‘Groen’, ‘gruun’ en ‘greun’ komen van het Germaanse woord *grōnī. Dat was afgeleid van het werkwoord *grōan, de voorloper van ‘groeien’. Hetzelfde deel -nī zat in *skaunī (‘mooi’), de voorloper van ‘schoon’, ‘schwoon’, ‘skón’ enz. *Skaunī was afgeleid van *skauwōn, dat nu ‘schouwen’ is.
Het verschil tussen groen, gruun en greun bestond al in de 13e eeuw, al zagen die woorden er toen nog wel iets anders uit. Het Nederlandse en West-Brabantse groen komt van het 13e-eeuwse groene, als in tblat is groene, ‘het blad is groen’.
In de oostelijke dialecten had het woord een eu-klank. Het Budelse en Maarheezese greun komt daarvandaan, net als het Limburgse greun. De eu-klank werd in de middeleeuwen op allerlei manieren gespeld. De lettercombinatie ‘eu’ werd pas in de 15e eeuw overgenomen uit het Frans.
In de centrale dialecten werd gruene gezegd. Daaruit zijn gruen, grúún en gruun ontstaan. Dat zijn de meest voorkomende varianten in Noord-Brabant. Gruen hoor je nog in de Meierij. Met zijn ue, die ongeveer klinkt als in ‘fonduen’, zit gruen nog het dichtst bij het middeleeuwse gruene.
In Brabant zijn er nog veel meer woorden met een -uu die in het Nederlands een oe hebben, zoals wrute, zuut, rure, pruve, bruur en zuke. Gek genoeg loopt de uu/oe-grens in West-Brabants per woord anders.
