Het begon allemaal met het Latijnse woord cāseus. In de Romeinse tijd namen de Germanen cāseus over als *kāsī, waarschijnlijk samen met de Romeinse manier van kaas maken.
Het Germaanse *kāsī werd onder andere het Engelse cheese, het Duitse Käse, het Friese tsiis, het Limburgse kieës en het Nedersaksische keaze. Bij ons ontstonden er in de middeleeuwen twee varianten uit uit *kāsī: case en kese. Case was Hollands en Vlaams. Uit kese zijn de inheemse Brabantse woorden ontstaan. Die hebben allemaal een e. In West- en Midden-Brabant is het bijna het overal kèès, met de èè-klank van blèren. In Oost-Brabant zijn er allerlei woorden uit kese ontstaan: kèès, kèèës (met een dof e’tje), keis, keês en keêës. Het is verrassend dat die vormen allemaal verspreid over Oost-Brabant voorkomen.
Kaos en kaas zijn importkazen: ze zijn overgenomen uit het Hollands of het Nederlands. In de data (1935-1966) vind je ze vooral in oude vestingsteden, die vroeger contact hadden met Holland: Woudrichem, Heusden, ’s-Hertogenbosch en Grave. Maar kaos en kaas komen in de data ook al voor in sommige dorpsdialecten. Zo vermeldden de informanten in Moergestel dat kèès ‘oud’ was, en het Oisterwijkse keês werd ‘boers’ genoemd. Kaos en kaas waren daar toen al gebruikelelijk.
Voor de Fonetische Atlas van de Nederlandse Dialecten (1998-2005) zijn stukken minder plaatsen onderzocht, maar daarin komen kaos en kaas naar verhouding al wel veel meer voor dan in de Reeks Nederlandse Dialectatlassen (1935-1966).
Bonusweetje: het kaaswoord zit ook in de uitdrukking klaar is Kees. Dat betekende oorspronkelijk ‘klaar is (de) kaas’, maar omdat kees in Holland niet meer herkend werd, dachten mensen dat het om de naam ging.