Vanaf 1768 kwam het kasteel via een veilingverkoop voor het eerst in handen van een particuliere protestantse eigenaar. In die tijd waren dit soort aankopen via veilingen in trek onder vermogende (Hollandse) regenten en kooplieden. Met de aankoop konden zij zich bovendien ‘heer’ van de betreffende plaats noemen en zich zo een statusverhogende titel aanmeten. Heerlijke rechten leverden tot de Franse tijd ook een bron van inkomsten op waarmee de kastelen en landhuizen deels werden onderhouden. Daarnaast hadden deze heren politieke macht en bestuurlijke privileges om stadsbesturen te benoemen. Rond 1800 werd dit feodale stelsel met de komst van de Fransen definitief afgeschaft. Met welke bronnen van inkomsten werden deze omvangrijke plekken onderhouden? Met de komst van de familie Hoevenaar lag dit antwoord voor een deel in de koloniën.
Suikerpaleis in Geldrop
In 1828 kwam Kasteel Geldrop in bezit van de familie Hoevenaar. Tot die tijd was het in bezit van de Leidse protestantse regent Adriaan van Sprangh. Hoevenaar raakte vanaf 1783 verbonden aan het kasteel door een huwelijk tussen de families Hoevenaar en Van Sprangh, waardoor de in Breda wonende Sara Hoevenaar het uiteindelijk in 1828 erfde. Toen het in 1843 in handen kwam van Hubertus Paulus Hoevenaar (1814–1886) werden tussen 1850 en 1885 in opdracht van hem verbouwingen gedaan die vandaag de dag nog steeds het fundament vormen van het kasteel. Het kapitaal waarmee dit werd gedaan kwam voor een groot deel uit de kolonie Nederlands-Indië.
Nadat de familie Hoevenaar rond 1839 werd meegetrokken in een faillissement, kwam in hun zoektocht naar een nieuwe bron van inkomsten al snel de kolonie Nederlands-Indië in het vizier. Fortuin maken in ‘de Oost’ werd destijds gezien als de redding voor veel elitefamilies die dreigden aan lagerwal te raken. In de kolonie hoopte de familie Hoevenaar op meer financiële successen in de suikerindustrie. Ze verbonden zich onder andere aan de families Holmberg de Beckfelt en Lucassen, die mede dankzij de connecties met koning Willem I gunstige suikercontracten hadden verworven. Onderweg naar Java strandde het Nederlandse fregat de Overijssel in de zomer van 1841 vlak bij de kustplaats Benoa, op de zuidpunt van Bali. Op het strand troffen de schipbreukelingen de raja (vorst) I Gusti Ketut Jelantik (-1849) en zijn gevolg aan die het gezelschap streng ondervroeg. Ondertussen plunderde de Balinese bevolking het schip op basis van tawan karang. Volgens dit traditioneel Balinese kliprecht betekende een gestrand schip een geschenk van de goden. Het plunderen had ook tot doel de buitenlandse machten af te schrikken om de onafhankelijkheid van het eiland te behouden. Zonder dat de families dit mogelijk realiseerden, vond deze ontmoeting plaats in een historische periode waarin Nederland met geweld Bali probeerde te onderwerpen aan het koloniale bewind.
Uiteindelijk bereikte de familie Hoevenaar hun bestemming op Java en runde zij hier vanaf 1841 verschillende suikerfabrieken. De suikerindustrie op Midden-Java bestond niet zonder uitbuiting en onvrije arbeid van de lokale bevolking via het Cultuurstelsel. In de suikerindustrie op Java was het begin negentiende eeuw daarnaast niet ongewoon om tot slaaf gemaakte mensen in te zetten. Het Cultuurstelsel legde de bevolking op Java industriële productie op ten bate van de Nederlandse schatkist. Het fortuin van Hoevenaar lijkt met name gebouwd te zijn op verdiensten die gebaseerd waren op dit systeem, dat niet op slavenarbeid berustte, maar wel op koloniale dwangarbeid.
Suikerfabriek Kemanglen van Hoevenaar en Lucassen. Met op het schilderij de oorspronkelijke bevolking te werk gesteld, waaronder ook vrouwen. (Bron: Abraham Salm, circa 1870, Collectie Rijksmuseum Amsterdam).
Na zijn carrière op Java vestigden Hoevenaar en zijn vrouw Anna Marciane Catharina Holmberg de Beckfelt (1823–1905) zich samen met hun kinderen in 1867 in Stratum. Als beroep gaf Hoevenaar ‘rentenier’ op. Hier verbleef de familie in de villa van jonkheer Michael van der Beken Pasteel aan de Aalsterweg, die gelegen was op landgoed De Heihoef, later door de Congregatie van de Broeders van Liefde omgedoopt tot landgoed Eikenburg. In 1870 namen ze hun intrek in Kasteel Geldrop.
In zijn onderzoek naar Kasteel Geldrop concludeerde Eugène Franken dat zonder het kapitaal van Hoevenaar het kasteel er nu waarschijnlijk niet meer zou zijn geweest. Het heeft haar bestaan dus voor een groot deel te danken aan inkomsten vergaard uit de koloniën. Hoevenaar liet uiteindelijk 1,5 miljoen gulden na. Vandaag zou dit omgerekend bijna 24,5 miljoen euro zijn. Hiervan vormden de drie suikerondernemingen de grootste post met 750.000 gulden. Omgerekend komt dit neer op ruim 12 miljoen euro.
De geschiedverhalen volgen vaak de Europese mannelijke lijn. De maatschappelijke positie van een echtpaar was echter ook gekoppeld aan die van de echtgenoot. Vaak waren het ook de vrouwen die het financiële beheer van het gezin informeel in handen hadden. De moeder van Hubertus, Arnaudina Ringeling (1792–1854), kwam eveneens uit een vermogende familie die veel kapitaal had vergaard in de koloniën. Zo was de familie in het bezit van verschillende plantages en tot slaaf gemaakte mensen in zowel Suriname als op Curaçao. Het kan relevant zijn dit nader te onderzoeken om te zien in hoeverre het kapitaal mogelijk was gebouwd op winsten uit de koloniën in het trans-Atlantische gebied, waar slavernij wel een rol speelde.
Voorlopers van de Rabobank
De invloed van in de koloniën vergaard vermogen kon ver rijken. Zo stichtte Hoevenaar de Eindhovensche Boomkwekerij in Strijp en bezat hij grote stukken grond in de stad, zoals rondom het huidige Arnaudinaplein (in 1930 vernoemd naar dochter Arnaudina Hoevenaar). Dit plein ligt in de oorspronkelijk tot Geldrop behorende, maar nu in Eindhoven gelegen wijk Tivoli. Hubertus Paulus Hoevenaar was één van de grootste aandeelhouders van de Eindhovensche Bank die in 1872 door enkele vooraanstaande (voornamelijk) Eindhovenaren werd gesticht. Een voorloper van Boerenleenbank die later zou fuseren met de Raffeisenbank tot de huidige Rabobank. In 2022 werd na excuus van De Nederlandsche Bank voor de rol in het slavernijverleden gesteld dat onderzoek naar de relatie tussen slavernij en de Rabobank niet relevant zou. Het zou bij deze bank niet spelen omdat de “boerenleenbanken waar de Rabobank uit voortkwam pas eind 19e, begin 20e eeuw [ontstonden].” Doordat het koloniale verleden wel een rol speelde, is onderzoek naar de geschiedenis van de bank toch relevant. Het startkapitaal van haar voorlopers was, mede dankzij de investeringen van Hoevenaar, immers ten minste gedeeltelijk gebaseerd op winsten verkregen uit de koloniën en het op dwangarbeid gebaseerde Cultuurstelsel. Dit roept de vraag op hoe dit zat bij de andere investeerders in de voorlopers van de Rabobank.
Vandaag de dag is Kasteel Geldrop toegankelijk voor publiek en wordt hier veel gedaan. Geïnspireerd op de koloniale geschiedenis exposeerden in 2022 nog de Eindhovense en Indische kunstenaars Aura Op den Camp en Shelly Lapré hun kunst in de tijdelijke tentoonstelling Lost and Refound.
Dit artikel is een bewerking van De stad vertelt. Vooronderzoek naar het Slavernijverleden van Eindhoven. Het volledige rapport is hier te vinden: https://www.onderzoekslavernijverledeneindhoven.nl/