviomagus Batavorum, die zich in beide sferen thuis voelden, zou het ook weer anders zijn geweest.