De Bossche Hanzebank ontploft

Overzicht van de markt met kramen tussen 1925 en 1935. de hoekwinkel aan het eind met dat vrolijke torentje is de V&D. Links daarnaast met de grote luifel en de twee scheve puntdaken is de firma Meijring. (Foto: Onbekend, Erfgoed 's-Hertogenbosch)

In 1923 zag Willem van de Kar het voor zijn ogen gebeuren.

Het knettert hard. En dat is de bedoeling. De manifestatie Vonk en Vlam, de grote tentoonstelling voor elektriek en gas in ’s-Hertogenbosch in juli 1921, zal met spektakel gepaard gaan. De opening van het hoofdkantoor van de Provinciale Noord-Brabantse Electriciteits Maatschappij is een feestje waard.

Het eerste provinciale elektriciteitsbedrijf van Nederland is een mijlpaal in de emancipatie van het katholieke Zuiden. De centrale in Geertruidenberg en het hoofdkantoor in de Brabantse hoofdstad symboliseren ook het succes van de samenwerking tussen Oost en West-Brabant, zo heet het.

Na eerdere vergeefse pogingen biedt deze week de middenstanders eindelijk de gelegenheid om breeduit te tonen wat zij “met electrisch gedreven machines kunnen bereiken.” 

Toevallig wordt in die week ook het vijftigjarig jubileum van ’s-Hertogenbosch Muziekstad gevierd. Dubbele pret.

Het weer zit tegen. Twee dagen voor de opening, op 18 juli, woedt boven Den Bosch een hels onweer. De hele werkdag, zo’n acht uur lang, gaat het tekeer. Menig standbouwer van Vonk en Vlam kan opnieuw beginnen. Natuurlijk lukt dat. Nu kan stad en land toch een week lang dansend alle vruchten van gas en elektriek proeven. Kennelijk was het memorabel, want sindsdien is Vonk en Vlam in Den Bosch een begrip. Het eigenlijke vuurwerk moet dan nog komen.

De ondernemers Jos Meijring en Willem van de Kar kunnen tevreden zijn. Ze zitten in de organisatie van de feestweek. Meijring namens de RK Hanzebond (de bundeling van de plaatselijke katholieke middenstandsverenigingen) in het bisdom Den Bosch en Van de Kar namens de zusterorganisatie in het bisdom Breda. De Hanzevereniging is het vehikel waarmee de katholieke middenstanders in Zuid-Nederland werken aan hun emancipatie, en die van Zuid-Nederland.

1927 22 juni
Bordesfoto, genomen op 22 juni 1927. Willem van de Kar staat rechts vooraan in de goot. Jos Meijring, de lange man met grijze hoed, staat drie plaatsen links achter Willem. De overigen zijn bij de auteur niet bekend.(Bron: Erfgoed ‘s-Hertogenbosch) Alle rechten voorbehouden

Verkoophuis

Tijdens Vonk en Vlam beklinken Jos en Willem ook hun private succes. Willem neemt per 1-1-1922 de winkel van Jos in Den Bosch over. Midden in de feestweek doet Van de Kar zijn bezittingen in zijn woonplaats Steenbergen in de verkoop. Op dezelfde dag start een advertentiecampagne voor een totale uitverkoop van zijn winkel en magazijnen op de Kaaistraat aldaar. De voorraad is onuitputtelijk. Een half jaar lang zijn er aanprijzingen voor reismandjes, kleurkrijt, tabakspijpen, zemen, schoorsteengarnituren, voetballen, vistuig, tafelmessen, schrijfbehoeften en wandelstokken. En intussen gaat de levering van brandstoffen in iedere gewenste kwaliteit en kwantiteit gewoon door.

Wilhelmus (Willem) J.M. van de Kar (1875-1953) stamt uit een klassieke katholieke middenstandsfamilie in het West-Brabantse Steenbergen. Op de landroute tussen Antwerpen en Rotterdam, bij de boeren van Tholen, zit veel negotie. Zijn ouders, Jan van de Kar en Maria Luijkx, bezitten op de Kaaistraat in Steenbergen een zogenoemd verkoophuis, een voorloper van het latere warenhuis. Het is een combinatie van een winkel, met een rijk assortiment (van uierzalf tot Urbanuspillen), vervoer (zoals een diligencedienst naar Roosendaal), handel en verkoop van turf, kolen en graan, verkoop van verzekeringen, kassierswerk e.d. Alles wat boeren en burgers nodig kunnen hebben.

Na zijn opleiding op de eerste katholieke HBS in Nederland, het roemruchte Rolduc in Kerkrade, en zijn huwelijk in 1902 met J.M. (Jeannette) van den Assum, de dochter van een succesvolle leerlooier in Dongen, ontwikkelt Van de Kar een onstuitbare werklust. Hij wordt voorzitter en penningmeester van talloze verenigingen, waterschappen en coöperaties. Niet alleen plaatselijk, maar ook in de regio, in het bisdom Breda en landelijk.

Hij is penningmeester van de eerste Bond van Nederlandse Detailhandelaren van Brandstoffen. De kleine kolenboeren kampen met wurgcontracten van de machtige Steenkolen Handels Vereniging, die het monopolie op de import van Duitse kolen heeft verworven.

Twee weken voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog poseert Willem tijdens een excursie met zo’n zeventig collega’s op een kolenberg van de Gottfried Wilhelm-mijn in Essen. De naamsverwantschap getuigt van een bittere ironie.

Tijdens die oorlog is hij in Brabant actief in brandstoffencommissies die toezien op een eerlijke distributie van de schaarse brandstof. En als de gemeente Steenbergen in financiële problemen komt, wordt hij wethouder en lost de problemen op. Willem van de Kar is een trekker. En niet vies van stuntwerk.

Meijring

Voor Jos Meijring zal Willem dus geen onbekende zijn. Meijring drijft een chique winkel in huishoudelijke en luxe artikelen, zoals serviezen, glas, kristal en porselein. Op de fraaiste plek van ’s-Hertogenbosch, de Schapenmarkt recht tegenover het stadhuis. De reputatie van de winkel is onbetwist. Vader Alexander Meijring uit het Duitse Meppen wist goed wat hij ondernam, toen hij in 1868 hier een winkel opende. Tal van steden in Nederland werden bestookt door Duitse ondernemers, die prestigieuze winkelpanden bouwden. Op prominente plekken, bij voorkeur in steden met een status, met een station. Want dat garandeert kooplust.

Ook de winkel van Meijring is een succes en wordt hofleverancier.

Maar op 17 april 1900 verandert het Bossche ondernemersklimaat. Meijring krijgt een nieuwe buurman. Het warenhuisconcern Vroom en Dreesmann heeft de Pensmarkt in Den Bosch uitgekozen voor de vestiging van een nieuw filiaal, genaamd De Zon. Zo gaat het elders in het land ook. De Bossche Zon en een filiaal in Tilburg worden de uitvalsbasis voor de verovering van Zuid-Nederland. De jonge Meijring ziet naast zijn deur gebeuren waar de middenstanders zo bevreesd voor zijn. In Europa worden heuse congressen gewijd aan de opkomst van de grootschalige veelal beursgenoteerde nieuwe winkelformules. De Zon van de V&D groeit inderdaad als kool.

Geen wonder dat Jos Meijring in 1903 behoort tot de initiatiefnemers voor de oprichting van de Hanzevereniging voor rooms-katholieke middenstanders en neringdoenden in ‘s-Hertogenbosch. Een jaar later volgt Willem van de Kar met de oprichting van een Hanzevereniging in Steenbergen en een overkoepelende Hanzebond in het bisdom Breda. De middenstanders moeten zich organiseren om overeind te blijven tegenover de macht van de grootwinkelbedrijven en, vaak socialistisch geïnspireerde, inkoopverenigingen van consumenten.

Dat blijft het motto van Jos en Willem. De twee zijn ook actief in de Katholieke Sociale Actie. Dit is een strijdbare sociaal-katholieke beweging onder leiding van de politicus J.P. Aalberse van de Rooms Katholieke Staats Partij. De KSA is het katholieke antwoord op de verlokkingen van de socialisten. In 1903 wordt Aalberse de eerste minister van Arbeid in Nederland. In het bisdom Breda wordt Willem van de Kar de penningmeester van de KSA.

Coöperatie

In 1906 houdt Van de Kar op de massaal bezochte Bredasche Katholiekendag een vurig pleidooi voor de middenstandscoöperatie. “De coöperatie strijdt niet tegen de rechtvaardigheid, noch tegen de naastenliefde en is in zeer veel gevallen nuttig.”

Zijn inspirator, pater Jos Nouwens van de Abdij van Heeswijk, die continu in touw is voor de Hanzevereniging, schrijft een gids voor de Middenstandscoöperatie die meteen een tweede druk krijgt. De Norbertijner paters van Heeswijk zijn de geestelijke motor in de emancipatie van de katholieke werkgevers, boeren en middenstanders. Voor de arbeiders hebben ze helaas geen geestelijk adviseur, want paters komen meestal niet uit die klasse. De paters ontwikkelden hun professie als adviseur nu juist, omdát ze uit die milieus kwamen.

De naam Hanze verwijst naar de middeleeuwen, toen handelssteden in noord-Europa via samenwerking in een Hanzeverbond tot grote welvaart kwamen. Zoiets moet nu ook weer mogelijk zijn.

Parallel daaraan komt er een Hanzebank, die de katholieke middenstanders kredieten verstrekt. De Boerenleenbank heeft in 1903 besloten dat middenstanders geen krediet meer krijgen en de andere gevestigde grote banken bieden evenmin soelaas. Dat is voor hen te klein bier.

Na een moeizame start krijgt de bank in 1908 in een nieuwe opzet vaart, niet in het minst dank zij de steun van de katholieke kerk. Gelovigen worden vanaf de kansel aangemoedigd om hun spaargeld toe te vertrouwen aan de Hanzebank. Middenstanders ontkomen er bijna niet aan lid te worden van de Hanzevereniging en hun zaken via die bank te regelen om hun klandizie niet te verspelen.

Apostel

De grote animator van de Hanzebank is de hoofddirecteur Martinus Verberk. Hij begint zijn carrière in 1904 met de opening van het luxe sigaren-magazijn annex drankenwinkel St Janszicht in de Bossche Hinthamerstraat, klimt op in de Hanzevereniging, werkt als rijksvoorlichter voor  middenstandszaken en wordt de hoofddirecteur van de Hanzebank in ‘s-Hertogenbosch. Als een apostel gaat Verberk stad en land af.

Dankzij de Eerste Wereldoorlog beleven de leerlooierijen in de Brabantse Langstraat gouden tijden. Tijdens oorlog is er nu eenmaal veel vraag naar leer. Ook de textielindustrie in Tilburg floreert. Mede daardoor groeit de Hanzebank in korte tijd uit tot de tweede bank van Brabant, na de Coöperatieve Boerenleenbank in Eindhoven. En ze is nog niet uitgegroeid.

Dit tot groot leedwezen van mr R. Tilman, agent van de Nederlandsche Bank. Bij herhaling waarschuwt hij dat de Hanzebank een gebrekkige bancaire ervaring heeft en dat de controle op de kredieten tekortschiet. Het bankbestuur is “onbekwaam”, oordeelt Tilman.

Op dat moment komt Willem van de Kar om de hoek kijken. De Hanzebonden van Den Bosch, Breda en Roermond hebben elk een vertegenwoordiger in de Raad van Toezicht. Zo kunnen ze zicht houden op het doen en laten van de bank, die immers groot is geworden dankzij de aandelen van talloze katholieke middenstanders. De vertegenwoordiger van Breda,  de industrieel P. van den Biggelaar, treedt terug om onbekende redenen en nu is het de beurt aan Willem van de Kar als voorman van de Bredasche Hanze om toezicht te houden.

opening van beurdenhuis Willem zit links. 2-3-1953
Foto genomen tijdens de opening van het Van Beurdenhuis op 2 maart 1953. Willem van de Kar zit links, samen met Jos Meijring en abt Milo Ondersteijn. (Bron: auteur) Alle rechten voorbehouden

Oekaze

In hetzelfde jaar 1916 vaardigt het bisdom Breda een oekaze uit dat de Hanzebanken in het diocees niet langer meer kassiersdiensten mogen verrichten, omdat dit niet tot het takenpakket van een middenstandsbank behoort en het oneigenlijke concurrentie is. Kassiers beheren de ontvangsten en uitgaven van bedrijven en instellingen, zoals waterschappen. Ze verstrekken ook leningen, maar geen kredieten. De familie Van de Kar is nauw geparenteerd aan bankiersfamilies en verricht al tientallen jaren kassiersfuncties. De oekaze zal dus door Van de Kar in dank ontvangen zijn. 

Voorts mogen de parochies in het bisdom niet langer vanaf de kansel reclame maken voor de Hanzebank. Alsof de leiding van de katholieke kerk toch een beetje op de rem wil trappen. De plaatselijke clerus heeft nu eenmaal, vanwege zijn achtergrond, vaak de neiging om voor de katholieke middenstand vol op het orgel te gaan.

Ook richt Van de Kar in hetzelfde jaar samen met Jos Meijring de Hanze Borg Maatschappij op. Deze onderneming moet een garantie bieden voor middenstanders die in aanmerking willen komen voor een krediet bij de Hanzebank. Dit lijkt een poging om tegemoet te komen aan de bezwaren van inspecteur Tilman van de Nederlandsche Bank. Die zorgen worden overigens gedeeld door de accountant van de bank, mr J.J.M.H. Nijst.

Niettemin zien hoofddirecteur Verberk en zijn afdelingschef M. Bäumchen ook nog tijd om voorzitter en secretaris te zijn van de Hanzevereniging in Den Bosch. De afdeling kwijnde, vandaar. Het is zo erg dat het even er naar uitzag dat de Hanzebond en de bank naar het dynamische Tilburg zouden verhuizen. De textielindustrie beleeft een bloeiperiode en daarmee de stad Tilburg. Die aanval op de hoofdstad van Brabant kan echter worden afgewend.

Op 25 april 1918 maakt Verberk tijdens een algemene vergadering van de Hanzevereniging bekend, dat hij als voorzitter stopt en dat dit “onherroepelijk” zijn laatste vergadering als voorzitter is. Ondanks aandringen houdt hij voet bij stuk. Hij dankt met name het bestuurslid Meijring voor zijn vele adviezen, die altijd voor hem klaar stond, hoewel deze pas kort in het bestuur zit.

53453096_2125957774168005_2092257652837974016_n
De Gouden Leeuw in betere tijden. Waarschijnlijk rond 1900. (Bron: Erfgoed ‘s-Hertogenbosch)

De Gouden Leeuw

Jos Meijring ziet kennelijk veel toekomst voor de Hanzebeweging; ook in Den Bosch. Vereiste is dat er een curieuze stoelen- en pandendans komt. De hoofdrol in deze dans speelt het pand van het hotel De Gouden Leeuw.

Dit oudste hotel van de stad, gelegen op de Schapenmarkt, vlak naast het stadhuis, heeft een legendarische reputatie als tussenstop voor koningen, hertogen, gezanten, ministers en andere mensen met geld; op doorreis tussen het noorden en het zuiden. Zij dineren bij voorkeur aan keurig gedekte tafels. Volop behoefte dus aan porselein, kristal en dergelijke, hetgeen de winkel van Meijring kan leveren. Vader Alexander Meijring is ook nog eens getrouwd met Henrica Halewijn. Zij is de dochter van een Bossche wijnhandelaar, lid van de familie Halewijn, die het hotel al een eeuw in bezit heeft en exploiteert.

Daar komt verandering in. De familie Halewijn wil het hotel, dat zijn beste tijd gehad heeft, sluiten en verder gaan met lucratievere activiteiten, zoals de Bossche ijzergieterij Dufay die ook in handen van de familie is. Het hotel heeft reeds in april uitbundig afscheid genomen van een geliefd personeelslid.

Op  7 oktober 1918 komt het vervolg. Het dagblad Het Huisgezin meldt dat De Gouden Leeuw aan het eind van het jaar gaat sluiten en dat het pand wordt verkocht aan de Hanzebank. Blijkbaar is er iets ondershands geregeld.

Met de aankoop van het pand van De Gouden Leeuw bereikt de Hanzebeweging haar ideale plek, in het hart van de hoofdstad van Noord-Brabant. Daar kan Tilburg niet aan tippen.

IJzergieterij Dufay

De verkoop van De Gouden Leeuw aan de Hanzebank gaat gepaard met een kapitaalinjectie voor de ijzergieterij Dufay. Deze gieterij voor scheepsschroeven heeft een fraaie reputatie en wil uitbreiden. Op 13 augustus 1918 krijgt Dufay de halve top van de Hanzebank als aandeelhouder: de voorzitter van de raad van bestuur van de bank, M.A. Völker (burgemeester in Veghel), de ondervoorzitter, P. Eras (industrieel in Tilburg) en de voorzitter van de Raad van Toezicht, P. Sopers (industrieel in ’s-Hertogenbosch). Deze laatste wordt ook mede-directeur van Dufay, naast directeur-eigenaar Maximiliaan Lips.

Het succes is tijdelijk, zo zal in 1925 blijken.

Het scenario dat nu ontstaat, is dat de top van de Hanzebeweging een deal met de eigenaars van De Gouden Leeuw heeft gesloten. De bank en aanverwante organisaties mogen het pand van De Gouden Leeuw overnemen, als enkele topbestuurders wat geld in een ander bedrijf van die eigenaars (Halewijn) steken. In 1925 komt er ondersteunend bewijs voor dit scenario.

Wel is al duidelijk, dat de Hanzebank in steeds heftiger vaarwater zit. Na de rooskleurige jaren van de wereldoorlog, is er in 1918/1919 een economisch dipje, dat de inleiding is van onzekere tijden. De accountant van de Hanzebank blijft waarschuwen dat men meer moet controleren en reserveren. Maar de bestuurders denken dat met economische groei alle problemen zullen verdwijnen. Dus er wordt nog zonder schroom dividend uitgekeerd. Want als dat niet meer gebeurt, is dat het verkeerde signaal.

0077024
IJzergieterij George Du Fayin vol bedrijf. (Foto: Onbekend, omstreeks 1920, Erfgoed ‘s-Hertogenbosch)

Bundeling

De verhuizing van de bank naar het pand van De Gouden Leeuw is ogenschijnlijk een succes, maar de bank opent te veel en te luxe kantoren. Daar zitten vaak onervaren chefs, dus risico’s. Niettemin biedt de bundeling van krachten voordelen. Het hoofdkantoor van de Hanzevereniging trekt er in, evenals het Hanze Kolenkantoor, dat Willem van de Kar heeft opgericht om de katholieke kolenhandelaars een sterkere positie te geven, een Hanze Adviesbureau en nog wat andere Hanzeclubs. De Hanze-Borg-Maatschappij blijft gevestigd op een ander adres (Postelstraat), wellicht om te onderstrepen dat dit losstaat van de Hanzebank. De Brabantse Hanzebeweging wordt nu vanuit het hart van de hoofdstad ’s-Hertogenbosch aangestuurd.

Het befaamde beeldje van De Gouden Leeuw, eens in de ijzergieterij van de familie Halewijn gesmeed, dat altijd de stoep van het hotel verfraaide, is na de sluiting van het hotel aan de stad geschonken en blijft daar staan. Als symbool van de innige band met de stad. De Hanzebank kan dat symbool moeiteloos overnemen. Het beeldje staat er anno 2023 nog, soms geramd door een auto, maar nu tegen een ander decor, met een andere symboliek.

Parallel aan het scenario met De Gouden Leeuw speelt een andere kwestie. Ondanks de concurrentie met buurman V&D is de omzet van de winkel van Jos Meijring tijdens de oorlog en daarna fors gegroeid. Na het overlijden van zijn ouders in 1918 en 1920 besluit Meijring de winkel te verkopen en zich te wijden aan bestuurlijke en charitatieve activiteiten. Meijring is onder meer voorzitter van het college van Regenten van de Godshuizen, de oudste GGZ-instelling van Nederland.

Via Martinus Verberk, directeur van de Hanzebank en netwerker pur sang, worden drie gegadigden gevonden. Willem van de Kar in Steenbergen wordt de gelukkige, onder meer omdat hij een winkel in dezelfde branche heeft.

We vermoeden dat ook het karakter van Willem een rol heeft gespeeld. In het gevecht met de V&D is Wilde Willem een betere partij dan de rustige Jos. Beide ondernemers worden het in de loop van 1921 snel eens.

Dit is dus het decor tijdens de manifestatie van Vonk en Vlam in juli 1921. Alle hotemetoten in zakelijk en bestuurlijk Brabant zijn van de partij. In de ellenlange waslijst van ondersteunende notabelen staan M. Verberk en zijn criticaster R. Tilman zelfs gebroederlijk naast elkaar vermeld.

Boek der verschrikkingen

In augustus 1921 treedt ook Jos Meijring, als voorzitter van de Hanzebond in het bisdom Den Bosch, toe tot de Raad van Toezicht (RvT) van de Hanzebank. Zijn voorganger Joh. H. Schoenmakers, wijnhandelaar in Geertruidenberg en eveneens godfather van de Hanzebeweging, sukkelde al enige tijd met zijn gezondheid en is 3 juni overleden.

Het wordt Meijring al snel duidelijk dat er iets niet in de haak is. Op een of andere manier – Meijring is een zwaargewicht in het Bossche zakenleven – krijgt hij meteen na zijn RvT-aanstelling inzage in “het Boek der Verschrikkingen”. Dat ligt altijd in een kluis, onbereikbaar voor iedereen. Hieruit blijkt dat hoofddirecteur Verberk al geruime tijd een dubbele boekhouding voert en er grote risico’s op de loer liggen. Bestuurders, hun familie en vrienden hebben lichtzinnig krediet gekregen.

Meijring reageert woedend en wil meteen opstappen. Anderen weten hem te overreden om aan de blijven, want zo’n vertrek is een verkeerd signaal. Dan zou de zaak gegarandeerd ontploffen. (Dit verklaart Meijring eind 1923 in De Gelderlander)  

En inderdaad is er in december 1921 een korte bankrun, maar die kan worden bezworen. Er zouden valse praatjes in omloop zijn gebracht.

Schapenmarkt

Dat is de sfeer als Willem, na allerlei afscheidsrituelen in Steenbergen, met zijn vrouw Jeannette en zijn zes dochters per 1 januari 1922 naar Den Bosch verhuist en boven de winkel op de Schapenmarkt gaat wonen. Tegenover het stadhuis en de Hanzebank, naast de V&D. Vanuit zijn raam kan hij zien of de klerken van de bank werken.

Jos Meijring behoudt een bescheiden aandeel in de winkel. Ook de minderjarige dochters krijgen elk een aandeel. Marie, Ans, Willemien, Tilly, Jeanne en Chris zullen nog lang betrokken blijven. Willemien is kennelijk uitverkoren om het bedrijf te gaan runnen. Kort na de koop gaat zij op 16-jarige leeftijd in de winkel aan de slag.

Van de Kar en Meijring mogen meteen opdraven voor de mooie sier, want op 16 februari 1922 viert de bank zijn 12,5 jaar bestaan op feestelijke wijze in het Bossche Casino. Zó jong nog en al zó groot. Met 21 bijkantoren en 77 agentschappen in Noord-Brabant, Noord-Limburg, Zuid-Gelderland en Zeeuws-Vlaanderen. Op zalvende toon prijst Jos Meijring het beleid van directeur Verberk, die een pauselijke onderscheiding krijgt. Trots/vastberaden  poseren de leden van het bestuur, de vier directeuren en de raad van toezicht voor de Katholieke Illustratie. Dit is het favoriete en grootste  weekblad voor rooms Nederland. Dus iedereen weer gerustgesteld.

De ontnuchtering komt rap. De accountant van de bank, J.J.M.H. Nijst, waarschuwt in mei dat de bank aan de rand van de afgrond staat. De Raad van Toezicht krijgt slechts een gekuiste samenvatting van deze onheilstijding. (Aldus Meijring in De Gelderlander) 

En de bestuurders werken hard aan een reddingsplan. Bij de Boerenleenbank wordt een lening afgesloten ter waarde van 10 miljoen gulden. De boerenbestuurders hebben alle reden om hun benarde collega’s in het zadel te houden, want een faillissement kan in de nerveuze bankenwereld een kettingreactie ontketenen. De boeren zijn wel zo slim om garanties te eisen. Eind 1922 verkoopt de Hanzebank voor 9,5 miljoen gulden zijn vetste, meest zekere garanties van zijn kredietnemers aan de Boerenleenbank. De vage garanties mag de bank houden.

begin 20ste eeuw (2)
Ansichtkaart van de Schapenmarkt in ‘s-Hertogenbosch omstreeks 1900. Aan de rechterkant de winkel van Meijring. (Bron: Verhees, 1900) Alle rechten voorbehouden

Hyperinflatie

In 1923 komt dan toch de genadeklap. In Duitsland is hyperinflatie en daarmee vervliegt de hoop op betere tijden. Menig bank legt het loodje. Accountant Nijst van de Hanzebank schetst een onthutsend beeld aan bestuursvoorzitter A.N. Fleskens van de Boerenleenbank, die tevens burgemeester van Geldrop is en Tweede Kamerlid voor de Rooms Katholieke Staatspartij. In een jolige bui schrijft Nijst een tikfout in de aanhef van zijn rapport. Geldrop wordt Gelderop. Dat gebeurt dus niet.

Overigens ziet Nijst nog wel mogelijkheden voor een landelijke katholieke ‘grootbank’, mits er een reorganisatie komt met steun van de regering of van de Nederlandsche Bank. Een goedgelovige accountant.

Op 31 mei 1923 is Willem van de Kar aanwezig bij het finale overleg van de Hanzebank-top met  thesaurier-generaal L. A. Trip van het ministerie van financiën en de top van de Nederlandsche Bank. Het gezelschap komt met lege handen terug in Den Bosch.

Voor de juridisch adviseur van de Hanzebank, mr I.A. Swane, die bij het overleg aanwezig is, is de situatie glashelder. Als een haas ziet hij samen met de bestuursvoorzitter M.A. Völker kans om hun tegoeden ter waarde van ruim 200.000 gulden (nu zo’n 1 miljoen euro) bij de bank weg te halen en in veiligheid te brengen bij de Boerenleenbank. In de Bossche herensociëteit De Zwarte Arend wordt nadien schande gesproken van dit gewiekste gedrag van hun prominente lid.

Crash

Twee dagen later, op zaterdag 16 juni, maakt het bestuur van de Hanzebank opgewekt bekend dat het gaat reorganiseren en surséance van betaling aanvraagt. Er is geen ontkomen meer aan. Er komt een  bankrun. Iedereen wil zijn geld terug, dat er niet meer is. Om half elf in de ochtend sluiten de kassen.

Willem van de Kar begint meteen met scherven op te ruimen. Samen met negen ondernemers in Breda richt hij een nieuwe Coöperatieve Diocesane Hanze Glasverzekering op. De oprichtingsdatum, 1 juli 1923, getuigt van symboliek: het is zijn trouwdag.

De woede over de crash ontlaadt zich op 6 juli 1923 tijdens twee rumoerige massale bijeenkomsten van gedupeerden in het Bossche Casino. Ook de zes minderjarige dochters van Willem van de Kar behoren met hun bescheiden spaarbankboekje tot de schuldeisers en zijn aanwezig. Het moet een wonderlijke leerschool zijn geweest. Waarschijnlijk werden zij wel vergezeld door (een van) hun ouders, hoewel deze niet genoteerd staan als schuldeisers.

Hoofddirecteur Verberk weet de gemoederen niet te kalmeren. Integendeel, het wordt een gênante vertoning.  De verslaggever van De Telegraaf omschrijft de bestuurders als “ridders van de treurige figuur.” Verberk is zich van geen schuld bewust. Het zouden slechts externe factoren zijn geweest, waardoor het nu even tegenzit.

Hoewel Willem van de Kar – als lid van de Raad van Toezicht – dan nog een geheimhoudingsplicht heeft, legt hij een paar dagen later toch verantwoording af tegenover zijn achterban, tijdens een besloten vergadering van  de Hanzebond in Den Bosch. Aldus een sober communiqué in het dagblad De Maasbode. Na zijn uitleg was er applaus, zo luidt de verklaring.

Daarna komt de “modderpoel van Brabant”, zoals een krant kopt, langzaam naar boven. Een nieuwe walm stijgt op, als de curatoren het ‘zwarte contract’ ontdekken dat Verberk op 24 mei 1921 met zijn bestuur heeft gesloten. Het heeft nogal bizarre bepalingen; te meer omdat dan al bekend is dat de bank wankelt.

Verberk heeft carte blanche. “Bij liquidatie of faillissement der Bank wordt Verberk geacht te zijn afgetreden daags tevoren.” Als afscheidsbonus zal hij tien jaarsalarissen ontvangen, plus een riant wezen- en weduwenpensioen. En de universitaire studie van zijn kinderen is ook verzekerd.

Deze premie op een bankroet wekt ook weer grote woede. Pas na grote druk zwicht Verberk en schrijft een onderdanig  briefje aan de bisschop van ’s-Hertogenbosch, dat hij van zijn ‘rechten’ afziet. Daar blijft het bij.

Zwijgplicht

Als de rechtbank op 8 december 1923 de bank failliet verklaart, is de storm nog niet geluwd. Jos Meijring is met het vonnis ontheven van zijn zwijgplicht en geeft, zoals hij intern al had aangekondigd, opening van zaken. Dat gebeurt een week later in een groot interview in dagblad De Gelderlander; een curiosum in die tijd. Het is een opeensomming van gedraai en gekonkel, waardoor het toezicht op het verkeerde been werd gezet.

De crash wordt het grootste debâcle tot dan toe in de Nederlandse geschiedenis. Meer dan 100 miljoen euro aan hedendaags geld gaat in rook op. Mensen krijgen nog slechts 45 procent van hun spaargeld terug.

Zelfs voor de politieke loopbaan van minister Aalberse is de déconfiture bijna fataal. Hij staat fors in het krijt bij de bank, onder meer ten behoeve van ‘zijn’ dagblad Het Centrum, en moet alles op alles zetten om elders krediet te krijgen. Een failliete minister houdt immers niet lang stand.  

Grote verliespost is het grootgrutters-winkelbedrijf NV Meuwese-Van Gerve, waarvoor de Hanzebank de uitgifte van aandelen heeft verzorgd. Aandelenemissies behoren niet tot de taken van een middenstandsbank, maar de verleiding was te groot, want dat soort diensten zijn lucratief. Als ze lukken. De uitgifte wordt een fiasco en na de crash van de bank resteert alleen al daardoor een verlies van ruim 4 miljoen gulden.

Belangenverstrengeling

Ook hier is sprake van enige verstrengeling van belangen. De eigenaars van de NV zijn verwant aan Hanzebankbestuurder P. Eras, industrieel in Tilburg. Ook het reeds bekende duo, bestuursvoorzitter M.A. Völker van de Hanzebank en juridisch adviseur I.A. Swane, behoort tot de oprichters van de NV. Een heus Wallstreet in de Kempen. 

Hoofddirecteur Verberk geeft de schuld aan het slechte beursklimaat, omdat de beleggers nerveus zouden zijn geworden door de Troelstra-opstand in november 1918. Knap bedacht. Maar er zijn verhalen bekend van winkels die door Meuwese-Van Gerve vlak voor de aandelenuitgifte waren geopend en al snel weer dicht gingen.

En de affaires gaan door, onder andere in 1931 met een frauderende curator en zijn chauffeur. De afwikkeling van het faillissement sleept door tot 1936, maar dan is de grootste ravage al aangericht. Onder andere de leerindustrie, die vanwege de bloeiende tijden, op grote schaal met Hanzekrediet nieuwe huiden had ingekocht, gaat zwaar het schip in. Kaalslag. Veel ontslagen. Brabant kan weer opnieuw beginnen.

Van de Kar moet diverse bedrijven liquideren. Zoals zijn geliefde Hanze Kolenkantoor en menig coöperatie. Maar ze gaan niet failliet; iedereen krijgt zijn geld terug. De ijzergieterij Dufay moet er eveneens aan geloven; het bedrijf scheert langs de afgrond. Samen met Hanzebank-bestuurder P. Eras en F. Kessels, directeur van de Boerenleenbank in Eindhoven, probeert Van de Kar de liquidatie in goede banen te leiden.

Ook deze operatie gaat niet zonder slag of stoot. De curatoren van de Hanzebank eisen dat Dufay in het faillissement van de Hanzebank wordt betrokken. Dat gebeurt, maar het loopt toch goed af en de gieterij krijgt een doorstart en bereikt de wereldtop met Lips Scheepsschroeven in Drunen. Zij het dat het nu gevestigd zou zijn in China.

Dochters

De winkel op de Schapenmarkt blijft overeind, vooral ook door de inzet van de dochters Van de Kar. Soms mogen zij hun studievoorkeur niet volgen, omdat de winkel voorgaat. Dus een gemengd succes. Menig dochter ontplooit zich niettemin tot een kenner van kristal, porselein en keramiek. In de familie is op dat gebied nu nog een rijke expertise.

Jos Meijring en Willem van de Kar blijven doorgaan als een onverwoestbare tandem voor het middenstandsbelang. Ze worden actief in de revival van de Sint Jansmarkt, een eeuwenoude, maar uitgestorven traditie, en de Sint Jans Reclame Marktdag, respectievelijk -week. Zo blijft de middenstand overeind.

Uitgerekend de aartsvijand, de firma Vroom & Dreesmann, koopt het vervallen pand van de Hanzebank op om er een fors nieuw warenhuis te bouwen. In afwachting daarvan prijkt de naam van de nieuwe eigenaar met joekelgrote letters op een gevelbreed bord. Dat is het dagelijks uitzicht van het gezin Van de Kar. Dat prikkelt.

kath illustr 22-2-1922
Jubileumfoto. (Bron: Katholieke Illustratie, 22 februari 1922) Alle rechten voorbehouden

Jubileum

Als de Diocesane RK Middenstandsbond in ’s-Hertogenbosch in 1927 zijn zilveren jubileum viert, zorgt Wilde Willem voor een stuntje. De dag na het jubileumfeest is de St Jansmarktdag gepland. Bij de officiële ontvangst van het organiserend comité verzamelt zich een bont gezelschap middenstanders op en voor het bordes van het stadhuis. Alsof het een protestactie betreft, worden zij omringd door borden met de namen van bekende winkels in Den Bosch, zoals Meijring. Met ernstige blik, alsof ze een kater hebben van het feest een dag eerder, kijken de heren en een enkele dame naar de camera. Er kan geen lachje vanaf. Alleen twee kinderen die verkleed zijn als elfen met een puntmuts op en een bord vasthouden, lachen opgetogen. De boodschap is duidelijk: wij zijn er ook nog. Kort tevoren heeft het college van B & W in de stad enig krediet verspeeld als gevolg van vriendendiensten aan warenhuisconcern V&D.

De Gouden Leeuw V&D 1929
In deze panden zat de Hanzebank gevestigd. In 1929 zullen deze worden gesloopt voor nieuwbouw V&D. (onbekend, waarschijnlijk 1929, Erfgoed ‘s-Hertogenbosch) Alle rechten voorbehouden

Kort na deze foto zal V&D beginnen aan de sloop van De Gouden Leeuw ten behoeve van een groot ultra-modern pand. Een Brabants bastion; nu niet meer naast, maar tegenover de winkel van Meijring. Het beeldje van De Gouden Leeuw blijft gewoon op de stoep voor de ingang staan.

Ook Willem van de Kar gaat gewoon door. Hij begint het advertentieblad De Bossche Post. Directeur van dat bedrijf is een chef die hij wegkoopt van de winkel V&D. Het gevecht gaat nog door tot minstens 1952, als de RK Diocesane Middenstandsbond ’s-Hertogenbosch zijn halve eeuwfeest viert. “Strijd met grootkapitaal geluwd”, kopt De Volkskrant daags voor het feest tevreden. We proeven hier een conclusie van Willem van de Kar. Met 10.000 ‘actieve’ leden in het bisdom Den Bosch telt de Hanzebond mee.

0005934 Bouwput V&D
Bouwput warenhuis Vroom & Dreesmann op de plaats waar de Hanzebank ooit stond. (Foto: Erfgoed ‘s-Hertogenbosch, 1929)

De viering van het gouden jubileum gaat, hoe kan het ook anders, gepaard met een stunt. Van de Kar, inmiddels commissaris van de Nederlandse Middenstandsbank, organiseert een grote loterij. De opbrengst wordt besteed aan de aankoop van een bestuursgebouw ten behoeve van de bond, het Van Beurdenhuis, vernoemd naar hun inspirator pater Julius van Beurden van de abdij van de Norbertijnen in  Heeswijk. Er is een fraaie foto na de inzegening van het Van Beurdenhuis: Willem in levendig gesprek (voor zover dat bij slechthorenden lukt) met Jos Meijring en Milo Ondersteijn, de abt van Heeswijk. Het drietal kijkt tevreden. De cirkel is rond. Wat dertig jaar eerder uitdraaide op een fiasco, lukt nu wel: een eigen bestuursgebouw voor de katholieke middenstanders.  Een maand later, 10 april 1953, overlijdt Willem van de Kar.

Een half jaar later volgt zelfs nog een doelpunt: eind 1953 presenteert het kabinet aan het parlement het ontwerp voor een Middenstandswet.

Archieven:

Privé-archief:

Meijring, J., Geschiedenis der zaak A. Meyring te ’s-Hertogenbosch 18 mei 1868 – 18 mei 1943.

Jaarverslagen NV v/h Meijring 1922-1957.

Openbare archieven:

Brabants Historisch Informatiecentrum, Handelsregister 1394 NV Hanze Borg Maatschappij Credietinstelling, 6886 CV Handel in luxe- en huishoudelijke artikelen v/h A. Meijring.

Rechtbank 1271 Crediet Vereeniging de Hanzebank.

Nationaal Archief: 2.09.46/22062 Hanze Kolenkantoor.

RABO-bank: rapporten accountant Nijst.

Kranten

De Nederlandse Hanze, Hanzeblad, RK Middenstander, de Hanzebode, Katholiek Sociaal Weekblad

Het Huisgezin 7-10-1918

De Tijd 25-6-1919

Het Huisgezin 18-7-1921

Algemeen Handelsblad 7-7-1923

De Telegraaf 7-7-1923

De Maasbode 12-7-1923

De Maasbode 16-7-1923

De Gelderlander 15-12-1923

Provinciale Noordbrabantsche & ’s-Hertogenbossche courant 8-4-1925

Nieuwsblad van het Zuiden 8-3-1949

Echo van het Zuiden 8-2-1952

De Volkskrant 8-2-1952

Onderdeel van:

Jouw verhaal telt ook!

Deel het met ons en help Erfgoed Brabant Verhalen groeien!

Periodes