“Ik was het van me af aan het schrijven”

Louis Lacroix (70) schreef 149 mails naar het thuisfront
Louis diende tweemaal in Bosnië en Herzegovina: zes maanden in 1996-1997 als Stafofficier logisitiek wegverplaatsingen, en zeven maanden als Chief Road Operations in 2000-2001. In 2006-2007 diende hij zes maanden in Afghanistan. Hij was onderdeel van Task Force Uruzgan-1 in Tarin Kowt. Louis werkte er als officier bij Sectie G9, de stafafdeling voor Civiel-Militaire samenwerking (CIMIC). (Foto: Keesie Doro Mulder)

“Het is toch wel vreemd om na ruim zes maanden onafgebroken uitzending weer thuis te zijn. Het normale leven vangt weer aan. Niet meer aan tafel aanschuiven, maar zelf eten koken en niet meer de waszak inleveren, maar zelf wassen. Maar wel veiligheid en vrijheid en niet meer het risico om beschoten te worden. Even wennen allemaal voor me. Voorlopig ben ik thuis en van mijn verlof aan het genieten.”

Met die woorden sloot Louis Lacroix zijn 149ste en laatste mail op 31 januari 2007 naar het thuisfront af. Op zijn ‘uitzend-teller’, zoals hij het zelf noemt, stonden 193 dagen in Afghanistan. Bijna elke dag schreef hij 149 mails in zes maanden. Aan familie, vrienden, buren, bekenden en collega’s. Over het kampleven, de hitte, de aanslagen op het kamp, de kinderen die pennen uit zijn handen trokken. Het werd zijn manier om het van zich af te schrijven en om de mensen thuis een eerlijk beeld te geven aan wat er werkelijk speelde.

Louis is geboren in Gorinchem, maar verhuisde vrijwel direct naar ’s-Hertogenbosch. Hij bracht zijn tienerjaren door in Veghel en Breda. Op zijn negentiende, in 1975, ging hij als beroepsmilitair bij Defensie werken. Zijn eerste missie liet even op zich wachten. In het najaar van 1996 stapte hij op het vliegtuig, richting Bosnië en Herzegovina. Precies dertig jaar geleden. Tien jaar later volgde Afghanistan.

Dit kan nog wel eens gevolgen hebben

Afghanistan was een andere wereld dan de eerdere missies. In Bosnië en Herzegovina, waar de oorlog al grotendeels achter de rug was, kon hij de poort uit wanneer hij wilde. “In Bosnië had ik meer vrijheden en kon zodoende dingen ondernemen en een actieve bijdrage aan de missie leveren. Mede omdat de oorlog al zo goed als klaar was toen ik daar zat. Niet zoals in Afghanistan, waar er nog volop gevochten werd.” Dat verschil voelde hij al vóórdat hij vertrok. “Je weet niet waar je in terecht komt. Maar wat je je wel realiseert is dat dit een hele andere missie is dan ik tot nu toe had beleefd. Dat deze missie ook nog wel eens gevolgen kan gaan hebben. Hetzij dat je niet meer terugkomt, hetzij dat je gewond terugkomt, of getraumatiseerd.”

Hij ging toch. “Je bent militair. Je wordt aangewezen, niet gaan is geen optie. En we zitten allemaal in hetzelfde schuitje.”

Onze jongen(s) in Afghanistan (1)

Mail 1, vrijdag 28 juli 2006

Beste allemaal,
Ik houd het nu even kort. Op dit moment verblijf ik op vliegveld Kandahar. Het is de bedoeling dat ik op korte termijn doorreis naar Tarin Kowt, alwaar ik de rest van de tijd zal verblijven. Alles gaat goed met mij; dus niemand hoeft zich ongerust of zorgen te maken.
Ik wil iedereen laten weten dat de manier waarop een ieder afscheid van mij heeft genomen zeer waardeer. Het heeft me goed gedaan. Mijn dank hiervoor.

Hartelijke groeten,
Louis

Dus hij ging op weg. Het duurde nog een hele tijd voordat Louis werkelijk in Kamp Holland nabij Tarin Kowt, waar hij gelegerd zou worden, aankwam. Er was beperkte capaciteit om mensen naar Uruzgan te vliegen, dus hij hing dagenlang rond op de vliegvelden van Kabul en Kandahar. De reis verliep van Kabul naar Kandahar en aansluitend naar de eindbestemming Tarin Kowt.  “Al het vervoer moest met militair luchttransport plaatsvinden. Het civiele luchttransport was vanwege veiligheid uitgesloten.” Na zestien dagen arriveerde hij eindelijk in het stoffige Tarin Kowt. Hij zou na aankomst amper van het kamp af komen.

In de eerste weken van Louis’ aanwezigheid hadden ze te maken met een zelfdoding. “Het is niet aan mij om daar uitgebreid over te berichten, omdat ik ‘inside information’ heb. Dat heb ik aan Defensie gelaten.” Maar het had zeker wel impact. Toch relativeert hij het gelijk: “De missie gaat ook verder. De missie in Afghanistan was een moeilijke missie. Van alle goede voornemens en bedoelingen kwam niets tot weinig terecht. Ik voelde me soms echt verloren daar. Het was de rit ‘uitzitten’, overleven en hopen op een veilige terugkeer.

 

Onze jongen(s) in Afghanistan (2)

Mail 2, maandag 31 juli 2006

Beste allemaal,
Eindelijk heb ik van iemand uit de groep een laptop kunnen lenen. We mogen maar 20 minuten op internet, zodat iedereen er gebruik van kan maken. Het systeem is niet erg vlot, zodat de nodige tijd verloren gaat om verbinding te maken. En, dan moet je nog je tekst intypen. De tekst nu eerst op een stick gezet werkt wat vlotter. Alleen niet kwijtraken binnen defensie (heb ervoor moeten tekenen).


Dinsdagavond 25 juli laat kregen we ons eerste alarm. Omdat er te weinig schuilplaatsen zijn is ons geadviseerd in de (niet gepantserde) tent te blijven. Wel even het scherfvest aantrekken en de pantserhoed (helm) op het hoofd. Verder gewoon rustig afwachten of nog meer granaten op het kamp worden afgevuurd en of je door het lot wordt getroffen. Gelukkig werd na enige tijd einde alarm gegeven. Het eerste alarm kan pas worden gegeven, nadat eerst een granaat op of nabij het kamp is ontploft. Gelukkig is het kamp erg groot, zodat de trefkans niet groot is. Na het alarm was het koppen tellen om te kijken of iedereen er nog was. Geen gemakkelijke klus aangezien ook nog mensen elders op het kamp waren. Dus voordat je alle schaapjes bij elkaar hebt ben je even verder. Ik moet toegeven dat ik het niet echt prettig vond met zoveel mensen op elkaar gepakt (waaronder het overgrote deel jeugd) met smalle paden tussen de bedden vol met uitrusting. Maar goed, het is goed afgelopen allemaal. Op naar het volgende alarm.

Groeten,
Louis

Louis met collega’s. (Foto: Louis Lacroix, 2006-2007)

De poort

Louis’ grootste frustratie in Afghanistan was de poort. In 193 dagen waren de keren dat hij de poort uit kon op één hand te tellen. En juist die momenten waren, naar eigen zeggen, de hoogtepunten van de missie. “Die momenten gaven een beperkt beeld van het leven buiten de poort: de omgeving en de stad Tarin Kowt. Hoe bijzonder om dat te mogen ervaren. De onveilige situatie liet niet toe om zomaar de poort uit te gaan. Iedere verplaatsing of activiteit buiten de poort werd dan ook zwaar beveiligd. Weet je, het is gewoon een gelegenheid aangrijpen. Er komt een keer een collega van ‘er gaan mensen daarheen en er is plaats om mee te gaan’. Toen zat ik vervolgens in zo’n Amerikaanse bak met van die Amerikanen uitgerust met zulke wapens,” zijn armen gaan uiteen, naar twee kanten, “in korte broekjes. Je stapt gewoon in. Er zijn dus meerdere militairen aanwezig, ook van andere landen. Zo ben ik een aantal keer de poort uit geweest.” Op die manier was hij ook getuige van een ‘voor de bühne’ openbare ‘Poppy’ verbranding door de Afghaanse lokale autoriteiten om de militairen en pers te laten zien dat zij van goede wil zijn. “Dat werd gedaan voor een productie over opiaten, zoals morfine en heroïne om ons militairen en pers te laten zien dat zij van goede wil zijn en ook tegen het produceren van papaver zijn.”

Een aantal keer gingen ze een irrigatieproject bekijken. Maar Louis’ enthousiasme werd gedempt door een gevoel dat hem niet losliet. “Ik had ook af en toe het idee: weet je, het zijn ook allemaal een beetje luchtkastelen.” Jaren later is het antwoord niet milder geworden. “Wat hebben we nou uiteindelijk bereikt daar? Het was een stenen tijdperk waar je in terecht kwam en het is nog steeds een stenen tijdperk. Afghanistan is zo’n groot land, onderontwikkeld, tribaal verdeeld en absoluut onveilig.”

Onze jongen(s) in Afghanistan (76)

Mail 76, zondag 29 oktober 2006
Beste allemaal,

Vanaf de Base reden we naar Tarin Kowt. In Tarin Kowt aangekomen reden we via allerlei wegen tussen Quala’s (traditioneel ommuurde huizen, red.) door naar een groot plein. Het plein was ook niet meer dan een stoffige vlakte. Na even te hebben gewacht kwamen de notabelen van Tarin Kowt aanlopen. Inmiddels waren we al omringd met heel veel kinderen; zowel jongens als meisjes. Vrouwen lieten zich niet zien. Vervolgens begonnen we met het uitdelen van voedselpakketten en plastic ballen; daarna met de balpennen. We werden door de kinderen bijna aangevallen; ze trokken je arm naar beneden om de pennen uit je hand te trekken. Er was bijna geen houden aan. Veel kinderen zien er smerig uit, hebben vieze handen en ruiken vies.

Veel jongens en meisjes hadden henna op hun handpalmen en vingers zitten. In Nederland zie je dat alleen bij moslim vrouwen. Ze lopen bijna allemaal op plastic slippers, maar ook op blote voeten. De kinderen zijn wel vrolijk, maar gehaaid om te overleven. Wanneer je door de straten rijdt zie je ook veel kinderen met van alles sjouwen, zoals water jerrycans. Ook zorgen de oudere kinderen voor de jongere.

In deze drukke staat voelde ik me niet onveilig, maar hield toch wel zoveel mogelijk bepaalde figuren in de gaten dat ze niets konden uithalen. Je ziet hier wel eens mensen met een bepaalde matte blik in de ogen. Van mensen die zelfmoord aanslagen plegen wordt wel beweerd, dat ze onder invloed van drugs verkeren. Omdat ook door motorrijders aanslagen worden gepleegd hield ik die ook maar zoveel mogelijk in de gaten. Ik heb er niet zoveel zin in om in diverse onderdelen weer naar huis terug te keren.
Vanavond zijn Edwin en ik uitgenodigd voor een BBQ bij het PRT (Provinciaal Reconstructie Team). En vannacht mogen we weer op wacht; deze keer van 04.00 uur tot 06.00 uur. Dus ik zal morgen (zondag) wel brak zijn. Een fijne zondag.

Groeten,
Louis

Louis deelt pennen uit. (Foto: Louis Lacroix, 2009)

Gelijk loslaten

“Mensen vragen weleens: heb je er dan niks aan overgehouden? Eigenlijk niet. En dat komt met name doordat er ook voldoende afleiding was en ik ook leuke dingen heb gedaan tijdens de missies in Bosnië en Herzegovina. Ik ben op pad geweest en heb mezelf die poort uitgewerkt. En in Afghanistan heb ik de e-mails verstuurd. Ik was het, als het ware, van me af aan het schrijven en kon het daarna gelijk loslaten. Dus, nee, ik heb niet het idee dat ik er iets aan over heb gehouden.”
Dat is opmerkelijk, als je bedenkt wat er in die 193 dagen langs kwam. Raketten die op het kamp vielen terwijl hij in pyjama in een niet-gepantserde tent lag. Een kamp dat doelwit was van Taliban-strijders, een poort die vrijwel nooit openging om zomaar uit te gaan, en het knagende gevoel dat het werk dat je deed misschien weinig invloed had. En toch: geen litteken.

Louis hield van een avontuurtje. Al in Bosnië en Herzegovina, waar hij eerder gelegerd was, stond hij als eerste klaar als er iemand mee op pad moest. Dit was mogelijk bij de functie die hij vervulde. Collega’s moesten werkbezoeken afleggen, vergaderingen bijwonen, inspecties uitvoeren voor hun werk, maar mochten dan niet alleen reizen. Louis bood zich telkens als vrijwilliger aan. “Op een gegeven moment gingen ze mij vragen. Ze wisten dat ik het interessant vond, maar ik ging ook om het wegennetwerk en militaire locaties te leren kennen, en om meer dan alleen het kamp te zien.”

Naar huis gaan tussendoor deed hij bewust niet, ook al kon het. “Ik vond het te veel gedoe. Je moet maar geluk hebben dat je reis maar één of twee dagen duurt, soms zijn het meerdere dagen dat je onderweg bent. Dan ben je net thuis en nog geen vijf dagen later moet je weer afscheid nemen en de hele tocht terug maken. Ik was in die tijd ook alleen. Dus ik heb geen gebruikt gemaakt van de verlofregeling. Het was het mij niet waard. Van het thuisfront was weinig tot geen steun. Maar, dat hoefde voor mij ook niet. Het leven in Nederland ging voor iedereen verder en van Defensie en zijn werkzaamheden hebben maar weinig mensen echt sjoege. En, niet negatief bedoeld, het is toch ‘een ver van mijn bed show’. Veel mensen volgen amper de actualiteit van alledag. Daarnaast leef ik al heel lang mijn eigen leven en dop ik mijn eigen boontjes.”

Gewoon een baan

Na Afghanistan stoorde hij zich aan iets wat hij niet had verwacht. Terug in Nederland, werkend bij een eenheid met veel burgerpersoneel, merkte hij dat collega’s nauwelijks leken te beseffen wat er aan de andere kant van de wereld speelde. “Ik heb me echt wel eens boos gemaakt over het feit dat mensen nauwelijks geïnteresseerd of betrokken waren. Dit terwijl aan de andere kant van de wereld oorlog wordt gevoerd.”

Maar Louis zelf pakte thuis ook snel de draad weer op. Zodra hij thuis was, draaide de was, werden de boodschappen gedaan, rekeningen betaald en de hypotheek verlengd. “Zo rol je langzaam het dagelijks leven weer in,” vertelt hij. In februari, vlak nadat hij terug kwam, was er een medaille-uitreiking in het GelreDome in Arnhem: in het bijzijn van officials, familie, militaire muziek, toespraken, marcheren. Daarna nog een reünie met de staf van de Task Force, hapje eten met collega’s, iedereen weer even zien. Dan naar huis. “En ja, dat is het dan.”

Voor Louis was Defensie gewoon een baan. Wel een bijzondere baan, met bijzondere functies, maar een baan. De missies hoorden daar gewoon bij. Hij is blij en trots dat hij Defensie als werkgever heeft mogen dienen. De 149 mails en de foto’s uit Afghanistan staan zorgvuldig gesorteerd in mapjes op zijn computer. De ansichtkaarten uit Bosnië, zijn baret, zijn uniform; alles heeft zijn vaste plek in de kast. Daar hecht hij waarde aan, ze hebben betekenis voor hem. Zijn medailles heeft Louis nooit gedragen. “Ik heb niet de behoefte om daarmee te koop te lopen, maar ik ben er wel erg trots op.” Tijdens de ‘gewone’ baan van Louis heeft hij veel gezien en meegemaakt, maar ophef maakt hij er niet over.

De medailles van Louis. (Foto: Keesie Doro Mulder, 2026)

Wat hij wél doet: In mei van 2024 reed hij naar Loenen, naar de Nationale Veteranenbegraafplaats. Daar liggen onder andere Nederlandse militairen die op missie zijn gesneuveld. Mannen van wie hij de namen, of van wie hij de vaders kende. Hij had het zichzelf al langer voorgenomen, in 2024 deed hij het. Hij liep er rond, las de namen. “Toen dacht ik bij mezelf: dat zijn jonge mensen die hun leven hebben gegeven.” Het haalde verder geen herinneringen omhoog, geeft hij aan. “Het gaat erom dat ik het even gezien en gevoeld heb, dat ik er heb rondgelopen. Dat ik het op mijn netvlies heb.” Veel meer liet hij er niet over los. Wel vindt hij het fijn dat hij erlangs is gegaan. “Soms neem ik me wel eens wat voor, maar dan komt er door omstandigheden niets van terecht.” Het zien en voelen is belangrijk voor Louis.

Net als de mails. “Door het schrijven bleef het niet op mijn harde schijf staan, waardoor ik ruimte had om verder te gaan. Natuurlijk denk ik nog wel eens aan dingen, maar het beheerst niet mijn leven. Eenmaal thuis is het afronden van de missie binnen Defensie en word je weer opgeslokt door de dingen van alledag.”

Nog steeds volgt hij het nieuws uit Afghanistan en Bosnië en Herzegovina op de voet. De man die zegt er niks aan over te hebben gehouden, heeft deze landen nooit losgelaten. Misschien is de eerlijkste definitie van een missie die goed is afgelopen: niet dat je er niks van meeneemt, maar dat wat je meeneemt, je niet in de weg zit. Louis is geen voorbeeld van iemand zonder nare ervaringen. Hij is een voorbeeld van iemand die weet wat er is gebeurd en het een plek heeft gegeven.

Onderdeel van:

Jouw verhaal telt ook!

Deel het met ons en help Erfgoed Brabant Verhalen groeien!

Periodes