Hoe ik als tienjarige het einde van de oorlog beleefde

Schijndel 17 september tot 23 oktober 1944

Dit verhaal werd ingestuurd in het kader van Crossroads '40 | '45.

Op school leerden we dat bij elk luchtalarm, in die zomer van 1944, alle kinderen beneden in de gang moesten gaan staan, tegen de binnenmuur gedrukt.

En dat gebeurde steeds vaker totdat we (in mijn herinnering) al vroeg met zomervakantie gingen. Ik had natuurlijk gehoord van de ā€œinvasieā€ op 6 juni en de spanning die er heerste, maar echt begrijpen deed ik dat toen nog niet.

Toen kwam die 17de september: met open mond stonden wij te kijken naar veel, heel veel parachutes . Een prachtig gezicht: al die kleuren in zweefvlucht. Voor ons, kinderen alleen maar heel mooi en boeiend. De dagen erna bleef het rustig, al sliepen wij uit voorzorg in de keuken.

Donderdag avond, laat, kwam er een Engelse militair binnen; hij vroeg om een lepel; die was hij kwijt, maar hij had wel een keteltje met eten bij zich. Mijn vader werd verrast met een pakje sigaretten (hoera). De man vroeg de weg naar de pastorie (centrum van de ā€œondergrondseā€).

Vrijdag – of zaterdag? – was Schijndel bevrijd, maar het hield geen stand, zodat we na een dag vrijheid, Ā weer terug waren bij af. Grote teleurstelling.

Vanaf dat moment woonden we in de kelder. Stel je voor: een kelder met daarboven een opkamer, dus maar half onder de grond. Vader, moeder en 7 kinderen Ā in de leeftijd van 2-10 jaar. Veel ruimte was er niet. Tussen 17 en 21 uur was er elektrisch licht; de overige uren moesten we ons behelpen met een kaars. Toch speelden wij gezelschapsspelletjes, en we bouwden bijvoorbeeld tenten van de aanwezige dekens.

Er was regelmatig granaatvuur vanuit Veghel. In de toren van de kerk was het hoofdkwartier van de Duitsers en wij woonden pal tegenover de kerk. We ontdekten dat de granaten toch niet altijd precies de weg wisten, zodat ons huisje nogal eens geraakt werd. Mijn reactie op dat kabaal was: op mijn knieen, gezicht op de vloer, vingers in mijn oren en mijn ogen stijf dicht.

Mijn vader ging om half zes in de morgen op stap om bij boeren scheutjes melk te krijgen. Om half acht was hij thuis, met soms een halve liter melk, die werd gedeeld met het gezin van de overburen.

Op een dag werd heel Schijndel-Zuid geƫvacueerd. En op het moment dat de Hoofdstraat vol vluchtelingen was, kwam er een bombardement. Daarbij vielen veel doden. Even later kwam een neef onze kelder in. Hij was gewond aan zijn oor, maar in de hectiek van het bombardement was hij zijn ouders kwijt. Later is hij toch weer op zoek gegaan.

Bij die evacuatie hoorden ook onze overburen – in onze straat werd de streep getrokken: de overkant (naast de kerk) moest weg; wij mochten blijven – die met veel andere vluchtelingen onderdak vonden in een grote exportslagerij. In die slagerij werd een gaarkeuken georganiseerd en vader ging daar helpen. Daardoor kregen wij vaak een warme hap, waar soms wat vlees in verwerkt was; door al die beschietingen werd ook vee geraakt dat in de wei stond. Met gevaar voor eigen leven werden dode dieren soms toch weggehaald en in de slagerij verwerkt.

Achter onze tuin liep een muur van de buren uit een andere straat. In die muur was een bres geslagen en in die tuin waren de goudrenetten rijp. Mijn vader haalde gevallen appels op en elke dag kregen wij zo’n lekkere (en in mijn herinnering grote) appel.

Wij woonden dus in de kelder en dat hield in dat wij als kinderen er in die vijf weken nooit uit geweest zijn. Niet om buiten te spelen; niet om naar de W.C. te gaan (die was buiten) en niet om in ā€˜de teil’ te gaan.

Er kon niet gekookt worden. Kleding was er al niet veel in de oorlog, maar kon ook niet gewassen worden. Ik herinner me dat ik de eerste weken een zomerjurkje aan had en de laatste weken een winterjurk. In de paar uurtjes dat er een lamp aan kon, was mijn moeder ijverig met kousen stoppen. Haar gezegde: ā€œniets is zo slecht of het is wel ergens goed voorā€ werd weer eens bewaarheid: de kousenmand was na de ā€˜keldertijd’ leeg! En er werden rozenhoedjes gebeden, ontelbare!

Elke morgen werd er op de muur van de kelder (aan de kant van de buren) geklopt: Zijn jullie er allemaal nog? De oudste zoon van die buren leed aan tbc en kuurde in een tentje in de tuin.Ā  Zijn moeder werd erg ongerust omdat haar kind ook ’s nachts buiten moest slapen. Op een dag sommeerde ze hem toch maar binnen te komen. Net op tijd: die nacht kwam er een voltreffer op het tentje.

In de nacht van 22 op 23 oktober was er van 12-2 uur in de nacht aanhoudend spervuur; heel angstig. ’s Morgens om 6 uur begon het opnieuw en dat hield aan tot 8 uur. Daarna werd het onwerkelijk stil.

Mijn moeder ging (met wijwater) heel voorzichtig de kelder uit en tot haar stomme verbazing was de voorgevel aan de kant van de huiskamer weg. Tegen de achtermuur geslagen. Klein detail: in de hoek stond het Heilig Hartbeeld. Nog helemaal in takt op een klein stukje van een hand na.

Er werd geroepen: We zijn bevrijd!

Mensen konden niet geloven dat wij allemaal ongedeerd uit dat gehavende huis kwamen. Hoe dat kon? Onder het slaapkamerraam (dus voor de kelder) lag een granaat die niet afgegaan was. Wij waren totaal berooid; we hadden niets meer dan de kleren die we aan hadden. Daarna hebben we 4 jaar gewoond bij onze gastvrije opa. En we kregen veel hulp van de HARK (Hulp Aktie Rode Kruis) Na vier jaar kregen we een van de eerste nieuwbouw huizen.

Jouw verhaal telt ook!

Deel het met ons en help Erfgoed Brabant Verhalen groeien!

Periodes