Er is nooit verteld wat ons echt te wachten stond

Theo Schriks. (Foto: Duncan van der Velden, 2023)

Vakantiesoldaten, dat is hoe de Nederlandse Libanon-veteranen jarenlang werden gezien. Het beeld ontstond al tijdens de missie. Met wervingsfilmpjes van soldaten op het strand werden jonge mannen overgehaald om op uitzending te gaan. Er kon eigenlijk niets gebeuren, tenminste dat is wat de militairen en hun families werd verteld. Niets bleek minder waar; zo ervaarde ook veteraan Theo Schriks (64). “Dat het veel gevaarlijker was dan ons werd verteld, zorgde wel voor een gevoel van verraad.”

“We landden op 27 juli 1979 op het vliegveld van Beiroet. Toen ik de trap van het vliegtuig afliep, zag ik overal om me heen kapotgeschoten huizen en geëxplodeerde vliegtuigen. Ik dacht wel even waar ben ik terechtgekomen, maar het echte besef kwam nog niet. Met vrachtwagens werden we naar het zuiden van Libanon gebracht. Ik moest naar het dorp Haris, waar het Nederlandse hoofdkwartier lag dat wij moesten gaan bewaken. Het was de schakel tussen onze troepen en het grote hoofdkwartier van de missie en hield contact met Nederland. De eerste dagen waren bedoeld om bij te komen van de reis, het gebied en de bevolking te leren kennen en patrouilles te lopen. Al snel kwam toch wel de overtuiging dat de situatie heel anders was dan ons was verteld.”

Theo is een van de 9000 militairen die deelnam aan de missie UNIFIL. Libanon belandt in 1975 in een ingewikkelde burgeroorlog. Verschillende christelijke groeperingen staan tegenover islamitische groeperingen. In het zuiden van het land strijdt de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) met Israël. Als reactie op Palestijnse aanvallen, valt Israël in maart 1978 Libanon binnen. De Libanese regering stapt naar de VN-Veiligheidsraad en deze neemt resolutie 425 aan; de start van UNIFIL. De vredesmacht krijgt de opdracht om toezicht te houden op de terugtrekking van Israël uit Libanon en de lokale regering te helpen de controle te herstellen. Ook Nederland wordt gevraagd militairen te sturen, in februari 1979 vertrekken de eersten. 

Theo is op dat moment 18, net in dienst en bezig met zijn algemene militaire opleiding. In mei komt de vraag wie vrijwillig naar Libanon wil. Theo steekt als een van de weinigen zijn hand op. “Het vreemde, het avontuur en de andere cultuur trokken me. Ik had geen idee hoe het er daar aan toe ging.” Omdat hij nog geen 21 is, moeten zijn beide ouders toestemming geven. Voor zijn vader is het geen probleem, maar Theo’s moeder heeft grote twijfels. “Op dat moment begreep ik dat niet, ik wist toen niet dat mijn moeder oorlogstrauma’s had. Pas jaren later vertelde ze dat haar vader tijdens de Tweede Wereldoorlog was opgepakt en later is overleden in een werkkamp. Toen ik dat hoorde, begreep ik haar twijfel van toen wel.” Uiteindelijk tekenen zijn ouders toch, zijn moeder houdt zich vast aan het idee van een vakantiemissie en de beelden van voetballende soldaten uit de media.

In zeven weken worden Theo en zijn medesoldaten klaargestoomd. Er wordt verteld dat in Libanon weinig zal kunnen gebeuren. Toch worden de militairen voorbereid op heftige situaties, en dat zorgt voor verbazing. “We kregen gevechtstraining en leerden granaten gooien en schieten. We snapten niet waarom, het was toch een vredesmissie? Defensie bleef hier maar geheimzinnig over.” Na een feest op de kazerne en een emotioneel afscheid met zijn familie, vertrekt Theo naar Libanon. Op dat moment nog met een goed gevoel; er zou toch niet veel gevochten worden. 

De harde werkelijkheid

Eenmaal in Libanon blijkt die verwachting niet te kloppen. Al tijdens een van zijn eerste nachtelijke patrouilles, komt Theo onder vuur te liggen. “Ik stond er niet bij stil dat er iets kon gebeuren. Er was ons gezegd dat we twee strijdende partijen uit elkaar moesten houden. We wisten niet dat we in een burgeroorlog terecht zouden komen, met veel meer partijen. Toen er werd geschoten, verstijfde ik; mijn buddy moest me omlaag trekken. Toen besefte ik wel dat er veel meer aan de hand was. Dit was geen vredesmissie en ondanks onze goede fysieke training, waren we hier niet op voorbereid.”

Theo wordt verschillende keren geconfronteerd met de vraag of hij nog wel thuis zal komen. Een van die momenten is wanneer zijn eenheid naar de havenstad Tyre moet, waar een Libanese kazerne staat. Het terrein wordt omringd door trainingskampen van de PLO en de militairen moeten alle munitie en explosieven die er liggen bewaken. De kampen en een ziekenhuis van het Rode Kruis, dat achter een van de wachttorens lag, worden door Israël onder vuur genomen. “Drie dagen lang vlogen de granaten rondom de kazerne, volgens hen die erbij waren, waren het er wel 1600. We moesten plat op onze buik blijven liggen, totdat de inslag voorbij was. Daarna zag je overal grote rookpluimen; er vielen gelukkig geen doden, maar de schade was enorm. Dat zijn angstige momenten, die vergeet je nooit meer.”

Toch heeft Theo ook leuke herinneringen aan zijn tijd in Libanon. In zijn vrije tijd draait hij films op het kamp en staat hij achter hun zelfgemaakte bar. Ook het contact met het thuisfront houdt hem op de been, op zijn verjaardag hangt de wand van zijn slaapplek vol foto’s en kaartjes. Toch is hij selectief in wat hij zijn familie over zijn ervaringen vertelt. “Aan mijn vader schreef ik wel wat ik echt meemaakte, maar met mijn moeder deelde ik alleen de leuke dingen. Ze was al heel angstig over wat er allemaal gebeurde en ik wilde haar niet nog verder ongerust maken.”

Theo Schriks Libanon
Theo Schriks in Libanon. (Foto: privécollectie Theo Schriks)

21 oktober 1979

Een dag die Theo altijd zal bijblijven, is 21 oktober 1979. De dag waarop zijn medesoldaat en vriend Kees van Rijn overlijdt. “Kees zou die dag naar ons toe komen omdat hij nieuwsgierig was naar onze werkzaamheden, zelf werkte hij binnen een ander deel van het bataljon. Toen we zijn voertuig aan zagen komen, werd er geschoten; door wie weten we nog steeds niet. De chauffeur schrok en reed het ravijn in. Samen met de kok wist hij uit het voertuig te klimmen, maar Kees zat achterin. Ik ben in volle uitrusting naar hem toe gerend en zag meteen dat het niet goed was. Ik ben bij hem gebleven en heb gezegd dat hij niet alleen was en dat hij mocht gaan, Kees overleed in mijn armen. Na zijn overlijden hebben we met militaire eer afscheid van hem genomen, daarna moesten wij weer terug naar ons kamp en de missie. We deden toen wat er van ons werd verwacht, pas veel later hebben we er echt over kunnen praten.”

In de jaren na de missie hebben Theo en zijn medesoldaten veel contact met de ouders van Kees. Ze zien elkaar bij reünies en veteranendagen. Tijdens deze ontmoetingen ontdekt de familie dat het verhaal dat zij van Defensie hebben gehoord, anders is dan dat van de medesoldaten van hun zoon. Volgens het ministerie werd Kees uit het voertuig geslingerd waarna hij eronder belandde. Iets wat volgens Theo helemaal niet kan. In november 2023 wordt een brug in Hillegom, de geboorteplaats van Kees, naar hem vernoemd. Theo wordt gevraagd om hierbij wat te vertellen over de dag van het ongeluk. Ook de kok die er toen bij betrokken was, is aanwezig. Hij hoort hier wat er volgens de soldaten echt is gebeurd, en dat heeft volgens Theo grote impact op hem. “Het veranderde hem enorm. Hij had al die tijd een schuldgevoel gehad, dat leidde tot PTSS, omdat hij had gezegd dat Kees wel mee kon rijden en dat de weg, ondanks twijfels van de commandant, veilig genoeg was. Nu konden we hem laten zien dat het niet zijn schuld was.”

Wanneer vanaf de jaren 80 ook omgekomen soldaten van VN-vredesmissies op het militaire ereveld in Loenen mogen worden begraven, wordt Kees daar in 1991 herbegraven; voor zijn familie een enorme eer. Ook voor Theo heeft het graf veel betekenis. “Altijd als ik in de buurt van Loenen ben, stop ik even bij het graf. Je maatje verliezen doet toch wel iets met je, zeker als je ouder wordt.”

Terug naar huis

Na zes maanden zit de uitzending van Theo erop, en keert hij met een goed gevoel naar huis. “Ik had wel de indruk dat we iets hadden kunnen betekenen. We hebben daar bijvoorbeeld een weeshuis kunnen bouwen.” De eerste dagen thuis ligt Theo ziek op bed; of het met zijn terugkomst te maken had, weet hij niet, maar er was één ding wat hem toen vooral bezighield. “Ik had flinke koorts en lag te ijlen. Ik was heel bang dat ik dingen over mijn missie zou vertellen die mijn moeder niet mocht weten. Ook mijn dagboek had ik goed voor haar verstopt.”

Vanuit zijn omgeving wordt er wel gevraagd naar zijn ervaringen, maar de gesprekken blijven kort. “Op die leeftijd stond ik daar ook niet zo bij stil, het ging om plezier maken. Ik kwam vlak voor carnaval terug en had nog wat in te halen in mijn stamkroeg in Helmond.” Maar dat is niet de enige reden waarom het gesprek uitblijft. Vanuit Defensie krijgen de militairen een zwijgplicht opgelegd, er mag niet over de missie worden gepraat. Waarom dat zo is, wordt nooit duidelijk. Al blijft volgens Theo het vermoeden dat er dingen zijn gebeurd die geheim moeten blijven.  

Echt lang om hierover na te denken heeft Theo niet, hij wil beroepsmilitair worden en moet worden gekeurd. Na zijn keuring gaat hij aan de slag als Technisch Specialist, maar door zijn ervaring werd hij ook ingezet als instructeur algemene militaire opleiding (AMO). Theo wil opnieuw op uitzending, maar wordt tegengehouden door zijn commandant. “Ze wilde me bij de AMO niet kwijt, al kreeg ik daar niet volledig de ruimte om mijn persoonlijke verhaal te delen.” 

Theo hoopt door te groeien binnen Defensie maar moet door bezuinigingen weg. “Daar heb ik wel echt van gebaald. Ik heb nog een tijd als reservist bij de Korps Rijkspolitie gewerkt, maar ook dat stopte. Toen ben ik aan de slag gegaan bij justitie, wat ik nog steeds doe.” In zijn werk merkt Theo dat zijn uitzending hem duidelijk heeft gevormd, iets waar hij trots op is. “Ik heb op jonge leeftijd met de dood te maken gehad en met angst om leren gaan. In mijn werk in de gevangenis ben ik ook meerdere keren bedreigd, maar door mijn tijd bij Defensie kon ik mijn emoties onder controle houden en professioneel blijven.”

Pas twee jaar geleden krijgt Theo de kans om écht met zijn familie te praten over wat hij heeft meegemaakt. “We gingen met onze familiedag naar het Oorlogsmuseum in Overloon en ik kreeg de vraag om mijn verhaal te vertellen. Dat was een emotioneel moment, met familie komt het toch weer even dichterbij. Ik had er nooit eerder bij stilgestaan, maar toen merkte ik dat ik het met hen erover praten toch wel had gemist. Dat zij nu weten wat er is gebeurd, maakt me alleen maar trotser om veteraan te zijn.”

Drie heilige woorden

De opgelegde zwijgplicht zorgt er ook voor dat het beeld van de vakantiemissie jarenlang in stand blijft. Dat de soldaten wel degelijk heftige situaties hebben meegemaakt, wordt lange tijd niet erkend; wat bij veel Libanon-veteranen leidt tot PTSS. In 2024 verschijnt de documentaire ‘In dienst van de vrede’, daarin wordt wel toegegeven dat de soldaten niet goed waren voorbereid. Een belangrijk moment volgens Theo. “Het was de erkenning en waardering die altijd misten. Er werd nu ook opnieuw een gevechtsinsigne aangevraagd, die militairen krijgen als ze oorlogshandelingen hebben meegemaakt. Eerder vond Defensie dat voor UNIFIL niet nodig, maar nu was er bewijs.” De Libanon-missie blijkt een keerpunt. Defensie beseft dat het toen helemaal verkeerd is gegaan en gaat meer aandacht besteden aan opvang en nazorg. Zo worden er bij het uitbreken van de oorlog tussen Hamas en Israël in 2023, momenten georganiseerd voor veteranen die erover wilde praten.

Als voorlichtingsvrijwilliger van het Veteranen Instituut zet Theo zich ook persoonlijk in voor meer aandacht voor zijn missie en ervaring. Hierbij zijn drie woorden voor hem heel belangrijk: erkenning, waardering en respect. “Op veteranendagen ben ik het aanspreekpunt voor het publiek, ik vind het belangrijk om mijn verhaal te blijven delen en mensen te laten zien wat vrijheid betekent. Via het project Veteranen in de Klas probeer ik dat ook over te brengen op scholieren. Ik vertel dan ook altijd over Kees.” 

Theo zet zich ook in voor zijn medeveteranen. “Als er problemen zijn, probeer ik hen te wijzen op de juiste hulp; dat doe ik ook voor thuisfronters.” Als voorzitter van de Vereniging Militaire Veteranen Gemert-Bakel organiseert hij samen met het bestuur allerlei activiteiten waarbij veteranen samen kunnen komen, en dat zorgt voor bijzondere gesprekken. “Ook al zet je mensen van verschillende missies bij elkaar, er is een band. Je hebt dingen meegemaakt die je niet zomaar vertelt, je snapt elkaar. Met Brabantse veteranen wordt het vaak ook nog één grote gezellige boel, maar dat begrip vind je overal.”


Theo Schriks Veteranendag
Theo Schriks tijdens de Nederlandse Veteranendag in 2022. (Foto: privécollectie Theo Schriks)

Theo hoopt met zijn vrijwilligerswerk ook te zorgen voor een gevoel van trots onder zijn collega’s. “Ik heb altijd alles met trots gedaan; toen, maar ook nu. Als ik mijn uniform weer aan doe op veteranendagen, voel ik dat weer. Ik hoop dat gevoel ook over te kunnen dragen. Wat voor missie het ook was, je bent veteraan en hebt bijgedragen aan vrijheid en vrede. Daar mag je trots op zijn.”

Dit interview kwam tot stand dankzij een samenwerking tussen Stichting Bredase Veteranen, Fontys Journalistiek Tilburg, en Erfgoed Brabant.

Onderdeel van:

Jouw verhaal telt ook!

Deel het met ons en help Erfgoed Brabant Verhalen groeien!

Periodes