Kinkeluters, kikvorsen en puiten

Kaart van Noord-Brabant met dialectwoorden voor ‘kikker’. Per plaats is een kikkerpictogram geplaatst, waarbij de kleur de dialectvariant aangeeft. De vorm kikvors komt het meest voor en domineert Oost-Brabant rond Den Bosch, Eindhoven, Helmond en Uden. Kiekvors komt vooral voor in Midden-Brabant, met name rond Tilburg en Waalwijk. De vormen kikker en kikkert komen verspreid voor in kleinere gebieden rond Tilburg, boven Den Bosch en boven Uden. Kikbil en kikkenbil zijn vooral aanwezig rond Tilburg en boven Eindhoven. In West-Brabant, rond Roosendaal, Bergen op Zoom en Etten-Leur, komen vooral puit en pèùt voor. De vorm puut komt in beperkte mate voor ten zuiden van Breda. Onder de kaart wordt ook een overzicht gegeven van afwijkende vormen die verbonden zijn aan specifieke plaatsen, zoals kinkspèùt in Baarle-Nassau en kienkpuit in Chaam. De kaart is gebaseerd op taalgegevens uit de periode 1935-1966.
'Kikker' in de dialecten van Noord-Brabant. (Bron: Yoïn van Spijk, 2026)

In Noord-Brabant zijn er wel twintig woorden voor kikker, van het wijdverbreide kikvors en puit tot zeldzame woorden als kinkeluter, kikkenduut en kienkert. Waar komen die vandaan?

Het oorspronkelijke kikkerwoord was vors. Via vorsch komt dat van het Germaanse frosk. De r is over de o gesprongen, zoals vers van frisk komt en borst van brust. In het Duits is het nog Frosch, frisch en Brust.

De meeste Brabantse dialecten combineerden vors met kik-. Dat komt van het woord kikken, een nabootsing van het geluid dat het beestje maakt. Kikker en kikkert zijn daar ook van afgeleid.

West-Brabant heeft een heel ander woord: puit. Dat komt van een woord voor ‘opzwellen’, net als het Groningse poet (‘puit, buil, zweer’), het Zweedse put (‘dik gezwel’) en het Engelse to pout (‘pruilen’). Dat ‘opzwellen’ slaat op de bolheid van het dier, of op het opblazen van de wangen bij het kwaken.

In Zundert en Rijsbergen hoor je nog het middeleeuwse puut, terwijl het in het zuidwesten pèùt is, met de klinker van freule.

Vooral Midden-Brabant kent nog allerlei andere varianten, zoals het Chaamse kienkpuit, het Dongense kinkeluut, en het Tilburgse kinkenduut. Dat zijn vervormingen van kik(ken)puut.

Hoe kon er zo veel variatie ontstaan? Over kleine diertjes praatten mensen vroeger vooral in de huis-tuin-en- keuken-sfeer, zoals met vriendjes als ze buiten speelden. In die situaties ontstonden allerlei eigen benamingen. Die kwamen niet veel verder dan het eigen dorp. Je hoefde vijftig kilometer verderop immers niet begrepen te worden met je kinkeluut of kienkert. Dat was heel anders bij woorden voor dieren waarin gehandeld werd, zoals paarden. Bij zulke woorden zie je bijna alleen uitspraakvariatie, zoals paard, pèèrd en pjerd.

Jouw verhaal telt ook!

Deel het met ons en help Erfgoed Brabant Verhalen groeien!