Het begon allemaal in het West-Germaans (100-500) met het woord himil, waar ook het Duitse Himmel van afstamt. In het Oudnederlands (900) was het nog steeds himil, maar dat ging veranderen.
In het Middelnederlands (1150) veranderde himil in hemel. De eerste i (als in pit) werd gerekt. Zo kreeg je een ee-klank. De tweede i had geen klemtoon. Dat werd een doffe e. Zo veranderde nigon bijvoorbeeld ook in negen.
In West-Brabant is de h weggevallen: daar zeggen ze nu emel – en d’n duvel zit in d’el. Die h viel al weg in de middeleeuwen. De h-loze uitspraak is dus al heel oud.
In Oost-Brabant bleef de h, maar daar is later iets anders met hemel gebeurd. De eerste e werd weer verkort tot i: himmel. Zo’n verkorting van de klinker is typisch voor de Meierij. Daar kom je die klinkerverkorting tegen in allerlei woorden. Water is daar wòtter of wátter, lepel is lippel of leppel, wereld is wirreld of werreld, tafel is tòffel, en sleutel is sluttel.
‘Gewoon’ hemel zeggen ze in Midden-Brabant, langs de Maas en in het Land van Cuijk. De precieze uitspraak verschilt: in regio’s als de Langstraat klinkt de e als in beren. Rond Tilburg en omstreken is het een eej-achtige klank.