De grootste pacifist is eigenlijk een militair

Tinus Konings naast de replica van "zijn" Bolköw helikopter, in de Traditiekamer in Gilze-Rijen (Foto: Xander Steijns, 2024)

Als techneut was de Roosendaalse Tinus Konings van oktober 1999 tot januari 2000 met de Luchtmacht in Kosovo, om vier Bolköw helikopters paraat te houden. Hij verzorgde samen met een team dat hij aanstuurde het onderhoud van de helikopters. Wat hem aan zijn tijd is bijgebleven? Het leed wat mensen elkaar aandeden, maar ook hoe hij een steentje heeft kunnen bijdragen aan het leven van de lokale bevolking.

Moeizaam contact

Op het moment dat Tinus werd uitgezonden naar Kosovo, zat hij al een poosje bij de Luchtmacht. Hij heeft 22 jaar in Duitsland gezeten, om uiteindelijk, na nog een paar andere banen, in 1995 uit te komen bij de vliegbasis in Gilze-Rijen. Oorspronkelijk was hij van plan in Duitsland te blijven, maar nadat de muur was gevallen hadden ze hem niet meer nodig. Achteraf is hij heel blij dat hij terug naar Brabant is gegaan, en hij gaat ook niet meer weg. Zijn enige ‘pauze’ was zijn uitzending van drie maanden naar Kosovo, rond de millenniumwisseling.

Tinus hield er altijd rekening mee dat hij uitgezonden kon worden, maar drie maanden naar een vreemd land was toch even iets anders. “Ik was er wel aan gewend in het veld te zitten, ik heb meer dan tweehonderd keer een oefening van een week in het veld gehad. Alleen dit, dat komt toch effetjes koud op je dak, omdat je ineens drie maanden ingesloten bent. Het is niet zo dat je daar een week effe terug naar huis kunt.” Vooral het beperkte contact met het thuisfront vond hij moeilijk. Brieven schrijven en één satelliettelefoon voor tachtig man, dat was alles.

“Het thuisfront is kei belangrijk.” Zeker als het daar niet goed gaat, heeft dat gevolgen. Tijdens de uitzending van Tinus wilde zijn stiefdochter weg bij haar vader, maar dat liep niet soepel. “Ik had natuurlijk geen normale telefoon. Toen heb ik met de satelliettelefoon van mijn voertuig daar naar huis gebeld. Dat was eigenlijk frauderen, maar op dat moment boeide me dat niet. Midden in de nacht sta je daar te bellen. Ik dacht als er genoeg peut in die Jeep zit, rij ik naar huis.” Tinus voelde zich machteloos, hij wilde helpen maar kon dat niet. Het is gelukkig goed afgelopen, maar Tinus heeft het hierdoor wel een paar dagen moeilijk gehad. “Een grote poot waar de uitzending op staat is het thuisfront.”

Helpen

Wanneer Tinus terugdenkt aan de missie, wordt zijn functie een bijzaak. Hij vindt het veel belangrijker dat hij de lokale bevolking van Toplicane, het dorp waar ze gestationeerd waren, heeft kunnen helpen. De Kosovaren hadden op dat moment heel weinig, iets wat Tinus moeilijk vond om te zien. Zo heeft hij met collega’s gedurende de missie spullen naar het dorp gebracht, zoals brandhout en allerlei spullen voor een lokale school. “Er stond een afgebrand huis, met daarnaast een tentje, waarin een oma lag te slapen op twee pallets met een deken. Toen zijn er bij ons, en niemand weet verder waarom, een paar stretchers verdwenen. Die lagen achterin de Jeep en die hebben wij meegenomen. Die oma had die harder nodig dan ik kan ik je zeggen.”

Het paraat houden van de helikopters denkt hij niet meer vaak aan terug. Ja, hij is er trots op, maar hij voelt veel meer trots dat hij de lokale bevolking heeft kunnen helpen. “We hadden in onze kantine een grote pot staan. Als iemand iets te vieren had, kon die daar geld in stoppen. Binnen een maand of anderhalf zat er 1500 piek in die pot. Dat is allemaal naar dat dorp gegaan, dat was voor die mensen veel geld.”

Tinus voelt onbegrip voor het geweld dat mensen elkaar aandoen. De afgebrande, lek geschoten huizen in Kosovo raakten hem enorm. Toen hij later een keer op vakantie was in Kroatië, zag hij eenzelfde beeld. Toentertijd brak hij, ook terwijl hij zijn verhaal met mij deelt kan hij zijn tranen niet bedwingen. “Dat is iets, ik vind dat zo verschrikkelijk, en je ziet het ook vaak terug. Misschien is het een kromme redenering, maar de grootste pacifist is eigenlijk een militair. Die wil namelijk niet dat er oorlog komt, en als die er dan toch komt proberen wij als militairen die oorlog zo snel mogelijk te beëindigen.”

Een koffer achterlaten

Na drie maanden ging Tinus weer naar huis. Dat was wennen. “Je dagritme is anders. Daar sta je eigenlijk 24 uur per dag aan. En dan kom je thuis en is het ineens weer, nou ja acht tot vijf mentaliteit kan ik niet zeggen, maar je zit op je gemak weer thuis bij je eigen familie.” Tinus zat in het begin nog met zijn hoofd in Kosovo. Niet zozeer bij de missie, maar bij de mensen die hij had geholpen. Hij had het gevoel dat hij nog niet genoeg had gedaan. “Zoals ze op zijn Duits zeggen: ik heb daar nog een koffer staan. Het is niet af.”

Desondanks vond Tinus het fijn om weer thuis te zijn. “Je bent constant altijd bij mekaar geweest, en in één keer ben je niet een week, maar drie maanden van huis.” Terug naar huis gaan was voor Tinus dan ook, ondanks het onrustige gevoel, fijner dan naar Kosovo vertrekken.

Saamhorigheid

Naast tachtig mensen van de Nederlandse Luchtmacht, zaten er ook nog een paar honderd Duitse soldaten in Toplicane gestationeerd. Zij deelden veel van de faciliteiten met de Nederlanders. Kort nadat Tinus was aangekomen zat hij naast een Duitser in de keukentent. Het viel hem op dat hij een heel ander rang-onderscheidingsteken droeg dan hemzelf, terwijl ze allebei hoogste onderofficier (adjudant) waren. “Toen heb ik een streep van mijn jas afgehaald, en aan hem gegeven. Hij zegt wat mot ik daar mee. Ik zeg die is voor jou. De Duitse streep aan de ene kant en de Nederlandse aan de andere kant. Nu weet iedereen wat jouw rang is. Binnen de kortste keren had tachtig procent van de basis een Duitse en Nederlandse streep op hun jas.”

Tinus geeft het als voorbeeld voor het groepsgevoel wat er heerste tijdens de missie. Ook op de momenten dat “de baas” langskwam. Wij waren een paar boekenkasten in elkaar aan het timmeren voor die school, toen onze commandant binnen kwam. Die zei: ik ben niet handig, maar wat kan ik doen. Die wilde ook meehelpen. Die Duitsers hadden zoiets nog nooit zien gebeuren.” Het geeft aan dat iedereen die van oktober ’99 tot en met januari 2000 in Kosovo zat, het belangrijk vond om de bevolking van Toplicane te helpen. De rangen maakten niet zo veel uit, het ging erom samen de mensen te helpen. Iets wat Tinus altijd is bijgebleven.

Traditiekamer

Tinus heeft lang in Duitsland gewerkt, maar zijn roots liggen in Brabant, in Roosendaal om precies te zijn. Toen hij op gegeven moment vanuit Duitsland terug naar Nederland moest, heeft hij speciaal aangevraagd in Gilze-Rijen te kunnen werken. “Ik zeg ik wil in het midden zitten. Gilze-Rijen was voor mij het midden, want dat ligt precies tussen Rotterdam en Antwerpen, wat ik belangrijke steden vind, die bezoek ik graag.” In Duitsland vond Tinus de mensen soms wat moeilijk en stug, terwijl in Brabant alles een stuk makkelijker loopt.

Zo vervalt hij ook graag terug in het Brabants als dat kan. Sinds zijn pensioen is Tinus vrijwilliger bij de Traditiekamer op de vliegbasis in Gilze-Rijen. Daar geeft hij vaak rondleidingen aan groepen uit het hele land. Meer dan eens in het Brabants, want dat vindt hij mooi.

Het is inmiddels 25 jaar geleden dat Tinus Konings in Kosovo is geweest. Hij denkt er niet meer zo vaak aan als toentertijd, maar vindt dat hij er mooi werk heeft gehad. Na ons diepgaande gesprek krijg ik nog een rondleiding door de Traditiekamer, waar hij me trots een replica laat zien van de Bolköw helikopter die hij in Toplicane paraat heeft gehouden. Tinus wordt vaak genoeg herinnerd aan zijn officiële functie in Kosovo, en dat vindt hij helemaal niet erg.

Onderdeel van:

Jouw verhaal telt ook!

Deel het met ons en help Erfgoed Brabant Verhalen groeien!

Periodes