Dit is een fascinerend schilderij met een rijk verhaal. Het werd geschilderd door Lucas Gassel (circa 1488 –1568), een schilder uit de omgeving van Helmond die later in Antwerpen en Brussel werkte.
De opdrachtgeefster
De waarschijnlijke opdrachtgeefster van het schilderij was Maria van Hongarije (1505-1558), de landvoogdes van de Nederlanden die op dat moment in Brussel zetelde. Iconograaf Jan van Hoek toonde aan dat het paleis rechts op de achtergrond overeenkomsten vertoont met haar Brusselse paleis. Ondanks dat het op de achtergrond staat, is het zeer gedetailleerd weergegeven in een voor die tijd uitzonderlijk rijke vormgeving. Dergelijke ‘paleizen’ zullen niet nabij zo’n doorgaans afgelegen en door werkzaamheden gehavende mijnbouwlocatie hebben gestaan. Het is uit de context geplaatst in een geconstrueerde compositie. Dat was een niet ongebruikelijke gewoonte in die tijd; een schilderij diende vaak mede als verhalend conversatiestuk.
Een ogenschijnlijk hoogwaardig gezelschap komt vanaf het paleis aangewandeld. Een suggestie van Museum Helmond volgend, is daartussen grootvorst Karel V (1500-1558) te ontwaren. Ook zijn zuster Maria, de opdrachtgeefster, staat er mogelijk bij. Komen zij van de welvarende stad rechtsboven? Is het Budapest? Vooruitlopend op de stoet brengt een drietal vrouwen drank en voedsel naar de werkende mijnwerkers. Een ingevoegd tafereel, vermoedelijk bedoeld om de ethische correctheid van de elite te onderstrepen.

De Brusselse opdrachtgeefster van het schilderij koesterde persoonlijke herinneringen aan deze kopermijn in Hongarije. Dat was omdat zij tevens rechthebbende over de betreffende regio was geweest. De mijn had haar bovendien voorspoed en prestige geschonken. Om zich te documenteren moet de eveneens Brusselse schilder bijna zeker persoonlijk de mijnbouwlocatie hebben bezocht. Denkbaar moet dat in het Hongaars-Slowaakse gebergte zijn geweest, een van de belangrijkste wingebieden voor koper.
Het morele dilemma
Mijnbouw kwam vooral voor in bergachtige streken, de landschappelijke grilligheid is op Gassels schilderij echter aangescherpt. Het in steen uitgevoerde gebouwtje is te herkennen als een kapel met op het dak een bescheiden klokkentorentje. Het gebouwtje lijkt zowel de kerkelijke permanentie als haar sanctionering van de mijnbouw te bevestigen. Bij het muurtje houdt de priester een oogje in het zeil, de blik gericht op het houten kruis met het opgespijkerde bord met gedragsregels. Een terreinmarkerend ‘vredeskruis’.dat ook. bij de twee andere ingangen is te ontwaren.
Mijnbouw was vanaf de oudheid een delicate en discutabele activiteit. Het dilemma was het behalen van materieel gewin versus het aantasten van Gods unieke schepping. Dit onderwerp wordt in meerdere natuurwetenschappelijke historische werken behandeld, zoals in Naturalis Historia van Plinius de Oudere (23 -79 na Chr.), maar ook bij Paulus Niavis (1460-1517) en Ulrich von Kalbe (1465-1523). Het wordt ook genoemd in een zeer belangwekkend mijnbouwboek dat, in tegenstelling tot verhandelingen uit dezelfde periode, kwam met instructieve illustraties: De re metallica van Georg Agricola (1494-1555) dat in 1556 uitkwam.
De geologische ontwrichtingen vonden gewoonlijk plaats in verre buitengebieden, buiten ieders zicht en beleving. De herkomst van de grondstoffen kon zodoende verschoond toeschijnen; geruster acceptabel. Ook toen kon het besef van de extrapolerende gevolgen van mijnbouw niet anders dan naar fysieke uitputting van de Aarde leiden. Zowel aan de oppervlakte als in de diepte. Eenmaal gewonnen metalen groeien niet opnieuw aan, ook al verkeerden sommige tijdgenoten nog in een bewustzijnsfase dat ondergrondse metaaladers even levend als boomwortels waren.
Ook al vertoont dit schilderij geconstrueerde trekken, het toont dat de mijnbouw in de zestiende eeuw systematisch en gangbaar is geworden. Alle partijen zijn van hoog tot laag en in ogenschijnlijk eendrachtige samenwerking vertegenwoordigd: de wetgever, de Kerk als ethische instantie, de exploitant, alle uitvoerenden. De op te graven profijtelijkheden werden onbedwingbaarder naarmate de eeuwen verstreken.
Vooral met de rechter helft van het schilderij illustreerde Gassel de leefwereld van het profijt, met de linker helft die van de arbeid. Volgens algemene aannamen betreft de welgeplaatste middenscène een ‘braakproef’, een moraliserende voorstelling gericht tegen diefstal (en rijkdom te laten waar het ‘hoort’; bij de organiserende elite). De verdrinkingsdood bij wijze van ‘Säcken’ kon de uiterste straf zijn. Bij de hoogwaardigheidsbekleder in de scène kan men de rechtsvertegenwoordiger vermoeden, op doorreis met zijn hier geparkeerde paard.
Veranderingen in het landschap
De schilder geeft blijk van een buitengewoon doordachte (en dus wellicht persoonlijk ervaren) ruimtelijke weergave van het geheel, in het bijzonder van het proces van de arbeid: de volgorde van handelingen en de daarbij behorende gebouwtjes en werktuigen. De leidraad is het beloop van de watervoorziening welke via twee sporen is te traceren naar bronnen in de bergen. De mijnbouw bestond toen uit spontaan gegraven putten of schachten, verspreid over een groter gebied. Als faciliteit daarvoor zou dit een beter uitgerust centraal werkterrein kunnen zijn. Wagens voeren de ruwe ertsen van de verspreide putten naar hier. Het is vermoedelijk in twee fasen in gebruik gesteld.
We zien hier de eerste tekenen van de bezetting van het landschap door mijnbouw en industrialisatie. Op afbeeldingen van de De re metallica zien we zelfs restanten van ontginning en ontbossing. De verwijdering van de eeuwenoude bosbiotoop had, naar later bleek, een grote ecologische strekking. Het zeer vervuilende afvalwater van het spoelen van de ertsen was bovendien fnuikend. Dat zowel de zichtbare oppervlaktenatuur als de onzichtbare en daarmee verbonden opperbodemnatuur moesten wijken voor de menselijke welvaart bleek ingrijpender dan toenmaals werd vermoed.

Bij de uitgraving links in beeld zien we met zijn kruiwagen de vermoedelijke ‘prospector’ weglopen, de mineralendeskundige of kwaliteitsbewaker. Ter plekke ook een wichelroedeloper. Met deze onbeholpen methode hoopte men indertijd metaaladers in de bodem op het spoor te kunnen komen. “Waar aan de aardoppervlakte de menselijke zintuigenwerking ophield, moest het gissen naar Aardes mysterieuze binnenste beginnen.”
Water en vuur; energie voor de mijnbouw
Zoals in de toelichtingen door Museum Helmond gesteld, bestaat ook dit schilderij van Lucas Gassel uit een voorgrond, een middendeel en een achtergrond. De intense aardekleuren op de voorgrond verdunnen in de diepte van het panorama tot lichtere blauwen en grijzen. Opvallend is dat de wezenlijkste van alle handelingen, namelijk de mijnwerker die de delfstof uit de Aarde opgraaft, als het ware bijna buiten het beeld valt. Uiterst links treedt hij uit de mijnschacht met een brok erts in de hand.
Het erts wordt verderop handmatig verpulverd, een man slaand met een hamer is zichtbaar links bij het voorste gebouwtje. Ook kunnen de ertsen werktuiglijk verpulverd worden met slaghamers welke worden aangedreven door een watermolen. Het erts gaat vervolgens in een smeltoven waar het metaal uit het erts gesmolten wordt. Verdere bewerkingen vonden doorgaans elders plaats, in ‘Saigerhütten’ en in de ambachtelijke smederijen in de steden. Toch konden in de smederij op het werkterrein bijvoorbeeld reparaties aan gereedschappen plaatsvinden. Er zijn drie ovenvuren te traceren op het schilderij. Wij missen nog de karakteristieke houtskoolmeiler alsook houtopslagen.

Watermolens zorgen voor de aandrijving van de slaghamers en de blaasbalgen voor de zuurstofaanjaging van de ovens, soms ook voor het hijswerk in de mijnschachten. Op het schilderij zijn vier watermolens te zien, waarvan een bij het paleis. Op hogere bewerkingsplaatsen op de berg ontbreekt watertoevoer. Het paard zal er te rusten staan na zijn werk in de tredmolen welke hier als energievoorziening moet dienen. De beschikbaarheid van permanent stromend water moet de beslissende factor zijn geweest in de locatiekeuze voor het werkterrein met watermolens. Het begon allemaal met een aangetroffen bergbeek. Ter regulering moesten daarin een spuwer en ingenieuze sluisjes worden gemaakt. Bij een latere terreinuitbreiding werd een tweede hoger gelegen bron benut. In dat beloop zien we de bovenste verhoogde goot.
Er wordt in het schilderij een uniek caleidoscopisch beeld getoond van het samenraapsel van destijds beschikbare energieaanwendingen; die van menskracht, van gedomesticeerde dieren (het paard in de tredmolen), de kracht van stromend water (de waterraderen) en van het brandend hout, houtskool of turf in de ovens. Ondanks de navrante rookvervuilingen kwam vanaf halverwege de zestiende eeuw in Engeland en Schotland het verbruik van fossiele steenkool opnieuw in zwang. Vooruitlopend op het latere gebruik van fossiele aardolie en aardgas zou het de eerste fase van de industriële revolutie genoemd worden. De steenkoolexploitaties werden toen vooral gestimuleerd ten gevolge van houttekorten door de om zich heen grijpende ontbossingen van het destijds onontbeerlijke hout.
Grondstoffen als handelswaar
Mijnbouwlocaties van enige omvang vergden aanzienlijke investeringen in gebouwen, werktuigen en infrastructuren zoals de wegen naar afgelegen locaties en het verleggen en construeren van de ook op het schilderij getoonde verhoogde watergoten. In het hier besproken geval zou daar de vroegkapitalist Jacob Fugger voor gezorgd hebben. We zagen al de vierwielige ossenwagens die de grondstof kunnen aan- en afvoeren, alsmede het hout kunnen aanvoeren wat moet dienen als brandstof voor de ovens en als constructiehout voor bouw- en stutwerkzaamheden. De schepen op de achtergrond verwijzen mogelijk naar de verdere verhandeling van de kostbare grondstof, waarschijnlijk naar het buitenland. Ook dit is door Gassel ingevoegd, mogelijk in samenspraak met de opdrachtgeefster; een zeehaven direct grenzend aan een mijnbouwgebied vinden wij nergens op Europese landkaarten.
In 2024 heeft auteur Han Snijders nieuwe bevindingen aan de hand van doorlopend onderzoek op papier gezet. In 2026 is dit verhaal op basis daarvan vernieuwd. Het gehele artikel met al zijn bevindingen kun je lezen via https://han-snijders.nl/de-kopermijn-van-1544/