In de West-Brabantse dialecten is het woord ‘dat’ zijn t kwijt: da, met een korte -a. Daar zeggen ze bijvoorbeeld: Da wit da manneke nie. Voor klinkers verschijnt een -d. Dat is een restje van de -t. Da d’ies mwooi, eej? Je hoort zelfs nog een spoortje van de t voor sommige medeklinkers. Dat zand en dat vlees zijn bijvoorbeeld da saand en da fljees. De t heeft van de z een s gemaakt, en van de v een f.
In Midden- en Oost-Brabant is ‘dat’ in dè veranderd. De uitspraak verschilt wat: in Midden-Brabant heeft dè de e van bed, maar in Oost-Brabant hoor je de aa-achtigere klinker van het Engelse back. Sommige mensen spellen dè daarom als dä of dae.
Door de invloed van het Nederlands hoor je da nu ook veel in Midden- en Oost-Brabant, vooral bij jongere dialectsprekers. En zelfs in het regionale Nederlands zijn Brabanders geneigd om da te zeggen. Da is!