Deze speurtocht werd uiteindelijk een wandelroute van meer dan 600 km door bijna geheel Brabant. Langs en over vooral oude verbindingen, zoals het Halve Zolenlijntje, de Zoom en de Peel-Raamstelling. Dit laat je zowel het oude als nieuwe Brabantse landschap, land door mensen geschapen, goed in je opnemen. Behalve over het landschap heeft de route ook info over de kapelletjes met veel ‘bijvangst’. Deze zijn samen goed voor in totaal ongeveer negentig openbare uitingen van katholieke bezieling.

Brabantse beleefwerelden
In de negentiende eeuw begon de katholieke kerk zich in Brabant steeds meer te herstellen. Het leven van de katholieken in Brabant ging steeds meer over van een ‘spirituele’ gemeenschap naar een ‘controlerende’ eenheidsgemeenschap. Dit is in het dagboek van Peter Norbertus ‘meester’ Panken (1819-1904) uit Bergeijk goed te zien. Zijn beschrijvingen van zijn kennissen veranderen van bijvoorbeeld gezellig en vrolijk naar deftig, godvruchtig en zorgzaam.
De versnelling waarin vooral Europa was gekomen door de industriële revolutie maakte de onderlinge verschillen na die Eerste Wereldoorlog nog veel duidelijker. Ondanks dat Nederland neutraal bleef, maakte de gruwelijke oorlog een diepe indruk in Brabant. Het landschap waarin men leefde veranderde zowel letterlijk als figuurlijk. Er ontstonden verschillende leefwerelden. De antroposofische leefwereld gaf bijvoorbeeld een meer holistische kijk op de wereld. Op het landgoed Bronlaak is nog steeds een antroposofische woon- en leefgemeenschap te vinden. De communistische leefwereld had voor vooral arbeiders een grote aantrekkingskracht. De communistische dichteres Henriëtte Roland van Holst (1869-1952) was woonachtig op het landgoed de Buisse Heide en vertaalde onder andere de Internationale.
Ook de leefwereld van de boeren was aan grote veranderingen onderhevig. De ontginningen en ruilverkavelingen hadden grote invloed op het Brabantse landschap. De protestantse Heidemij was hierin vaak betrokken. De ook protestantse Natuurmonumenten probeerde het landschap ook nog te behoeden voor opkomend toerisme en waterverontreiniging veroorzaakt door bijvoorbeeld de Tilburgse fabrieken. Samen met het gevoel van onrecht, vaak aangedaan door zowel protestantse als soms ook katholieke machthebbers gaf dit voedingsbodem voor een fascistische leefwereld.
Veel studenten in de Katholieke Leergangen (voorloper van de Tilburgse Universiteit) moesten niets hebben van het modernisme, zeker in architectuur. De Brabantse katholieke studenten voelden zich vaak niet thuis in de veelal liberale wereld van de studentenverenigingen. En ook de Brabantse katholieke leiders moesten niets van al deze liberale en protestantse leefwerelden hebben: “Niets zonder God”. Als zodanig was het belangrijk dat ook de nieuwe leiders in Brabant katholiek waren en hun binding met Brabant zouden behouden.
Het ontstaan van het Brabants Studenten Gilde
Dr. P.C. de Brouwer (1874-1961) streefde ernaar om goed katholiek onderwijs in Tilburg te vestigen. ‘D’n Doctor’, in Hilvarenbeek geboren, had deze bijnaam niet voor niets. In 1911 was hij cum laude geslaagd in de klassieke talen. Hij werd een zeer bekend publicist. Hij schreef bijvoorbeeld voor de N.C.B., Brabantia Nostra, De Dijk en Rooms Leven. In 1953 beschreef hij het Brabantse volk in Het Nieuwe Brabant, samengesteld door Jan de Quay (1901-1985). Op deze manier werd hij de bekendste vertegenwoordiger van het zogenoemde ‘brabantisme’, het op historische gronden groeiende zelfbewustzijn van Brabanders. Hij werd de bekendste moderator van het Brabants Studenten Gilde. Dit gebeurde eigenlijk bij toeval: twee Delftse techniekstudenten vroegen hem om te spreken bij een bijeenkomst in Hilvarenbeek. Ze wilden daar dan een Brabantse studentenvereniging oprichten.
Een andere bekende geestelijk adviseur was Frans Siemer (1887-1966). Deze geestelijke gaf ook les aan het Odulphuslyceum te Tilburg in de vakken Frans, Duits en aardrijkskunde. Maar hij was ook kunstenaar, en studenten waren altijd welkom bij hem thuis. Omgekeerd moet hij zo ooit op bezoek geweest zijn bij een zoon van een bouwondernemer, die ook in Tilburg studeerde. In de tuin stond een kapelletje; waarschijnlijk is daar het idee geboren om een kapelletje te gaan bouwen. De eerste kapel van het Brabants Studenten Gilde, in Huijbergen, moet een kopie hiervan zijn.

Bouw van de kapellen
Tijdens de jaarlijkse landdagen (en later de zogeheten sociografische werkkampen) werd meestal in het betreffende dorp een kapel gebouwd. Vaak werden die gebouwd door Jos. Bedaux (1910-1989) (ook ooit Vesters of Tooten). Dit gebeurde vaak met hulp van zijn broers en/of andere gildeleden. Dan was het groot feest in het dorp. De gildebroeders speelden vaak een (religieus) openluchtspel. Er was uiteraard een grote kerkdienst met een historische optocht of processie. En natuurlijk gaven verenigingen uit het dorp ook acte de présence, bijvoorbeeld het gilde en/of de ruitervereniging. In totaal zijn er volgens het huidige gilde 22 kapellen en/of kruisen geplaatst. Het enthousiaste brabantisme van d’n Doctor heeft er waarschijnlijk voor gezorgd dat er onduidelijkheid over de kapelletjes ontstond. Bijvoorbeeld op de site van het gilde staat dat het kapelletje de ‘Goede Duik’ niet meer bestaat. De naam herinnert aan de Tweede Wereldoorlog, toen ook leden van het gilde moesten onderduiken. Er is echter op de oorspronkelijke plaats een soortgelijk kapelletje geplaatst met een nieuw beeld. In die oorlog bouwde men ook een kapelletje in Heeswijk. Het werd een ‘stokske’ met afdakje en houten beeldje van d’n Siemer. Op dezelfde dag dat het kapelletje ingewijd werd, vlogen de geallieerde vliegtuigen over Heeswijk. Omstreeks 1960 is er een muurtje gemetseld met een stenen reliëf. Nog steeds wordt het kapelletje met beplanting netjes door de buurt bijgehouden, maar officieel bestaat het niet meer. In 1936 werd wel een kruisbeeld in Sint Michielsgestel geplaatst. Dit gebeurde omdat er verschillende scoutingleden daar tijdens een auto-ongeluk in de Dommel waren verdronken. In 1959 werd de laatste kapel in Gemonde (Sint Michielsgestel) gebouwd.

Oorspronkelijk had men veel binding met de Vlaamse broeders die, na de scheiding van België en Nederland, een gezamenlijk Brabant voor ogen hadden. Dit is nog te lezen op het monument in Tilburg ter ere van het veertigjarig priesterjubileum van d’n Doctor: “ONS LIEVE VROUW TER BAAN, MAAK DAT WIJ RICHTIG GAAN”.
Ook de maatschappelijke verandering na de Tweede Wereldoorlog had een grote invloed op het gilde. In 1951 beschrijft een gildebroeder in Brabantia Nostra, waarvan veel oud gildebroeders lid werden, het verschil van beleving door de studenten van voor de oorlog en na de oorlog: “ieder kamp van het Brabants Studentengilde wil het gebeuren, dat er zo’n opmerkelijk ogenblik aanbreekt waarop meerderen tegelijk voelen: nu is er het Gilde, nu lééft het. Dat is een ervaring, niet de slotsom van een redenering maar een zekere ervaring van geluk en kennen tegelijk. Telkens echter als we begonnen dit kennen onder woorden te brengen – een behoefte waaraan men niet ontsnapt – verviel mij een soort van teleurstelling: om de onvolmaaktheid van de weergave, maar eigenlijk meer nog de schennis van de ervaring”. Hij vertelt ook van een gesprek met een oud-gildebroeder die vervuld is van melancholie: “Vroeger hadden wij idealen. Als ik denk aan onze Grootnederlandse strevingen, aan de gesprekken met de Vlamingen, als ik bedenk hoe studieus onze kampen waren in vergelijking met jullie joligheid…”
Later bestaan
De wandelroute van Brevieren door Brabant laat behalve kapelletjes en dergelijke ook letterlijk een veranderd landschap zien. In hoeverre de studenten hier invloed in gehad zullen hebben, is moeilijk te overzien. Het maatschappelijke landschap was na de Tweede Wereldoorlog veel veranderd, zodat katholieke studenten ook na hun studie buiten katholieke organisaties om hun maatschappelijke betrokkenheid konden laten zien. Dit ging niet altijd gemakkelijk, zoals S.C.W. Beentjens beschrijft in de masterscriptie In oorlog met het katholieke compromis.

Eind zestiger jaren waren de tijden zo veranderd dat er een einde aan het gilde kwam. In 1974 werd het gilde bij Universiteit Wageningen heropgericht en bestaat nu nog steeds. Het gilde is nooit groot in ledental geweest. Een vlugge aanname maakt van honderd jaar (vanaf 1926) met twintig afstuderende leden per jaar een totaal van tweeduizend personen. Ze lieten kapelletjes, soms met veel kaarsen, en wat brabantisme achter. Maar wat echt hun nalatenschap voor Brabant is geweest, is misschien voor iemand wel een mooi onderzoek waard.