In dit museum was ik speciaal op bezoek om een sculptuur van beeldhouwer Niel Steenbergen (Steenbergen 1911 – Oosterhout 1997) uit 1938, te bekijken. Het betrof een buste van Bernard Vlekke (Stampersgat 1899 – Waalre 1970) de broer van mijn opa Jan Vlekke. Tijdens het archiveren van de nalatenschap van mijn moeder, Anne Marie Weijsters–Vlekke, kwam onze familie op het spoor van het bestaan van deze buste. Wij waren nieuwsgierig naar de reden waarom zijn portret in deze museumcollectie terecht was gekomen. Maar eveneens omdat ikzelf een boek van hem, The Netherlands and the United States, vanwege de huidige politieke situatie aan het herlezen was.
Leergierige Brabantse broedplaats
Bernard H. M. Vlekke was de jongste zoon van de succesvolle suikerfabrikant en sociaal ondernemer Jan Frederik Vlekke (Steenbergen 1849 – Oud en Nieuw Gastel 1903). Zijn vader realiseerde toen in West-Brabant de grootste suikerfabriek van de wereld en was de grondlegger van de Suiker Unie. Gedurende zijn directeurschap voerde hij een sterk sociaal beleid. Het personeel deelde bijvoorbeeld mee in de winsten en aandelen van de fabriek. Hij organiseerde er pensioenfondsen voor de werknemers of hun weduwen en een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Jan Frederik stimuleerde tevens, ook financieel, vurig het onderwijs voor de vrouwen van de arbeiders. En richtte voor de fabrieksarbeiders in 1880 een ziekenfonds op, dat pas vijftig jaar later in ons land werd geïntroduceerd. Ook stond hij positief tegenover de vakvereniging. Een mooi voorbeeld lijkt mij, van dat succesvol ondernemerschap en goed sociaal beleid hand-in-hand kunnen gaan, elkaar kunnen versterken.
Bernard Vlekke was een telg uit een Brabants wetenschappelijk gezin. Zijn oudste zus Nel was een voornaam scheikundige en zijn broers Wies docent Engelse taalkunde en Jan een bekend neerlandicus, bibliotheekdirecteur en onder andere corrector van boeken van Nederlandse schrijvers. Na het Stedelijk Gymnasium in Den Bosch gingen Jan en Bernard in 1918 Nederlandse letteren studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Bernard werd na deze studie docent Nederlands in Maastricht. Maar na enkele jaren verlangde hij terug naar de collegebanken. Aan de wat nu de Radboud Universiteit heet, ging hij middeleeuwse geschiedenis, kunstgeschiedenis en economie studeren. Hij was er de eerste mediëvist die hier afstudeerde en verruilde het Nederlands voor: geschiedenis, staatsinrichting en staatshuishoudkunde. In Maastricht schreef hij een aantal artikelen die resulteerden in een onderzoek en zijn boek, Van ’t gruwelyck verraet in de jaere 1638 op Maestricht gepractiseert, Neerlandia Antwerpen 1938. Al tijdens zijn studie toonde Vlekke een brede interesse in de politiek en meende het historisch onderwijs te moeten moderniseren. De studie naar onze geschiedenis moest volgens hem meer het karakter van een sociale wetenschap krijgen. Aandacht voor de economie en het staatsrecht waren hierbij belangrijke onderdelen. Zijn proefschrift kreeg toen in een NRC-recensie veel lof en de kwalificatie: kritisch-nuchter. Wat kenmerkend bleek voor zijn latere vakinhoudelijke opstelling. In die tijd een novum.
Vanuit Rome naar de Verenigde Staten
In 1937 vertrok Vlekke naar Rome en werd er secretaris bij het Nederlands Historisch Instituut. Ondertussen was hij getrouwd met de Amerikaanse Caroline Paula Horsthemke. Het was voor hem een mooie gelegenheid om in Italië zijn internationaal perspectief te verbreden. Het was hem er alles aan gelegen om het instituut meer bekendheid te geven en het meer naar buiten te laten treden. Hier profileerde hij zich ook als journalist die er voor diverse Nederlandse dagbladen schreef. Over bijvoorbeeld de godsdienstige en koloniale politiek van Mussolini of over de Duitse drang naar het Oosten.
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog sympathiseerde de directeur van het instituut steeds meer met het Italiaans nationaalsocialisme. Vlekke nam hier letterlijk en figuurlijk afstand van en vertrok in 1940 met studieverlof naar de Verenigde Staten. Zijn overtocht was niet alleen ingegeven door de situatie in Italië, maar ook vanwege de respons vanuit het ministerie in Nederland op zijn besluit de politieke keuze van zijn directeur niet te volgen. Als reactie op zijn vertrek naar Amerika besloot de directeur van het instituut, zonder hem hiervan op de hoogte te stellen, de hele inboedel van zijn huis in Rome eigenhandig te verkopen.
Daar in de Verenigde Staten voelde de Brabander Vlekke zich al snel op zijn gemak. Vooral de minder formele omgang tussen en met de autoriteiten sprak hem aan. Alhoewel hij zijn carrière als mediëvist was begonnen verschoof hier, tijdens de Tweede Wereldoorlog, zijn focus naar de hedendaagse geschiedenis. Waaronder met name naar die van Nederlands-Indië, Europa en de Verenigde Staten. Kort na zijn aankomst ging hij geschiedenis en Nederlands doceren aan de Harvard University te Cambridge Massachusetts en samenwerken met het toen, 1941, nieuwe Netherlands Information Bureau in New York. Al gauw verschenen hier zijn eerste Amerikaanse publicaties. En startte hij een onderzoek naar de relatie tussen Nederland en Indië. Zijn studies hiervan resulteerde in belangwekkende publicaties en zijn invloedrijke boek Nusantara: A History of the East Indian Archipelago, Harvard University Press, 1943. Hiermee toonde hij volgens vakgenoten een groot vermogen om uit losse en complexe onderdelen een kwalitatief compleet geheel te maken. Dit was echter niet eenvoudig, omdat Vlekke vanuit Nederland onder druk werd gezet om de grens tussen zijn feitelijke historische bevindingen en de Nederlandse sterk gekleurde standpunten over dit onderwerp, minder zichtbaar te trekken. Tijdens en na de soevereiniteitsoverdracht publiceerde hij nog verscheidene artikelen over de oorsprong en de felheid van het Indonesisch nationalisme. En dat men in Nederland zich hierbij teveel liet lijden door sentiment en partijpolitiek.
Amerika en Wij, imiteren of laten intimideren
Naar aanleiding van zijn onderzoeken naar de Amerikaanse samenleving ter plaatse, verscheen zijn boek The Netherlands and the United States – Boston, World Peace Foundation 1945. Vlekke stelde daarin dat wat Nederland van de Verenigde Staten kan verwachten, voornamelijk afhangt van hoe belangrijk ons land voor hen is op: economisch, politiek of cultureel vlak. En bestond er volgens hem het gevoel dat emoties ook een rol spelen. Dat Amerikanen een soort sentimentele genegenheid voor Nederland zouden voelen. Het land van tulpen en klompen, Peter Stuyvesant, Rembrandt en Vermeer, Sifan Hassan en Max Verstappen. Anders wel vanwege onze Nederwiet of TikTok-stroopwafels. Vlekke bemerkte dat er tijdens de Duitse inval in 1940 behoorlijk veel sympathie voor ons land was. Maar ook dat dat snel veranderde. De Amerikaanse regering werkte toen intensief aan het acceptabel maken van Rusland als bondgenoot. Tegelijkertijd botsten de conservatieve Nederlandse standpunten over de toekomst van Nederlands-Indië, bikkelhard met de radicale Amerikaanse visie.
De Verenigde Staten, zo schrijft Vlekke, bouwen internationale relaties op basis van één motief: hun eigen economische belangen. Het moet een afzetmarkt of winstgebied creëren en dat noodzakelijkerwijs controleren, omdat het meer produceert dan het zelf consumeert. Of omdat het specifieke grondstoffen nodig heeft die het zelf niet bezit. Als het ergens ‘vrede’ gaat stichten, stuurt het vaak een handelsdelegatie mee of juist vooruit. Hun devies lijkt hierbij: eerst onze eigen economische belangen veiligstellen voordat een ander land (mogelijk op uitnodiging van het getroffen land) dat doet.
Andersom hebben wij de Verenigde Staten (nog) hard nodig. We gebruiken hun sociale media in ons dagelijks bestaan, hun kredieten om onze internationale handel in beweging te houden. Maar ook hun internationale handelspolitiek bij de export van onze producten en hun militaire capaciteiten om ons te verdedigen. We vergissen ons, zo stelt Vlekke, dikwijls in de regels van de vraag-en-aanbod, die doorgaans voor bilaterale handel gelden. Want de Verenigde Staten hanteren andere richtlijnen en internationale rechten, zeker gelet op de huidige politieke ontwikkelingen daar. Het is voor de Verenigde Staten van groot belang om de ontwikkelde landen voortvarend te houden, omdat zij de VS dan winstgevende afzetmarkten bieden.
Ik en de ander, de natuurlijke opinie op afstand
We leven in een wereld waar landen, vooral economisch en militair gezien, enorm afhankelijk van elkaar zijn, stelt Vlekke. Geen enkel land kan zijn eigen problemen geheel zelfstandig oplossen. Sterker nog, zo schrijft hij: hoe kleiner een land en hoe groter de bevolkingsdichtheid van dat land, des te kwetsbaarder het wordt. Dan staat namelijk de economische onafhankelijkheid onder druk, de politieke druk volgt dan vanzelf. We moeten ons daarbij ook bewust zijn van onze eigen gevoelens en vooroordelen, die ons vaak belemmeren om andere landen écht te begrijpen. Willen we onze plek in de wereld behouden of bevorderen, dan moeten we zowel onze eigen standpunten als die van anderen leren bevatten. Waarbij het net zo belangrijk is dat zij óns willen verstaan. Om andere culturen echt te begrijpen, zo meende Vlekke, moeten we eerst onze eigen gevoelens en vooroordelen over die ander helder krijgen. En dat een minderwaardigheidsgevoel er onbewust voor zorgt dat we onze eigen verworvenheden gaan verheerlijken en nationale prestaties overschatten. Bovendien dat niets ons begrip van andermans samenleving zozeer belemmert, als de rotsvaste overtuiging dat onze eigen cultuur vanouds superieur is. Mogelijk was hem dit ook ingegeven door een indertijd groteske Randstedelijke opinie over de ‘boerse’ provincies beneden de rivieren. Of het feit dat ‘Den Haag’, bij afloop van de Tachtigjarige Oorlog, het sterke Brabant zijn bestuur ontnam, terwijl andere Nederlandse gewesten deze mochten behouden.
Het uitgangspunt van Bernard Vlekke was steevast, dat men vanuit perspectief-op-afstand beter greep krijgt op het te bestuderen onderwerp. Om daarmee een noodzakelijk inzicht te krijgen in het verschil tussen de feitelijke geschiedenis en propaganda en/of politieke manipulatie. Als reactie op oversimplificatie van de perceptie op gecompliceerde gebeurtenissen. Het zal geen verbazing wekken dat hij voor dit vakinhoudelijk standpunt de nodige kritiek ontving. Zeker ten tijde van een Nederlandse verzuiling in geschiedschrijving en de toen heersende ideologische hokjesgeest. Echter kreeg Vlekke indertijd, ook van de Nederlandse ambassade in de Verenigde Staten en van zijn werkgever Gerrit Bolkestein, minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen – kabinet De Geer II, doorlopend bewondering voor zijn grote ijver en doorwrochte publicaties.
Drijfveren als grondlaag voor nieuwe percepties
Teruggekeerd in Nederland werd hij Hoofd Publicaties, en later Secretaris-Generaal, van het Nederlandse Genootschap voor Internationale Zaken, dat in 1945 was opgericht. Op een moment dat de Koude Oorlog een feit was. Het was geen verrassing dat de nieuwe patstelling tussen Oost en West een belangrijk onderwerp voor Vlekke werd. De toen naoorlogse Russische expansie was volgens hem geen streven naar wereldmacht, maar naar het consolideren van de eigen staat en grondgebied. Een naar overheersing in de diepte en niet in de breedte, ten gunste van een voor hen veilige grens met het Westen. En de Amerikanen hadden volgens hem, vanuit hun drang naar economisch eigenbelang, te weinig aandacht voor de problemen van voornamelijk Midden-Europa. Met zijn historisch rationele analyses probeerde hij nadrukkelijk de toen heersende angstcultuur te doorbreken. Hierbij onderstreepte hij ook dat de NAVO in eerste instantie niet enkel als militair genootschap was opgericht, maar eveneens ten gunste van de economische buitenlandse politiek. Dit zou volgens hem niet alleen een positief effect hebben op de Oost-Westverhouding, maar tevens op de Europese eenwording.
Vlekke vervolgde in 1956 zijn loopbaan als hoogleraar Internationale Staatskunde aan de Rijksuniversiteit van Leiden. Hij bleef toen volop publiceren, met name voor de Internationale (nu Clingendael) Spectator. Daarnaast onderhield hij veelvuldig de contacten met gelijkaardige instituten in het buitenland. Het was in deze periode dat hij een nadruk ging leggen op het historisch onderwijs en de internationale verhoudingen. En dat er gewaakt moest worden voor een overwaardering van het nationale verleden.
Om het gemis aan een breder en/of maatschappelijk kader van historische gebeurtenissen tegen te gaan, stelde hij studie van eenvoudige maatschappijleer voor. In deze periode maakte hij ook toekomstige diplomaten van het ministerie van Buitenlandse Zaken, het BuZa-klasje, vertrouwd met de ‘jungle’ van de wereldpolitiek. En de opstandigheid van de jeugd indertijd was volgens hem niet gebaseerd op misstanden in de samenleving, maar in de voortgaande centralisatie van de maatschappij.
Bij zijn pensioen in 1964 werd Vlekke geprezen als wetenschapper en publicist als voor zijn bijzondere contacten in binnen- en buitenland. Maar ook als grondlegger van de nieuwe studie Internationale Betrekkingen van de Rijksuniversiteit van Leiden. Toen benoemde de Belgen hem tot Commandeur in de Kroonorde en Nederland hem tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Volgens collega-historici was hij een zakelijk nuchter, maar sociaal diep gedreven mens. En een hartstochtelijk pleiter voor neutrale, objectieve geschiedschrijving. Die als internationaal erudiete Brabander een prominente plaats verdient binnen de kring van Nederlandse historici uit de 20e eeuw.
In zijn onderzoeken zocht Vlekke specifiek naar de beweegredenen van de mens, en minder naar de gevolgen van zijn daden. Hij had een weerzin tegen de ideologische waan-van-de-dag en schreef met een onbewogen blik over de Koude Oorlog, de NAVO en de internationale politiek. Voor hem telde de machtsfactor zwaarder dan ongefundeerd economisch of politiek idealisme, mythen of sentimenten. Politiek was volgens hem een cultuurverschijnsel dat in de mens geworteld zat. Bernard Vlekke voelde zich niet verbonden met een specifieke theorie of dogma. Hij bleef liever onafhankelijk, op zoek naar de dynamische omstandigheden van de vrede.