Het Beleg van Breda was in 1624 en 1625 een groot thema in de Nieuwe Tijdinghen: ruim 40% van de berichtgeving ging over de oorlog in de Nederlanden. Voor uitgever Verhoeven, die voor financiering van de Nieuwe Tijdinghen afhankelijk was van de autoriteiten in de Zuidelijke Nederlanden, was het zaak om een positief beeld te presenteren. Dit deed hij via het principe āslecht nieuws, geen nieuwsā: Spaanse overwinningen worden in de Nieuwe Tijdinghen groots uitgelicht, terwijl tegenslagen nauwelijks worden genoemd. Hiermee wordt een eenzijdig beeld gecreĆ«erd. Lezers krijgen de indruk dat het beleg voorspoedig liep, terwijl de realiteit vaak anders lag.
Het Spaanse leger had bijvoorbeeld regelmatig te maken met muiterij en desertie. De omstandigheden in het legerkamp waren vaak slecht, er was te weinig eten, en soldaten kregen niet altijd betaald, waardoor zij soms weigerden te vechten. Deze problemen worden echter niet benoemd door Verhoeven. Die doet juist zijn best om het tegenovergestelde beeld te creĆ«ren: er zou eten in overvloed zijn, en de soldaten zouden allemaal volledig gemotiveerd zijn. Na de strenge winter van 1624-1625, waarin veel Spaanse soldaten omkwamen van kou en honger, maakt Verhoeven de volgende melding: āAlhier int ās Conincx Legher voor Breda ist noch alles goetsā (āHier in het koninklijk leger voor Breda is alles nog goedā). De Staatse troepen zouden juist geteisterd worden door ziekten en vele doden.
Bij het Staatse leger werd elke tegenslag uitvergroot in de Nieuwe Tijdinghen. Telkens als er een offensief van Maurits van Oranje faalde, werd hierover uitgebreid bericht. De poging om Breda te ontzetten op 15 mei 1625 wordt bijvoorbeeld gepresenteerd als een haast episch conflict waarbij Maurits met een overweldigende troepenmacht aanvalt, maar dusdanig overrompeld wordt door de dapperheid van de Spaanse soldaten dat āden Prince van Orangien met alle sijn volck heeft moeten retirerenā (āde Prins van Oranje zich met al zijn troepen heeft moeten terugtrekkenā). De Spaanse overwinning was volgens Verhoeven zo volledig dat het aantal gesneuvelde Staatse soldaten niet te tellen was. Van Spaanse slachtoffers wordt hier natuurlijk geen melding gemaakt.
Toen Prins Maurits in oktober 1624 zijn troepen stationeerde in Made in plaats van door te trekken naar Breda, beweerde Verhoeven dat Maurits niet verder durfde omdat hij bang zou zijn voor het Spaanse leger. De terughoudendheid van Maurits, die hier bijna als lafaard wordt afgeschilderd, staat in contrast met de (wellicht fictieve) strijdlustigheid van de Spaanse soldaten. In de uitgave van 19 maart 1625 spreekt Verhoeven de wens uit ādat men eens mochte vechten teghen den Vijant (ā¦) want onse Soldaten soecken anders nietā (ādat men een keer gaat vechten tegen de vijand, want onze soldaten willen niets lieverā). Met andere woorden: de heldhaftige soldaten van Spinola stonden te popelen om in actie te komen voor de Spaanse zaak.
Spinolaās overwinning in juni 1625 werd met enthousiasme ontvangen door Verhoeven. Hij wijdde een hele uitgave van de Nieuwe Tijdinghen, die van 6 juni, aan āhet ouergaen vande stercke Stadt Bredaā (āde overgave van de sterke stad Bredaā). Verhoeven besteedt veel aandacht aan Spinolaās hoffelijke omgang met de inwoners van Breda, die twee jaar de tijd kregen om āin alle stilteā de stad te verlaten. Ook vertelt hij hoe in de avond van 5 juni de grote klok in Antwerpen werd geluid ātot blijdschap vande Victorie, waer van Godt ghelooft syā (ātot vreugde over de overwinning, waarvoor God geprezen wordtā). Dit alles creĆ«erde een feeststemming die ook in de volgende uitgaven van de krant werd voortgezet: Verhoeven berichtte nog vaak over de grandioze overwinning van Spinola, en sprak zelfs over een āzegejaar 1625ā. Zijn lezers zullen maar weinig hebben geweten over de grote verliezen die het Spaanse leger had moeten incasseren om Breda in te nemen.