Het oorspronkelijke kikkerwoord was vors. Via vorsch komt dat van het Germaanse frosk. De r is over de o gesprongen, zoals vers van frisk komt en borst van brust. In het Duits is het nog Frosch, frisch en Brust.
De meeste Brabantse dialecten combineerden vors met kik-. Dat komt van het woord kikken, een nabootsing van het geluid dat het beestje maakt. Kikker en kikkert zijn daar ook van afgeleid.
West-Brabant heeft een heel ander woord: puit. Dat komt van een woord voor ‘opzwellen’, net als het Groningse poet (‘puit, buil, zweer’), het Zweedse put (‘dik gezwel’) en het Engelse to pout (‘pruilen’). Dat ‘opzwellen’ slaat op de bolheid van het dier, of op het opblazen van de wangen bij het kwaken.
In Zundert en Rijsbergen hoor je nog het middeleeuwse puut, terwijl het in het zuidwesten pèùt is, met de klinker van freule.
Vooral Midden-Brabant kent nog allerlei andere varianten, zoals het Chaamse kienkpuit, het Dongense kinkeluut, en het Tilburgse kinkenduut. Dat zijn vervormingen van kik(ken)puut.
Hoe kon er zo veel variatie ontstaan? Over kleine diertjes praatten mensen vroeger vooral in de huis-tuin-en- keuken-sfeer, zoals met vriendjes als ze buiten speelden. In die situaties ontstonden allerlei eigen benamingen. Die kwamen niet veel verder dan het eigen dorp. Je hoefde vijftig kilometer verderop immers niet begrepen te worden met je kinkeluut of kienkert. Dat was heel anders bij woorden voor dieren waarin gehandeld werd, zoals paarden. Bij zulke woorden zie je bijna alleen uitspraakvariatie, zoals paard, pèèrd en pjerd.