Neergestorte militairen
Wanneer een vliegtuig dreigde neer te storten, probeerden de bemanningsleden te ontsnappen met een parachute. Veel van hen overleefden dat niet, maar als ze het wel haalden, bevonden de geallieerde militairen zich in een vreemd en vijandig, door Duitsland bezet land, zonder de mogelijkheid contact op te nemen met hun bevelhebbers of hulp te vragen. Ze hadden wel wat hulpmiddelen meegekregen, zoals pasfoto’s, kaarten en EHBO-materiaal, maar om te kunnen overleven in bezet gebied was hulp van de lokale bevolking cruciaal.
Onder de Brabantse bevolking pleegden sommigen vanaf het begin van de oorlog verzet. Het begon met kleine acties die mensen alleen of in kleine groepen uitvoerden. Echte organisaties en netwerken hadden tijd nodig zich te ontwikkelen. Sinds de Franse tijd was Nederland niet meer bezet geweest door een vreemde mogendheid, waardoor ervaring met het opzetten van verzetsorganisaties en netwerken ontbrak, zoals die er wel was in landen als Frankrijk, België en Polen. Anders dan de inwoners van deze landen hadden Nederlanders geen ervaring opgedaan tijdens de Eerste Wereldoorlog en waren ze minder voorbereid op het leven onder een bezetting en op eventueel verzet.
De bemanningsleden van geallieerde vliegtuigen die in het bezette Nederland landden, vaak allemaal aangeduid als piloten wat zij lang niet allemaal waren, wisten wel waar zij moesten zien te komen: naar België en vandaar verder naar het zuiden. Afhankelijk van waar in Nederland ze terechtkwamen, was het een lange en gevaarlijke reis naar de grens, die ze niet konden afleggen zonder hulp. De opdracht van de bemanningsleden was om een zo kort mogelijke route terug naar Groot-Brittannië te vinden. Vanuit België was dat meestal de route naar Frankrijk en verder via Spanje en Portugal.
Via netwerken en met hulp van de lokale bevolking probeerden de geallieerde militairen België te bereiken. Tijdens hun reis kwamen zij in contact met Brabantse en Limburgse verzetsnetwerken die hen de grens over konden helpen of hen konden overdragen aan Belgische pilotenlijnen of escape lines, zoals de netwerken genoemd worden waarlangs de geallieerde bemanningsleden werden gesmokkeld. De belangrijkste hulp die zij van de lokale bevolking moesten zien te krijgen, bestond uit eten, medische hulp, vervalste identiteitskaarten, burgerkleding en een gids die hen langs de goede routes kon begeleiden. Vaak ruilden ze spullen uit hun uitrusting voor de hulp van verzetsmensen.
In de literatuur worden deze pilotenlijnen vaak pas beschreven vanuit België, terwijl veel geallieerde bemanningsleden al in Nederland op deze lijnen terechtkwamen. Juist in Noord-Brabant, Gelderland en Limburg stortten veel vliegtuigen neer, omdat deze gebieden op de route lagen naar het Duitse Ruhrgebied, dat met zijn industrie een belangrijk doelwit was voor de geallieerde bommenwerpers. De Nederlandse pilotenlijnen waren minder strak georganiseerd en opereerden wat chaotischer en zijn daarom niet goed als rechte lijnen of vaststaande routes weer te geven. Door het gebrek aan ervaring van het verzet werden de bemanningsleden vaak in korte tijd heen en weer gebracht tussen verschillende lokale netwerken in plaats van in een rechte lijn naar België. Desondanks was Nederland een belangrijke schakel in de ontsnapping van veel geallieerde militairen.
Smokkelen over de Belgische grens was in Zuidoost-Brabant geen nieuw fenomeen, want dat had een lange geschiedenis van het illegaal over de grens brengen van allerlei producten, zoals tabak en boter. Groepen smokkelaars aan de grens specialiseerden zich nu in het over de grens brengen van geallieerde bemanningsleden via de smokkelroutes waarmee zij al bekend waren. Zo ontstonden er aan de grens verschillende netwerken die zich bezighielden met het oppikken, onderbrengen en smokkelen van militairen. Hier richten we de aandacht op drie netwerken in en rondom Deurne, in de huidige gemeente Cranendonck en in Eindhoven en omgeving. Wie waren de belangrijkste mensen in de netwerken, hoe gingen zij te werk om bemanningsleden te helpen en hoe organiseerden zij de netwerken?
Bekijk hier de interactieve kaart van de pilotennetwerken die in dit artikel voorkomen.

Pilotenhelper worden
Voor veel mensen was de hulp aan geallieerde bemanningsleden een onderdeel van bredere inzet voor het verzet. In Zuid-Nederland werden zij vaak geïnspireerd door de katholieke kerk, maar ze konden ook andere morele, politieke of persoonlijke motieven hebben om zich te verzetten tegen de bezetter. Het was uiteraard levensgevaarlijk werk. Pilotenhulp was een bijzondere verzetsactiviteit en niet iedereen die hierin een aandeel had, deed dat met een vooropgezet of goed doordacht plan. Veel mensen in de netwerken namen slechts incidenteel deel, bijvoorbeeld nadat een piloot een noodlanding had gemaakt in hun omgeving of vlak bij hun huis of boerderij. Het besluit om iemand te helpen moest soms heel snel genomen worden. De Duitsers moedigden mensen aan om geallieerde bemanningsleden bij hen aan te geven, vaak tegen beloning, maar dit was maar één van de opties. Nederlandse burgers konden de neergestorte militair ook negeren of wegsturen. Ten slotte konden ze hulp bieden door hem tijdelijk ergens te verstoppen of er iemand bij te halen die verder kon helpen.
Wanneer men daadwerkelijk hulp bood, begon het gevaarlijke werk. Mensen die geallieerde militairen hielpen, liepen de kans op een strenge straf, tot zelfs levenslange gevangenisstraf en de doodstraf. De helpers moesten in contact komen met de juiste mensen of proberen de militair zelf onder te brengen. Omdat alle noodzakelijke levensbehoeften op de bon waren, waren eten, kleding en medicijnen moeilijk te krijgen en die waren wel nodig om de militairen te helpen. Ook valse papieren waren niet te bemachtigen als men geen contact had met de juiste verzetsmensen. Hulp kon veel verschillende vormen aannemen en zag er van plaats tot plaats anders uit.
Onderzoek en onderscheidingen
Het is lastig om de pilotennetwerken van meer dan tachtig jaar geleden tot in detail te reconstrueren. Voor dit onderzoek maak ik gebruik van de waarschijnlijk meest uitgebreide bronnencollectie die beschikbaar is over hulp aan gestrande geallieerde militairen: de Amerikaanse dossiers over Nederlandse burgers die na de oorlog werden voorgedragen voor een onderscheiding vanwege hun hulp aan geallieerde soldaten. Er zijn meer dan achtduizend dossiers waarin Nederlanders worden genoemd. Hierin wordt duidelijk en systematisch weergegeven om welke persoon het gaat, wat hij of zij heeft gedaan en welke anderen deze persoon kende die ook piloten hielp. Bijna altijd gaat het dan om de mensen met wie de persoon de hulp verleende. Dit is uiteraard van groot belang voor de reconstructie van hulpnetwerken.
De Amerikaanse regering maakte veel werk van het opstellen van deze dossiers. Dergelijke dossiers bestaan ook voor Frankrijk, België, Hongarije, Tsjechië en andere gebieden; ook het Britse leger maakte ze. Het Amerikaanse leger vond het belangrijk te weten wat er precies met de bemanningsleden was gebeurd nadat zij waren neergestort, vooral omdat zij nog niet van alle neergestorte militairen wisten waar zij zich bevonden en of zij nog leefden. Onderzoekers van Amerikaanse militaire inlichtingendiensten reisden door de gebieden waar hun mannen neergekomen waren en interviewden getuigen. Vervolgens werd een vragenlijst ingevuld en sprak de Amerikaanse onderzoeker met anderen in de omgeving om het verhaal te bevestigen. Ook werd naar andere bewijzen gevraagd, zoals brieven of souvenirs die helpers misschien van een geallieerde militair hadden gekregen. Ze namen het onderzoek erg serieus en gingen kritisch om met de verhalen die ze te horen kregen, zoals te lezen is in de dossiers.
De verhalen die de onderzoekers te horen kregen, waren indrukwekkend. Ze verbaasden zich er soms over hoe ver de lokale bevolking ging om militairen te redden en te beschermen. Ter erkenning van het gevaarlijke werk van deze Nederlandse burgers stelde President Truman in 1945 een systeem van onderscheidingen in: de Medal of Freedom, niet te verwarren met de Presidential Medal of Freedom. De Medal werd uitgereikt aan burgers die geallieerde militairen hadden geholpen en was ingedeeld in zes klassen van onderscheiding, van Grade 1 tot en met Grade 6. Grade 1 was de Medal of Freedom with Gold Palm, de hoogste onderscheiding die een burger van de Amerikaanse regering kon krijgen. De meeste mensen werden ingedeeld in Grade 5 of 6, waarbij ze een formele dankbetuiging kregen van het Amerikaanse volk, maar geen onderscheiding. Onderscheidingen werden uitgereikt vanaf Grade 4, beginnend met de Medal of Freedom without Palm. Hiervoor moest een helper enkele tientallen militairen hebben verborgen en/of gesmokkeld. Soms werden ook vergoedingen uitbetaald, meestal aan nabestaanden van mensen die waren vermoord vanwege hun hulp aan de geallieerden.

Georganiseerde chaos?
In Deurne en Asten organiseerde zich een opmerkelijk netwerk. Van de onderzochte Zuidoost-Brabantse plaatsen telt Deurne, op Eindhoven na, de meeste inwoners aan wie de Amerikanen een onderscheiding of dankbetuiging hebben toegekend: maar liefst veertig. Eenmaal in Deurne beland werden de neergeschoten geallieerde militairen verspreid over tal van adressen, waar zij meestal kort verbleven, waardoor het netwerk uit veel mensen moest bestaan. Het dorp, gelegen aan de rand van de onherbergzame en dus voor onderduiken en illegaal verkeer heel geschikte Peel, fungeerde als tussenstop op verschillende pilotenlijnen door Noord-Brabant. Zoals gezegd liepen de routes van de pilotenlijnen door Brabant niet in één richting. We moeten ze zien als netwerken met verschillende punten, waartussen geallieerde militairen zich heen en weer verplaatsten, hoewel iedere militair hetzelfde doel had: de Belgische grens bereiken. Helpers hadden vaak moeite de militairen echt over de grens te krijgen, omdat deze streng werd bewaakt, vooral tegen het einde van de oorlog.
De sleutelfiguren in de organisatie waren Martien A. van den Eijnden (1917-1944) uit Deurne en Jac P.G. Goossens (1917-1986) en Frits (F.A.F.) de Bruijn (1920-1944) uit Asten. Ook de Deurnenaren Johannes van der Putten (1893-1979), Gerard W.J.P. Ahout (1919-1945) en Piet J. Jegerings (1910-1977) vervulden een belangrijke rol. De pilotenhulp van Deurne trok vooral mensen uit de plaatselijke afdeling van de landelijke Raad van Verzet (RVV), een conglomeraat van verspreide zelfstandige verzetsgroepen. Hoewel ook veel anderen betrokken waren bij het onderbrengen van de geallieerde militairen in en rond Deurne, waren zij degenen die de militairen steeds verplaatsten van adres naar adres. Martien van den Eijnden hield de administratie bij. Het was natuurlijk erg gevaarlijk om informatie op papier te zetten en te bewaren, omdat dit zou kunnen dienen als bewijsmateriaal wanneer de organisatie zou worden opgerold. Maar het was noodzakelijk iets van een administratie bij te houden vanwege de reikwijdte van het netwerk en het aantal geholpen militairen. Vrijwel iedere geallieerde militair die in Deurne werd geholpen, verbleef een tijd op de Crisishoeve, de boerderij van de familie Van den Eijnden aan de Griendtveenseweg in Deurne. Op de lijst van Martien van den Eijnden stonden de namen van 75 militairen die in Deurne zijn geholpen, maar een deel van de informatie is verloren gegaan toen de Duitsers het huis waar hij de informatie had verstopt, in oktober van 1944 in brand staken als vergeldingsactie. De Amerikaanse onderzoekers achtten het waarschijnlijk dat Van den Eijnden en zijn kameraden in Deurne meer dan tachtig militairen hebben geholpen.
Deze grote groep geallieerde militairen kwam voornamelijk in 1944 in Deurne terecht. De pilotenhelpers uit Deurne en Asten waren vooral bezig met het verplaatsen van de militairen in de omgeving van Deurne. Er waren ongeveer dertig adressen die werden gebruikt om de piloten gedurende enkele nachten onder te brengen. Na een paar nachten tot eventueel enkele weken werden de militairen weer opgehaald en naar een ander adres gebracht. Ook een onderduikerskamp in Lierop, Kamp Dennenlust, werd gebruikt als verstopplaats. Vervolgens werden de militairen meestal verder gebracht naar de Antoniushoeve, de boerderij van de familie Poels in de Zwarte Plak, een gehucht in de Limburgse plaats America, en De Eijkenhof, de boerderij van de familie Van Staveren in Veulen, een gehucht ten zuidwesten van Venray.
Deurne vormde zo een schakel in verschillende pilotenlijnen. Een veelgebruikte route door Deurne was de route tussen het zogeheten ‘Pyjama House’ van de familie Otten in Erp, waar tussen april 1943 en de bevrijding in 1944 51 geallieerde vliegers tijdelijk onderdak vonden, en Bakel. Het transport werd geregeld door de Knokploeg (KP) Bakel, vaak samen met de KP Boekel. In Bakel speelden huisarts Adrianus P. Nelemans (alias ‘Ome Jan’; 1911-1997) en het echtpaar Bernard M. (1914-1979) en Mien (Wilhelmina A.) Manders-Beijers (1915-1999) een leidende rol. Vanuit Bakel werden de geallieerde militairen via Jac Goossens of Martien van den Eijnden naar Deurne doorgeleid. Eenmaal in Deurne werden de geallieerde piloten op verschillende adressen ondergebracht. Hier hielp de familie Poels de militairen de volgende stap in de richting van België zetten. Vanuit de Zwarte Plak of Veulen werden de militairen vaak door Frits de Bruijn naar België gebracht of werden ze naar Zuid-Limburg gesmokkeld door verzetsmensen uit die regio. In Deurne lijkt eigenlijk niemand direct contact te hebben gehad met het Belgisch verzet.
Voor de Amerikaanse onderzoekers was het netwerk van Deurne een bijzonder geval. Ze waren nog nergens een netwerk tegengekomen waarin niemand de specifieke details kende of zich kon herinneren. De onderzoekers en de teruggekeerde militairen kenschetsten de organisatie in Deurne vooral als ‘chaotisch’. In het dossier van de inmiddels gestorven pilotenhelper Piet (Petrus J.) Brouwers (1914-1945) merkte de onderzoeker op: “(…) it is very difficult to investigate a ‘single case’ in the DEURNE-area as the pilots involved were moved all over the place and nobody seems to remember exact details.”
Bovendien waren veel van de belangrijke schakels in het netwerk inmiddels overleden. Martien van den Eijnden en Frits de Bruijn werden op Dolle Dinsdag -5 september 1944- door de Duitsers doodgeslagen tijdens een sabotageactie aan het spoor. Met hun dood ging veel informatie over het netwerk verloren. Naast Van den Eijnden en De Bruijn was ook Gerard Ahout inmiddels gesneuveld als lid van de Binnenlandse Strijdkrachten. Amerikaanse onderzoekers moesten het doen met informatie van andere leden uit de groep. Naast mensen die niet meer konden vertellen, waren er ook mensen die niet wilden vertellen. Ook vertrouwden de Amerikaanse inlichtingendiensten niet iedereen: zo was Jac Goossens een belangrijke schakel geweest in het netwerk, die veel smokkelwerk had verricht. Hij gaf veel informatie aan de Amerikanen en werd in eerste instantie aanbevolen voor een belangrijke onderscheiding, de Medal of Freedom with Bronze Palm (Grade 3), maar ze verdachten hem van illegale handel op de zwarte markt en hebben de onderscheiding nooit toegekend.
Door de chaotische organisatie van het pilotennetwerk, waarin veel mensen gedurende korte tijd veel verschillende militairen verborgen, was het erg lastig voor de Amerikaanse inlichtingendiensten om te achterhalen wat er in de omgeving van Deurne precies gebeurd was. Het is waarschijnlijk een nooit te beantwoorden vraag of de organisatie in Deurne werkelijk chaotisch was of met opzet georganiseerde chaos inzette als tactiek om geen geheimen prijs te geven. Wat wel met zekerheid te zeggen valt, is dat het netwerk in Deurne veel connecties onderhield met andere grote en bekende pilotenlijnen in de regio, zoals die van Coba Pulskens (1884-1945) in Tilburg, de familie Otten in Erp, de familie Poels bij America en de familie Van Staveren in Veulen. Met zoveel contacten was een goede organisatie erg belangrijk en is het moeilijk vol te houden dat deze netwerken werkelijk chaotisch waren. De verwevenheid van al deze groepen was cruciaal om de tocht door bezet Nederland te kunnen maken. Ze moesten wel samenwerken om geallieerde militairen daadwerkelijk over de grens te helpen.
Vrijbuiters en Marechaussee
De organisatie die in Maarheeze ontstond, zag er heel anders uit dan die in Deurne. Ook hier richtten de leden zich op het doorsluizen van geallieerde militairen, maar wel op een andere manier. In Deurne fungeerde het netwerk binnen een kleine regio, nauw verweven met andere netwerken in nabijgelegen plaatsen. In Maarheeze opereerde juist een netwerk dat over veel langere afstanden contacten onderhield en militairen probeerde te laten ontsnappen. In plaats van enkele mensen die de militairen naar veel verschillende adressen brachten, zoals in Deurne, brachten de talrijke leden van het netwerk in Maarheeze hen naar één onderduikplek, de woonwagen van Harrie (Hendrikus L.) Semler (1906-1973) en Trien (Catharina H.) Semler-Hendriks (1900-1979). De Amerikaanse militairen en inlichtingendiensten doopten de woonwagen The Red Little Wagon, een bekende naam onder de geallieerden. Vanuit de woonwagen smokkelde het echtpaar de militairen naar België, waar de Semlers contact hadden met de Belgische verzetsgroep de ‘Witte Brigade’. Waarschijnlijk hebben zij op deze manier ongeveer veertig militairen kunnen helpen.

De familie Semler legde slim contact met verschillende medewerkers van de Marechaussee en de politie. Zij hadden tijdens de bezetting meer bewegingsvrijheid dan de meeste mensen en zodoende meer mogelijkheden om militairen door het land te smokkelen. Daarnaast had de Marechaussee ook veel kennis van smokkelen. Ook in Maarheeze en de omliggende dorpen bestond een lange geschiedenis van smokkel over de Belgische grens. Allerlei producten, zoals boter, werden in tijden van oorlog én vrede over de grens gesmokkeld vanuit dorpen als Budel, Gastel en Borkel.
In het interview met Amerikaanse inlichtingendienst beschrijft Harrie Semler hoe hij en zijn vrouw Trien het netwerk hadden opgezet. In 1941 hielpen zij zonder betrokkenheid van anderen een ontsnapte Franse krijgsgevangene. Hierna legde Trien contact met Jan H. Rijnders (1920-1944) in Valkenswaard, die contact had met de Witte Brigade. In 1942 kwam zij in contact met het Belgische verzet in Hamont en Bree, waarschijnlijk ook de Witte Brigade. Op dat moment hielden zij zich, samen met het Belgische verzet, bezig met het smokkelen van Franse krijgsgevangenen. Daarna kwamen zij in contact met mannen van de Marechaussee, waarvan enkelen zich bezighielden met het wegsluizen van geallieerde militairen. Zij begonnen met het overbrengen van militairen naar de woonwagen van de Semlers, als laatste tussenstop onderweg naar België. De organisatie met de marechaussees en Harrie en Trien Semler werd uiteindelijk de groep ‘De Vrijbuiters’.
Doordat dit een relatief goed georganiseerde organisatie was met een duidelijke route via de Semlers, was deze voor de Amerikanen een stuk gemakkelijker te onderzoeken dan het netwerk in Deurne. Eén moeilijkheid van de organisatie in Maarheeze was dat de administratie met de namen voor het grootste deel verloren was gegaan. De Semlers begonnen na een tijdje met het opschrijven van de namen, maar om deze veilig te bewaren had Trien de namen begraven. Toen ze de lijst weer opgroeven, was een groot deel niet meer leesbaar. Nog 28 namen waren goed te lezen, maar het echtpaar heeft in Maarheeze meer militairen geholpen.
De Vrijbuiters waren goed georganiseerd, met een naam en contacten met eveneens goed georganiseerd verzetsgroepen, zoals de Witte Brigade in België en de Belgische Nationale Brigade (BNB). De BNB vormde zelfs een Nederlandse tak waarvan de Vrijbuiters een onderdeel werden, de Hollandse Nationale Brigade (HNB). Dit maakt de organisatie in Maarheeze bijzonder, omdat veel andere netwerken geen onderdeel waren van een verzetsgroep die zich zo specifiek bezighield met pilotenhulp.
Wie precies de leider was van deze groep, is lastig te zeggen. De Amerikaanse inlichtingendiensten gingen er in eerste instantie van uit dat dit Harrie Semler was, maar enkele marechaussees noemden juist Trien de leider en de ‘sterkere persoonlijkheid’ binnen het netwerk. Ook Harrie Semler getuigde dat zijn vrouw de contacten legde en dat hij zich vooral bezighield met het smokkelen, maar dat zij dit ook samen deden. Soms verving hij zijn vrouw wanneer zij ziek was. Uiteindelijk kregen ze allebei een Grade 3 onderscheiding, de Medal of Freedom with Bronze Palm. Door hun dezelfde onderscheiding toe te kennen gaven de Amerikanen aan dat beiden een even belangrijke rol hadden gespeeld en dat zij samen de spil vormden van de pilotenhulp in Zuidoost-Brabant.

De organisatie in Maarheeze was ook bijzonder omdat ze grotendeels onafhankelijk werkte van andere groepen of netwerken in de regio. Buiten de Witte Brigade, de BNB en het brede netwerk van marechaussees en politiemannen lijken zij weinig contact te hebben gehad met andere netwerken zoals de groep in Deurne of het netwerk dat actief was vanuit Eindhoven. Niet alleen noemden de leden van de groepen elkaar niet in interviews of documenten, ook de namen van de geholpen militairen komen niet overeen. Er staan maar drie personen op de lijst van Semler die ook bij Bert Poels (1916-2007) van de Zwarte Plak hebben verbleven. Geen van beiden verwijst in de naoorlogse getuigenissen naar elkaar maar Bert Poels noemt in zijn dossier wel een “priester uit [Budel-]Dorplein” als een van helpers met wie hij ooit contact heeft gehad. Mogelijk waren er nog meer connecties tussen de groep van Semler en andere netwerken, maar deze waren waarschijnlijk indirect en incidenteel: naast de drie namen die ook bij Bert Poels op de lijst staan, lijken er geen andere militairen via dit netwerk vervoerd te zijn. Juist gezien de verwevenheid van de andere netwerken die zich bezighielden met pilotenhulp, maakt dit de Vrijbuiters een bijzondere groep.
Een mogelijke reden hiervoor is dat de Semler vergeleken met de andere verzetsmensen uit de regio, maar weinig verbonden waren met Zuidoost-Brabant. Pas in 1942 verplaatsten zij hun woonwagen naar Maarheeze. Daarnaast werden woonwagenbewoners minder geaccepteerd door lokale bewoners van de omliggende dorpen, waardoor lokale contacten ook niet zomaar zijn gelegd.
De wijdvertakte netwerken van de PAN
Vanaf 1944 nam ook Eindhoven een speciale plaats in in het doorvoeren van geallieerde piloten. Het verzet in Zuidoost-Brabant tot 1944 was met opzet relatief ongeorganiseerd gebleven. Theo C. Dirks (1918-?) uit Strijp, leider van Knokploeg (KP) Sander uit Eindhoven, gaf in 1947 een interview voor de oude organisaties van de Landelijke Knokploegen (LKP) en de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO). Hij vertelde hoe de Brabantse groepen expres slechts incidenteel contact hadden met elkaar in plaats van zich te verenigen in de LKP of LO. Enerzijds was het incidentele contact meestal net genoeg om de verschillende taken te verdelen, anderzijds bemoeilijkte het weinige contact het de Duitsers het hele netwerk te ontmantelen. Toch werd het in 1944, na de landing van de geallieerden in Normandië, steeds belangrijker om de verschillende groepen te laten samenwerken. In Zuidoost-Brabant bundelden de KP’s uit verschillende dorpen hun krachten in de Partisanen Actie Nederland (PAN), om bijvoorbeeld sabotageacties te kunnen coördineren.
Dit contact tussen de lokale KP’s zorgde voor een wijdvertakt netwerk dat vanuit Eindhoven geleid werd. Verzetsmensen uit Bladel, Deurne, Geldrop, Heeze, Valkenswaard, Veldhoven en andere plaatsen maakten er deel van uit. De PAN vormde een samenwerking van regionale verzetsorganisaties, verdeeld in districten en rayons. Voor het doorsluizen van geallieerde militairen, maar bijvoorbeeld ook voor het verplaatsen van wapens naar de plekken waar zij het meest nodig waren, was dit een belangrijke ontwikkeling. Tot de activiteiten van de PAN behoorde onder meer het smokkelen van militairen. De lange lijnen zorgden ervoor dat de militairen in heel Zuidoost-Brabant ondergebracht konden worden via één vertrouwd netwerk. Tijdens Operatie Market Garden bleek de PAN ook essentieel voor bijvoorbeeld parachutisten die op de verkeerde plaats waren neergekomen. Door samen te werken konden de PAN-leden gecoördineerd in actie komen.
Naast het PAN-netwerk, dat in 1944 ontstond, waren enkele Eindhovenaren, van wie een deel in 1944 lid werd van de PAN, al de hele oorlog actief geweest met het doorsluizen van militairen. Harry Aarts (1915-1944) uit Westerhoven, werkzaam als rechercheur in Eindhoven, de chemicus Rien van Bruggen (1901-1944) en de fotograaf Piet Haagen (1921-1944) waren hiervan de spil. Alle drie overleefden zij de oorlog niet: ze werden op 19 augustus 1944 in Kamp Vught gefusilleerd wegens pilotenhulp. Zij hadden hun eigen netwerk opgebouwd in de regio, waarbij zij samenwerkten met Coba Pulskens uit Tilburg, bekend geworden door haar verzetsactiviteiten en hulp aan geallieerde militairen. Dit netwerk was gebaseerd op persoonlijke contacten met leden van gerelateerde verzetsgroepen. Zo bracht Harry L. Aarts (1919-1985) uit Borkel en Schaft, een neef van Harry Aarts uit Eindhoven, minstens dertig piloten via de Achelse Kluis over de grens naar zijn contacten bij de Witte Brigade. In Borkel en Schaft bestonden meer contacten met het Belgische verzet. Ook de jonge Thijs (Matheus H.) van de Ven (1923-1984) was een bekende van de Witte Brigade. Geallieerde militairen die door de PAN en het netwerk van Harry Aarts over de grens gebracht moesten worden, werden vervoerd naar de grens bij de Achelse Kluis, zodat zij direct doorgeleid konden worden naar de Belgische verzetsgroep.
17 september 1944
Een goed voorbeeld van de PAN-netwerken in actie zijn de gebeurtenissen in Bladel op de eerste dag van Operatie Market Garden. Op 17 september 1944 stortten hier minstens zes Douglas C-47 Skytrains ofwel Dakota’s neer. In de vliegtuigen en in de Horsa Gliders die zij meetrokken, zaten parachutisten met de opdracht zich te verzamelen in Son, maar deze vliegtuigen werden geraakt door Duits luchtafweergeschut. De bemanning en de paratroepers moesten vroegtijdig uit het vliegtuig springen. Verzetsmensen in Bladel, Vessem, Netersel en Casteren en Hoogeloon kwamen snel in actie en vingen enkele tientallen geallieerde militairen op en verstopten die korte tijd. Doordat de militairen op verschillende plekken in de dorpen waren geland, waren er meteen veel mensen bij betrokken. Sommige militairen hadden het niet overleefd of waren gewond en ook voor hen moesten zaken geregeld worden. De gesneuvelde militairen werden zo mogelijk geïdentificeerd en begraven.
Het verzet in en rond Bladel had zich ook aangesloten bij de PAN. De Bladelse tak stond onder leiding van een boer uit Netersel, Fons (Alfons) van der Heijden (1896-1944). Gedurende de hele bezetting was hij actief in het verzet. Al snel richtte hij zich vooral op het verstoppen en doorgeleiden van geallieerde militairen. Fons overleefde de oorlog niet want op 20 september 1944 werd hij door terugtrekkende Duitsers aangehouden en doodgeschoten, nadat zijn boerderij was doorzocht. Na de oorlog vertelde zijn vriend en helper uit Tilburg, de fabrikant Huub (H.A.L.H.M.) van Dooren (1896-1948), het verhaal over Fons aan de Amerikaanse onderzoekers. Hij schreef in een brief hoe Fons tijdens de oorlog allerlei verzetsactiviteiten had ondernomen maar zich vooral inzette voor piloten. Als er ’s nachts een raid was overgekomen, ging Fons ’s ochtends op pad om mogelijk neergekomen piloten in de bossen op te vangen.
Toen op eerste dag van Operatie Market Garden parachutisten terechtkwamen in Hoogeloon, Casteren, Vessem en Netersel, ging Fons meteen aan de slag. Die dag en de volgende dag werden verschillende piloten en militairen uit in de buurt neergestorte vliegtuigen gevonden en door Fons en zijn familie opgevangen. In de nacht van 18 op 19 september bracht de PAN hen naar de grens, behalve een gewonde, die achterbleef.
Hierbij speelde ook PAN-lid Adriaan Goossens (1915-1990) uit Hoogeloon een rol van betekenis, samen met Gerrit Beex (1912-1983), de leider van PAN-groep Hoogeloon. Omdat de vliegtuigen bij Hoogeloon overdag neerkwamen, konden zij meteen in actie komen. Goossens stapte onmiddellijk op zijn fiets om te zoeken waar de vliegtuigen waren neergekomen. Hij vond er twee. Hij fietste in de richting van Vessem, waar hij groep van ongeveer veertien militairen met drie jeeps aantrof. Zij waren waarschijnlijk net verzorgd door een arts uit Vessem, waar zij een noodlanding hadden gemaakt. Goossens bracht de groep naar een veilige plek in het bos, een aantal kilometers verderop tussen Hoogeloon en Casteren. Hij haalde nog drie andere militairen op bij Smulders in Casteren en bracht ook hen naar het bos, waar hij samen met andere leden van de PAN enkele dagen de wacht zou houden.
Andere PAN-leden en ook enkelen die voorheen niet betrokken waren bij het verzet, reden en struinden het gebied af om militairen op te halen en naar de verstopplaats te brengen. Uiteindelijk verzamelden ze zo’n 27 militairen met drie jeeps in het bos. Zij konden hier niet blijven en moesten zich bij hun eenheden in Son voegen. In de drie jeeps vertrokken ongeveer twintig van de militairen naar Son onder begeleiding van de PAN, terwijl de gewonde militairen achterbleven in het bos. De PAN en de militairen moesten door de gevechtslinies heen breken om in Son te kunnen komen. Op 19 september werden weer andere militairen naar een nieuwe schuilplaats bij Wintelre gebracht, waar zij later door de bevrijdende troepen werden opgenomen.
Deze actie van de PAN-groepen tijdens Operatie Market Garden was iets waarmee het Nederlandse verzet of pilotennetwerken niet eerder te maken hadden gekregen. Plotseling moesten tientallen geallieerde militairen in bezet gebied dicht bij het front worden ondergebracht of verstopt en zo mogelijk naar hun eenheden worden teruggebracht. Toch heeft de PAN deze klus, met hulp van de plaatselijke bevolking, goed kunnen klaren. Het was niettemin een levensgevaarlijke actie, wat blijkt uit de executie van Fons van der Heijden op 20 september vanwege zijn hulp aan geallieerde militairen. De vergeldingsacties door terugtrekkende Duitse soldaten waren ook niet mals: huizen werden geplunderd en in brand gestoken.
Bevrijding
Gedurende de rest van 1944 en in de maanden tot mei 1945 bleven in het niet-bevrijde deel van Nederland pilotenlijnen actief, maar in Zuidoost-Brabant was de ergste strijd voorbij. Hier hebben tijdens de oorlog meer dan vierhonderd mensen geallieerde militairen die in de regio terechtkwamen, geholpen een veilig heenkomen te zoeken. Het verzet hielp niet alleen met vervoer, maar ook met voeding, kleding, onderduikadressen, vertalen, identiteitskaarten en het doorgeven van informatie aan militaire inlichtingendiensten over bijvoorbeeld de productie in de Philipsfabrieken of de aanleg van Duitse vliegvelden. Het is onbekend hoeveel geallieerde militairen ze precies hebben geholpen, maar op basis van de Amerikaanse dossiers kunnen we vaststellen dat ongeveer tweehonderd militairen gered zijn. Zij waren afkomstig uit Canada, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Australië, Nieuw-Zeeland en Polen. Behalve deze militairen hielpen de netwerken voor pilotenhulp ook ontsnapte Franse krijgsgevangenen, politieke gevangenen uit Duitse concentratiekampen, vluchtende Joden, en studenten en mannen die probeerden te ontsnappen aan de Arbeitseinsatz.
De verschillende netwerken organiseerden hun werkzaamheden vaak op een andere manier. Zo opereerden de Vrijbuiters van de familie Semler, de groepen in Deurne en de KP’s die uiteindelijk de PAN zouden vormen, allemaal anders. De relatief strakke organisatie van de Vrijbuiters kon dankzij de bewegingsvrijheid van de marechaussees en politieagenten met hun kennis van smokkelen in de grensregio behoorlijk efficiënt en met weinig mensen veel hulp bieden. Aan de andere kant zorgde de ‘chaotische’, organisatie van de pilotenhulp in Deurne, met veel verschillende mensen en steeds korte verblijven op veel locaties, voor een veilige organisatie waardoor ze uit handen bleven van de bezetter. Bovendien onderhield de organisatie in Deurne veel contact met belangrijke onderduikadressen en groepen die op andere plekken in de pilotenlijnen actief waren. In de laatste maanden van de oorlog wist de PAN vanuit Eindhoven in Brabant de verschillende knokploegen te verenigen en een goede samenwerking op te zetten, ook op het gebied van pilotenhulp. Vooral hierdoor konden de militairen die tijdens Operatie Market Garden in de Kempen terechtkwamen, veilig naar Son gebracht worden.
Lang niet alle militairen die in Zuidoost-Brabant werden geholpen, konden veilig de weg terugvinden naar Groot-Brittannië: sommigen werden onderweg gearresteerd en krijgsgevangen gemaakt. Toch zorgde het gevaarlijke werk van honderden, vaak anoniem gebleven helpers, mannen en vrouwen, op de pilotenlijnen ervoor dat velen het wel hebben gehaald.