De Wollendekenfabriek ‘Nederland’ in Geldrop (1916-1976)

Van eerste deken tot gepatenteerde innovatie
Eerste deken geweven in de Wollendekenfabriek Nederland, juli 1916, gelijkzijdige keperbinding, 173 x 133 centimeter.
Eerste deken geweven in de Wollendekenfabriek Nederland, juli 1916, gelijkzijdige keperbinding, 173 x 133 centimeter. (Foto: Eva Klee, Weverijmuseum Geldrop, objectnr. 255)

In een vitrine van het Weverijmuseum in Geldrop ligt een ogenschijnlijk eenvoudige wollen deken, blauw met wit, gedateerd juli 1916. Dit object vertelt een bijzonder verhaal: het is de allereerste deken die van het weefgetouw kwam in de Wollendekenfabriek Nederland, in de volksmond ook wel bekend als ‘De Nederland’.

De fabriek was gevestigd aan de Ter Borghstraat in Geldrop. De deken werd geweven voor de heer G. Wijnen (?-?) uit Helmond, die betrokken was bij de oprichting van de fabriek, en was bedoeld voor zijn op komst zijnde dochtertje. Bij het vijftigjarig bestaan van de fabriek schonk hij het dekentje, dat daarmee een tastbare verbinding vormt tussen een verdwenen fabriek en het huidige Weverijmuseum. Hoewel de Wollendekenfabriek Nederland in de rijke geschiedenis van de Geldropse wolindustrie relatief weinig aandacht heeft gekregen ten opzichte van andere fabrieken, speelde zij een opmerkelijke rol. Niet alleen door haar innovatieve kracht in de jaren dertig, maar ook doordat haar sluiting een directe aanleiding vormde voor de oprichting van het huidige Weverijmuseum. Dit maakt het de moeite waard het verhaal van deze fabriek eens nader te bekijken.

Oprichting in oorlogstijd

In maart 1916, midden in de Eerste Wereldoorlog, richtten Rotterdamse handelaren Tobias van Cleeff (1866-1940), Hendrik Moonen (?-?) en de heer Benjamin van Dugteren (1861-1940) de vennootschap Wollendekenfabriek Holland op, later omgedoopt tot ‘Nederland’. Ze kregen hierbij steun van de Helmondse ondernemer G. Wijnen. Van Cleeff was oprichter van Van Cleeff & Co., een handelsfirma met warenhuizen in bedartikelen, die een belangrijke afnemer van de Geldropse dekens zou blijven. Bestuur en aandeelhouders bleven ook in latere jaren grotendeels in Rotterdam gevestigd. Hoewel Nederland neutraal was, had de oorlog grote gevolgen voor de beschikbaarheid van grondstoffen, brandstof en personeel. Een nieuwe fabriek beginnen was op dat moment allesbehalve vanzelfsprekend. De eerste directeur werd opgeroepen voor militaire dienst, de fabriek kampte met een chronisch tekort aan kolen en wol en de productie moest in 1917 meermaals worden stilgelegd.

Advertentie voor personeel voor de nieuwe Wollendekenfabriek in Geldrop in de Nieuwe Tilburgsche Courant.
Advertentie voor personeel voor de nieuwe Wollendekenfabriek in Geldrop in de Nieuwe Tilburgsche Courant. (Bron: Nieuwe Tilburgsche Courant, zaterdag 8 juli 1916, pagina 6)

De keuze voor Geldrop was weloverwogen. Het dorp had zich sinds de negentiende eeuw ontwikkeld tot een belangrijk centrum van de Brabantse textielindustrie, met grote fabrieken als Van den Heuvel – waar nu het Weverijmuseum gevestigd is – en Pessers. Er was in Geldrop kennis en vakmanschap aanwezig, evenals een ruim aanbod aan relatief betaalbare arbeidskrachten. Bovendien bood de inzet van thuiswevers uit de regio de mogelijkheid om al vóór volledige ingebruikname van de fabriek werk te verschaffen bij het zuiveren van de wol. De blauw-witte deken voor de dochter van de heer Wijnen uit 1916 staat daarmee symbool voor een hoopvolle, maar kwetsbare start.

Overleven en professionaliseren

Ook in de jaren twintig bleef het economisch klimaat onzeker. Toch wist de jonge fabriek zich, met een twintigtal medewerkers, staande te houden. Begin 1922 meldde de krant De Zuid-Willemsvaart een grote order die weer voor een jaar aan werk voorzag, “als een verblijdend teeken in dezen tijd van malaise, waarin men van niets hoort dan inkrimping van werktijd”. Ook op directeursgebied was het schipperen. Aanvankelijk was Matthias van Dugteren (1888-1964), zoon van één van de oprichters directeur, daarna was het de beurt aan de zoon van Moonen, Antonius Moonen (?-?). Hij werd echter in 1925 geschorst en uiteindelijk opgevolgd door A.J. Venmans (?-?), die aan de textielvakschool in Tilburg was opgeleid. Hij zou de fabriek tot 1960 leiden, tot hij werd opgevolgd door zijn zoon, Hein Venmans(?-?).

Onder Venmans groeide de fabriek uit tot een betrouwbare producent van wollen dekens. In 1930 kon het pand aan de Ter Borghstraat worden uitgebreid met een spinnerij en een nieuw kantoor, zodat alle stappen van het productieproces – van spinnen tot verven, van ontwerpen tot weven en appreteren (de nabehandeling) – binnen de eigen muren konden worden uitgevoerd.

De DUO-deken en de octrooienstrijd van de jaren dertig

In de moeilijke jaren dertig kon je jezelf onderscheiden door te innoveren. Dat leidde tot een interessant en tot nu toe onbekend hoofdstuk in de geschiedenis van de Geldropse dekenfabriek: een octrooiaanvraag van 1935, voor een nieuw type wollen beddendeken en bijbehorende weefwijze. Het patent, toegekend begin 1938 onder nummer NL42491C, liet de Wollendekenfabriek ook in Frankrijk en in België registreren. De techniek was relatief eenvoudig, maar doeltreffend. De deken bestaat uit twee losse lagen, een boven- en een onderlaag, die tijdens het weefproces los boven elkaar liggen. Afhankelijk van het patroon ‘wisselen’ de lagen van positie, waardoor er bindpunten met daartussen holle ruimtes ontstaan. De crux zit in het volproces, waarbij de wol in de tussenruimtes vervilt en de lagen onlosmakelijk verbonden raken. Het resultaat is een bijzonder isolerende, dikkere deken, die toch niet zwaarder is. Bovendien maakte deze werkwijze het mogelijk om met zuivere kleuren te werken, omdat de lagen onafhankelijk van elkaar werden geweven.

Advertentie voor DUO-dekens.
Advertentie voor DUO-dekens. (Bron: Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, Collectie 10337, inventarisnummer 90)

De Wollendekenfabriek bracht deze innovatie succesvol op de markt onder de merknaam DUO, geregistreerd in 1936. Advertenties prezen de deken aan als ‘warmte van 2, prijs van 1’. Zowel binnenlandse als buitenlandse concurrentie probeerden het patent te betwisten. Vanuit Zweden claimde de Ullspinneri & Väfveri uit Arvika een dergelijke techniek al veel langer te gebruiken. Dat bleek niet het geval: in Arvika werkte men met hulpdraden van plantaardig materiaal voor de bindpunten, die later werden verwijderd door middel van carbonisering – een chemisch proces waarbij deze hulpdraden werden weggebrand met zuur en hitte. Ook in Nederland werd oppositie aangetekend bij de octrooiraad, onder meer door de Vereeniging van Tilburgsche Fabrikanten van Wollen Stoffen, die in twijfel trok of hier überhaupt wel sprake was van een werkelijk nieuwe uitvinding. Ook de weverij Jules Régout uit Maastricht maakte bezwaar. Deze weverij had eveneens een patent op een wollen deken gekregen, na aanvraag in 1933. Na een uitgebreide zitting van de octrooiraad werd het octrooi begin 1938 definitief toegewezen. Alleen het woord ‘deken’ werd op aandringen van de Tilburgse oppositie aangepast naar ‘beddedeken’. Zeker voor een relatief kleine fabriek als de Wollendekenfabriek betekende dit patent een belangrijke erkenning van haar innovatieve vermogen en economisch inzicht.

Van fabriek naar erfgoed

In de jaren na de Tweede Wereldoorlog bleef de fabriek succesvol actief als producent van dekens en plaids. In 1950 registreerde De Nederland de merknaam ‘Woolly’, voor de dekens van 100% zuivere scheerwol, vaak uitgevoerd in abstracte dessins en verschillende kleurstellingen. De ontwerpers vernoemden deze dekencollecties vaak naar plaatsnamen. Zo laat een overgeleverd dessinboekje met Woolly-dekens van rond 1963 ontwerpen zien met namen als Athene, Dinant, Venlo, Breda en Mechelen. Voor kinderdekens in kleine afmetingen kozen de ontwerpers vaak voor vrouwennamen, zoals Désirée, Paula en Sjoukje. De fabriek leverde daarnaast grote partijen hospitaaldekens aan de Koninklijke Landmacht. Opvallend was dat in Geldrop zuivere scheerwol de norm bleef, terwijl elders in de dekenindustrie kunstvezels gangbaar werden. De wol was – in elk geval in de latere jaren – hoofdzakelijk afkomstig uit Nieuw-Zeeland, aangevuld met lokale wol. In 1965 volgde om economische redenen een fusie met Wollendekenfabriek Simon de Cock in Tilburg. Ondanks uitbreidingen en nieuwbouw bleek de neergang van de Nederlandse textielindustrie niet te keren. In 1971 poogde Hein Venmans nog een samenwerking met Dekenfabriek Zaalberg in Leiden. De spinnerij-afdeling in Geldrop sloot haar deuren. In 1976 sloot de Wollendekenfabriek definitief. Zaalberg bracht de dekenproductie nog onder bij AaBee van de Sigmacon B.V. in Tilburg, waar ook de merknaam Woolly verder gevoerd werd. Medewerkers uit Geldrop konden eveneens naar Tilburg, maar niet allen deden dat. De gebouwen van De Nederland kwamen in handen van de gemeente, die deze deels sloopte ten behoeve van woningbouw.

Een monster van de Woolly-deken van de Wollendekenfabriek Nederland.
Een monster van de Woolly-deken van de Wollendekenfabriek Nederland. (Bron: Weverijmuseum Geldrop)

De sluiting had echter ook een positief gevolg. De Eindhovense industrieel archeoloog Frans Verhagen beschreef in 1977 in Heemkronyk hoe hij en enige leden van de heemkundekring in de zomer van 1977 de voormalige fabriek in Geldrop bezochten om archivalia uit te zoeken. Verhagen ontdekte dat de machines er nog stonden, verkocht aan een sloopbedrijf in Tilburg. De stukken stonden zelfs nog op de machines, “zodat de wever, wiens naam nog aan de machine hangt, direct weer aan het werk zou kunnen”. Verhagen zag dat verschillende machines bijzonder zeldzaam waren en eindigde zijn artikel dan ook met een oproep om zorg te dragen voor dit industriële textielerfgoed, “want er is nog meer dat met zorg dient te worden omgeven als de machines in de ‘Nederland’”. Met succes: er werd een stichting opgericht, die het gemeentebestuur kon overhalen enkele machines aan te kopen. In 1979 richtte Verhagen als voorzitter de Industriële Oudheidkamer Geldrop op. In 1983 opende het Weverijmuseum, aanvankelijk aan de Heilige Geeststraat, in het voormalige fabriekspand van Kousenfabriek NEKO. In 2000 verhuisde het museum naar zijn huidige plek, de fabriekspanden van de Wollenstoffenfabriek A. Van den Heuvel en Zn. De eerste deken van de Wollendekenfabriek Nederland kreeg een plek in de vitrine, als getuige van een fabriek die, hoewel verdwenen, een blijvende stempel heeft gedrukt op het textielerfgoed van Geldrop. Inmiddels worden er door de WOLWEVERS tevens weer wollen dekens geweven in het Weverijmuseum, op één van de historische weefgetouwen. De cirkel is weer rond.

Onderdeel van:

Jouw verhaal telt ook!

Deel het met ons en help Erfgoed Brabant Verhalen groeien!

Periodes