“Toen ik twintig jaar was, werkte ik als kleuterjuf bij de nonnen waar ik zelf onderwijs had gehad. De zuster bracht me altijd koffie in de klas. Op een dag had zij een dienblad met een kop koffie en een suikerpot. Zij reikte mij het dienblad aan en keek opvallend de andere kant op. Ze zei: ‘Hier is je koffie en als je een offertje wilt doen neem je geen suiker. Ik zal niet kijken.’ Het was namelijk vastentijd. Ik antwoordde daarop: ‘Kijk maar gerust zuster, want ik neem dubbel suiker’.”
Zusters van JMJ
“Op kleuterleeftijd begon ik met onderwijs aan de lagere school in Nuenen. Het was een school onder begeleiding van de Sociëteit van Jezus, Maria en Jozef, oftwel de Zusters van JMJ, de kloosterorde die woonachtig was in het klooster aan het park. Binnen waren twee lokalen voor de bewaarschool, zoals die toen heette. Heel hoge vensterbanken, je kon niet zien wat er buiten was. Het aantal kinderen per klas was ver over de 50, we werden daar letterlijk ‘bewaard’.
“De nonnen leerden ons hoe we offertjes moesten brengen om daardoor later in de hemel te komen. De hemel vond ik wel aantrekkelijk, daar wilde ik wel naartoe dus ik deed erg mijn best een goed kind te zijn. God zag ook alles wat we deden, altijd en overal. Hij huilde als we stout waren.
“De nonnen vertelden ons ook andere dingen, bijvoorbeeld dat we onze handen op onze knietjes moesten leggen als wij het toilet gebruikten, en je mocht niet kijken wat je deed. Dat wilde God niet.”
Eerste Communie
“De voorbereiding van de eerste Communie startte al met je zesde jaar. We leerden hoe we moesten biechten, je moest alle dingen vertellen die je verkeerd had gedaan. Wat doet een kind zoal verkeerd? De zusters hielpen je om vooraf aan de eerste Communie een gewetensonderzoek te doen. Als je spijt had van je zonden, en je beloofde dat je het nooit meer zou doen, dan vergeeft God je alles. Maar het nooit meer doen, was best wel moeilijk. Daarom kon je ook steeds weer gaan biechten. Wat een geluk!
“We gingen ook met de school biechten. De zusters zaten dan achter de kinderen te wachten tot je weer gezuiverd uit de biechtstoel kwam. De avond voor ik moest biechten voor mijn eerste communie lag ik in bed te huilen. Mijn vader kwam welterusten zeggen en vroeg waarom ik huilde. ‘Ik ben bang dat de pastoor morgen boos op mij wordt als hij mijn zonden hoort!’ Mijn vader heeft mij getroost. Ik had in die tijd al een grote angst voor God, ik heb daar nog heel veel jaren last van gehad.
“In de kerk zaten de jongens rechts in de banken, de meisjes links. Denk niet dat een meisje tussen de jongens ging zitten. Daar werd streng op gelet. Je zou niet durven. De meisjes moesten ook altijd een muts of hoed op. Er was tegenover de kerk een hoedenwinkel. Smits heette de eigenaar. Daar zijn mijn vier zusjes en ik vaak een muts of hoed gaan kopen. Het was er altijd druk.
“Als je ter communie ging mocht je vanaf middernacht twaalf uur niet meer gegeten of gedronken hebben. Je moest nuchter zijn. Ik had één keer toch gegeten voordat ik ter communie ging. De andere kinderen verklapten dat aan de zuster en ik moest op het matje komen. Ze vroeg me of ik het expres had gedaan. Oei, zondares… Nu denk ik dat zij er toen een doodzonde van wilde maken.
“Omdat we nuchter moesten zijn, nam iedereen brood en melk mee naar de kerk. Na de mis ging ik dan naar school en at daar mijn ontbijt. Het rijke roomse leven…”
Gods genade
“We kregen een klein boekje met vragen en antwoorden die alles vertelden over het geloof. Dit was een catechismustekst voor ons kinderen om te leren hoe we ons leven moest leiden, en vooral wat we moesten doen om niet uit Gods genade te vallen. Er waren zwarte en rode vragen, de zwarte waren voor de lagere klassen en de rode vragen waren voor de oudere kinderen en daarom ook moeilijker. De eerste zwarte vraag was: ‘Waartoe zijn wij op aarde?’ Het antwoord was: ‘Om God te dienen en daardoor in de hemel te komen’. Bij een latere druk stond er bij dat je ook op aarde gelukkig mocht zijn.
“Na de zesde klas had je ook nog het Vormsel. Dan kwam, bij uitzondering, de bisschop. Hij sloeg je tot ridder in het geloof. Hij gaf je dan letterlijk een tik tegen je wang. We moesten daar erg om lachen.
Na de lagere school ging ik naar een internaat. Daar was de geloofsopvoeding nog een graadje erger. Ik ging weer naar een school van de Zusters van JMJ. Het gaf me veel angst en bracht grote druk bij mij teweeg, ik had daar geen fijne ervaring gehad. We gingen dagelijks naar de kapel. Elke morgen was er om half zeven, voor de mis, een overweging. Een verhaaltje van een bijzondere heilige die zonder klagen veel ellende meemaakte. Zo konden wij tot bezinning komen.”
Collectes en aflaten
“Er werd gecollecteerd tijdens de mis. Iedereen gooide een cent in het collectezakje. Niet meer, dat was normaal. De kerkbanken werden verpacht. In de middengang waren de plaatsen het duurst. Wij pachtten een bank opzij. Ik weet nog de volgorde van de mensen die een bank pachtten. Mensen die geen bank konden betalen moeste achterin opzij zitten in lage kleine bankjes. En zij moesten op drukke dagen zoals kerst op tijd komen anders was er geen plaats meer.
“De nonnen hadden ook een manier om garantie te bieden om zeker in de hemel te komen. Je moest elke eerste vrijdag van de maand naar de mis en ter communie gaan. Negen maanden achter elkaar, zonder onderbreking. De non noteerde dat. Dan verdiende je een aflaat en dat betekende: je sterft niet in ongenade. Voor de zekerheid heb ik dat veel meer dan een keer gedaan. Dus mijn plekje daarboven is gekocht en ik geloofde het… Tot aan mijn veertigste, toen een pastoor tegen mij zei: ‘Geloof jij dat? Wat heb jij een kinderlijk geloof.
“Ik ben het grootste deel van mijn leven elke dag naar de kerk gegaan. Uit vrije wil, niet gestuurd door mijn ouders. Ik durfde het niet te laten. Inmiddels, na veel moeite en hulp, is het me gelukt deze godsdienstige opvoeding los te laten.”