Dit is alleen mogelijk als het gebied goed begaanbaar is. Er moeten genoeg mogelijkheden zijn om via land- en waterwegen goederen uit te wisselen en persoonlijke contacten te leggen. Over de ligging van de trajecten wordt al langer gespeculeerd. Zo kan er volgens Jan Mennen een route hebben gelegen van Tongeren naar Rossum, die langs Veldhoven en Sint-Michielsgestel liep.
Maar bij onderzoek naar laat-Romeinse wegen in het huidige Belgiƫ door Dries Tys kwam een nieuwe route in zicht. Zo zou er een weg hebben bestaan die vanuit Tongeren Grobbendonk passeert, bij Hilvarenbeek het huidige Noord-Brabant betreedt en schuin doorloopt naar Nijmegen. Heeft dit traject er echt gelegen, en wat betekende dit voor de regio?
Het belang van het wegennetwerk
Het onderzoek naar het wegennetwerk gaat niet alleen om de routes die werden afgelegd, maar zegt ook iets over het culturele landschap van de regio. De loop van de wegen laat namelijk zien welke nederzettingen met elkaar in contact stonden en hoe lokaal geproduceerde producten verspreid werden over de regio. Er wordt ook duidelijk op welke manier het lokale leven in de regio veranderde als gevolg van de overname door de Romeinen. Met de reconstructie van dit netwerk wordt Romeins Noord-Brabant, in letterlijke zin, in kaart gebracht.
Een alternatieve route
Het tracƩ tussen Hilvarenbeek en Nijmegen zou een alternatieve verbinding zijn tussen de twee belangrijke bestuurlijke centra: Tongeren, bekend als Civitas Tungrorum, en Nijmegen, bekend als Civitas Batavorum. Verreweg de meeste communicatie en transport liep via de Maas, die door het huidige Limburg loopt en Noord-Brabant aan de rechterkant passeert. Langs de rivier lag een verharde weg, die gebruikt kon worden voor de verplaatsing van grote groepen of producten. Maar de alternatieve route via Hilvarenbeek zou de verbinding mogelijk maken met andere nederzettingen, zoals bijvoorbeeld Antwerpen. Hier lag in de Romeinse tijd een grote nederzetting, waarschijnlijk met een haven.
Voor de verplaatsing van een legioen werd waarschijnlijk sneller voor een verharde weg gekozen: hier was meer ruimte en waren ook meer voorzieningen aanwezig. Maar er kon ook juist file ontstaan, waardoor het handiger was om de legioenen op te splitsen. En reizigers konden ook bepaalde routes kiezen met meerdere reisdoelen op het oog.

Bestond deze wel echt?
Om te achterhalen of de weg er gelegen heeft, moet gekeken worden naar verschillende soorten bronnen. Uit geschreven bronnen is het traject van Hilvarenbeek naar Nijmegen niet te achterhalen. De Peutingerkaart, een belangrijke bron voor Romeinse wegen, verbindt Tongeren alleen met Nijmegen via de bovengenoemde weg langs de Maas. Ook de Itinerarium Antonini, een reisverslag uit de derde of vierde eeuw, en de Ravennatis Anonymi, een document met routes uit de zevende eeuw, geven geen alternatieve route aan.
Gelukkig geven archeologische bronnen meer aanwijzingen voor het traject. Op verschillende plekken zijn namelijk wel degelijk aanwijzingen voor regionaal weggebruik. Zo kan de Mijlstraat in Boxtel wijzen op een oude weg die er misschien al heeft gelegen in de Romeinse tijd. Het plaatsje was omringd door zanderige grond, wat in de winter erg drassig werd. Een weg over het hoger gelegen gebied, waar bovendien een aantal boerennederzettingen te vinden waren, is daarom logisch.
En in Gemonde zijn vier wegdelen gevonden van vóór de Middeleeuwen die in elkaars verlengde lopen, met een bruggetje. Het ging waarschijnlijk om land- en veldwegen. Straten, tussen Best en Gemonde, is ook een weg gevonden die richting het noorden liep. De nederzettingen in Best en Oirschot waren waarschijnlijk verbonden aan deze weg en maakten hier gebruik van. Deze archeologische aanwijzingen zijn op de kaart met oranje pijltjes aangegeven. Verdere aanwijzingen voor wegen uit de Romeinse tijd zijn voornamelijk hypothesen. Dit is onder andere het geval in Uden, Haaren, Berlicum en Neerloon. Deze staan op de kaart als blauwe pijltjes.

Nog meer aanwijzingen
Hoewel deze aanwijzingen bewijs leveren voor activiteit in de regio, is het niet haalbaar om hieruit een traject te reconstrueren. Gelukkig kunnen deze aangevuld worden met andere archeologische vondsten, die bovendien meer vertellen over de aard van de verbindingen. Zo zijn er in Sint-Oedenrode een groot aantal dakpannen gevonden uit de Romeinse tijd, maar geen aanwijzingen voor een grote nederzetting of gebouw. Deze is wƩl teruggevonden in Oirschot: een stenen villa uit de eerste of tweede eeuw. De nauwe afstand hiertussen geeft het idee dat de twee plekken met elkaar in verbinding stonden. Dit voorbeeld laat zien hoe lokale productie een integraal onderdeel is van het leven in Romeins Noord-Brabant.

Ook de plaatsen zoals Esch, Halder en Oss geven aan dat er wel degelijk veel activiteit was in de regio. De zeven rijke graven in Esch geven aan dat er in de regio ook vooraanstaande bewoners leefden. Zij hadden behoefte aan geĆÆmporteerde waar, maar ook aan het gebruik van producten die in de nabije omgeving alleen in stedelijke en geromaniseerde context gevonden zijn. Zo zijn er onder andere badslippers, een kralenketting en zwarte speelsteentjes gevonden.
En Halder lijkt regionaal van groot belang te zijn geweest in de Romeinse tijd. Hier vloeiden de Essche Stroom en de Dommel in elkaar samen, net als nu. Als gevolg van veel langskomend verkeer over het water ontstond er een bloeiende nederzetting met veel ambachtelijke activiteiten. De resten van een ijzergieterij, een kolenbranderij en een pottenbakkersoven bevestigen dit. Een plek als Halder was op deze manier een belangrijk centrum van de regio, waar veel handelsverkeer vanuit en naartoe liep.
Het landschap
Naast geschreven en archeologische bronnen kan ook nog gekeken worden naar landschapskenmerken. De hoogte van een bepaald gebied bepaalt namelijk ook hoe begaanbaar een plaats is en hoe bruikbaar een eventueel wegennetwerk is dat er ligt. Als een gebied bijvoorbeeld vrij laag ligt, is de kans groter op overstromingen en wordt de grond drassiger. Dit is lastig om doorheen te reizen, met name in de wintermaanden.
De hogere gebieden lijken vanuit Hilvarenbeek te strekken naar Oirschot, Best, en verder uit de route te wijken. Schijndel en Sint-Oedenrode liggen lager, wat langdurige aanwezigheid in de regio lastig maakt. Hier zijn dan ook minder archeologische resten gevonden uit de Romeinse tijd. In Schijndel is bijvoorbeeld uitgebreid gezocht naar vondsten uit de Romeinse tijd, maar er zijn alleen wat scherven en een schenkkan gevonden, die waarschijnlijk afkomstig zijn uit Sint-Oedenrode. Maar deze scheiding kan alleen bevestigd worden met archeologisch onderzoek.
In Veghel, dat ook in een laag gebied ligt, zijn wel sporen van een nederzetting gevonden, maar dit is aan de noordkant en grenst daarmee aan het hoger gelegen gebied in Uden. Aan de westkant van het traject Hilvarenbeek-Nijmegen lijkt het gebied een stuk lager te liggen. De strook Oisterwijk-Boxtel-Sint-Michielsgestel-Berlicum lijkt het hoogste stuk te zijn van het gebied. Als er in dit gebied een weg heeft gelegen, zou deze ligging vrij logisch zijn.
Trajectschets
Aan de hand van deze archeologische vondsten en de landschapskenmerken kunnen twee routes gereconstrueerd worden die parallel richting het noordoosten liepen. Deze zijn met zwarte pijlen aangegeven op de kaart. De linker route loopt van Hilvarenbeek richting Oisterwijk, Boxtel en Sint-Michielsgestel. Deze kan verder afbuigen naar de Tempel van Empel, of eventueel doorgetrokken worden naar het noorden. De rechterroute zou via Oirschot, Best en Sint-Oedenrode doorlopen naar Nistelrode, Uden en Heesch en de route vervolgen naar Nijmegen. De scheiding tussen de twee routes kan bevestigd worden door de weinige vondsten die gedaan zijn tussen deze twee tracƩs.
De weinige militaire objecten die zijn gevonden, laten niet zien of er op grote schaal Romeinse troepen door het gebied heen werden verplaatst. De metalen vondsten die buiten de nederzettingen zijn gevonden, wijzen eerder op religieuze deposities dan op militaire doortochten. Dit verklaart de afwezigheid van onverharde wegdelen en bevestigt het landelijke karakter van het wegennetwerk.

Maar ondanks dat het wegennetwerk in Romeins Noord-Brabant waarschijnlijk niet verhard was, was de regio zeker niet onbegaanbaar. De archeologische aanwijzingen en landschappelijke kenmerken schetsen een beeld van een levendige en verbonden gebied. Lokale productie werd verspreid en geĆÆmporteerde goederen vonden zich een weg naar de grote villaās. Hoe het wegennetwerk er daadwerkelijk uit heeft gezien, kan alleen bevestigd worden met verder onderzoek.