De huisnijverheid maakte in de negentiende eeuw plaats voor moderne gemechaniseerde industrieën, en de handel in tabak groeide. Vroeg in de negentiende eeuw ontstond in Eindhoven een levendige handel waar verschillende huizen handeldreven in tabak, snuif, koffie, thee en kruidenierswaren. Niet alles kwam uit de koloniën. De zogeheten ‘inlandse tabak’ werd al vanaf de zeventiende eeuw in provincies als Gelderland en Utrecht geteeld. In de loop van de negentiende eeuw verloor deze teelt echter aan betekenis en nam de export van Amerikaanse tabak toe.
In 1859 was bijna 8% van de voor de Nederlandse markt aangeleverde, Amerikaanse door slavenhanden geproduceerde tabak bestemd voor handelaren en fabrikanten in Eindhoven. Vanaf 1860 werd met name de productie van hoogwaardig tabaksblad uit Java en Sumatra significant. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw ontplooide de sigarenindustrie zich in Eindhoven en ’s-Hertogenbosch, en later ook in dorpen zoals Valkenswaard. De industrie trok veel arbeiders uit de regio die tegen lage lonen lange dagen in de fabrieken werkten.

De sigarenindustrie kende de grootste bloei in de periode 1890-1940. Een aantal familiebedrijven die zich in de negentiende eeuw in Eindhoven toelegden op de sigarenindustrie waren Mignot & De Block, Henri van Abbe, Van Gardinge, J.W. Hoefnagels en zonen, Van den Bichelaer & Cie en meer. Mignot & De Block en Henri van Abbe zouden uitgroeien tot de grotere bedrijven.
Mignot & De Block en South Carolina
Rond 1860 was Eindhoven al een betekenisvol centrum van de handel en verwerking van tabak. In deze periode laat Mignot & De Block in 1858 in de Kanaalstraat, vlak bij de haven van het Eindhovens kanaal, een sigarenfabriek bouwen. Het was de eerste firma in Eindhoven die vrouwelijke sigarenmakers in dienst nam. Hier voeren de schepen vanuit Rotterdam vooral Amerikaanse tabak aan. Mogelijk speelde de achtergrond van medeoprichter Adolf Mignot (1835-1911) hierin een rol. Voordat hij in 1851 op zestienjarige leeftijd naar Eindhoven vertrok, groeide hij namelijk op in Charleston, in het zuiden van Amerika.

Deze stad in South-Carolina speelde een prominente rol in de slavernij en was ooit de belangrijkste doorvoerhaven voor slaafgemaakten in Amerika. Naar schatting kwam bijna de helft van alle Afrikaanse mensen die in de achttiende eeuw naar Amerika werden vervoerd, via deze stad. Net als bijna alle huishoudens in Charleston had ook Mignot direct met slavernij te maken. De vader van Adolf Mignot was in het ‘bezit’ van slaafgemaakten, onder wie een jonge vrouw genaamd Vanessa Champney (?-?) en haar jonge zoontje van drie maanden.
Vanaf zijn prille jeugd groeide Mignot op in een huishouden met tot slaaf gemaakte mensen. Als op zijn dertiende zijn vader overlijdt, laat hij een vermogen na. Onderdeel van zijn erfenis is een slavernijplantage en twaalf tot slaaf gemaakte Afro-Amerikanen. Drie jaar later kwam de jonge Mignot aan in Eindhoven. Hier ontmoette hij op de kostschool van J.H. Rutjes (?-?), wiens broer met de familie Mignot was aangetrouwd, zijn toekomstige compagnon Anthony de Block (1830-1906), die tevens van een welvarende Amsterdamse familie kwam. Hij trouwde later met de zus van Mignot, die ook een flink familiekapitaal met zich meebrengt.
Samen investeerden Mignot en De Block 20.000 gulden in hun bedrijf, naar nu omgerekend is dit ruim 250.000 euro. De herkomst van dit startkapitaal is nog niet onderzocht. In vervolgonderzoek kan dit kapitaal, maar ook dat van andere rijke Eindhovenaren, worden onderzocht op de herkomst en de mogelijke rol van plantages en slaafgemaakten. Dit is een wat minder zichtbare, maar wezenlijke relatie tussen koloniale slavernij en de Eindhovense samenleving. Mignot & De Block was rond 1890 met 375 personeelsleden de grootste werkgever van Eindhoven. De firma was ook actief in de kolonie Nederlands-Indië en opende in 1919 een dochteronderneming in Jogjakarta op Java, waar ook werknemers vanuit Eindhoven naartoe werden gestuurd.

Van Abbe, tabak en gedwongen arbeid
Een andere tabaksfabrikant die rijkdom heeft vergaard met tabak was Henri van Abbe (1880–1940), oprichter van sigarenfabrieken Karel I – en ooit een van de grootste werkgevers van Eindhoven en omgeving. Het Van Abbemuseum is deels opgericht met zijn verdiensten uit de tabaksindustrie op Deli, Oost-Sumatra. Van Abbemuseum besloot uitvoerig onderzoek te verrichten naar de koloniale banden van het museum. Uit het onderzoek is gebleken dat de zogeheten contractarbeiders, waaronder ook jonge vrouwen en kinderen, onder erbarmelijke omstandigheden en onder dwang op de tabaksplantages werkten.
Henri van Abbe’s afname van tabak uit Deli had grote impact op de streek en zijn inwoners. Na de tweede helft van de negentiende eeuw groeide de vraag naar koloniale producten als katoen, tabak, koffie en rubber. Slavernij was in 1860 officieel afgeschaft in Nederlands-Indië en de oplossing werd gevonden in ‘contractarbeid’. In Azië werden Chinese, Maleisische, Indiase en Javaanse mensen geronseld en vaak door mensenroof en dwang naar de plantages gehaald. Mensen werden misleid met contracten die vaak alleen in het Nederlands waren opgesteld. Zij ontvingen premies die in werkelijkheid een lening bleken en met de onderbetaalde arbeid nooit konden worden terugbetaald. Dit schuldsysteem zorgde zo voor een continuerende verlenging van het dienstverband en gedwongen arbeid op de plantages.
In de praktijk werden mensen op de plantages vastgehouden en verplicht voor weinig geld arbeid te verrichten. In zijn recente boek De contractarbeiders van Deli noemt schrijver en onderzoeker Reggie Baay deze gedwongen arbeid en lijfeigenschap ‘alternatieve slavernij’ en onderbouwt hoe ook de Nederlandse staat hier een actieve rol in speelde en eraan verdiende. De plantage-eigenaren beschouwden de contractarbeiders als hun eigendom. De in 1880 ingevoerde wettelijke regeling, bekend als ‘de poenale sanctie’, stelde Nederlandse planters in staat om, met medeweten en medewerking van de Nederlandse overheid, contractarbeiders gevangen te houden, te berechten en te straffen. Soms met de dood als gevolg. Deze regeling plaatste de planters zo op de stoel van politie, rechter en beul.
Tussen 1900 en 1932 verdrievoudigde het aantal contractarbeiders in Deli van 90.000 tot ruim 275.000. Pas in 1932 schafte Nederland als een van de laatste landen ter wereld de poenale sanctie af. Maar in de praktijk bleven de omstandigheden op de plantages ook na 1932 hetzelfde. In de Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde(KITLV)-beeldcollecties, beheerd door Universitaire Bibliotheken Leiden (UBL), zijn foto’s te vinden van contractarbeiders op de plantages in Deli, zoals de twee zwart-witfoto’s. Op een van de foto’s zitten rijen contractarbeiders hurkend op de grond. Met ontblote bovenlijven werkten zij in een sorteerschuur terwijl ze in de gaten werden gehouden door in het wit geklede plantagetoezichters. Een andere foto, waarop vrouwen op de plantages werken, laat zien hoe ook jonge kinderen werden ingezet voor de productie. De tentoonstelling Verborgen Verbanden in het Van Abbemuseum, dat 2 maart 2024 opende, vertelt hoe Henri Van Abbe rijkdom vergaarde door dit systeem van uitbuiting. Er zijn eveneens verhalen en overleveringen van Indonesiërs te zien die onderstrepen dat er ondanks de onderdrukking en uitbuiting altijd sprake was van veerkracht en verzet.

Mogelijk vervolgonderzoek
De Eindhovense tabakshandel toont ook in de negentiende eeuw indirecte betrokkenheid bij het koloniale systeem van slavernij en andere vormen van onvrije dwangarbeid. Het startkapitaal van Mignot & De Block, maar ook dat van andere vermogende tabaksfabrikanten, kan worden onderzocht op de herkomst en de mogelijke rol van plantages en slaafgemaakten. Dit is een wat minder zichtbare, maar wezenlijke relatie tussen koloniale slavernij en de Eindhovense samenleving. Mignot & De Block en Van Abbe laten alleen al zien hoe de tabaksindustrie waar koloniale slavernij bij betrokken is, overvloeit in andere systemen van dwangarbeid en lijfeigenschap. Het is voor een stad als Eindhoven die met name in de negentiende eeuw een kenmerkende groei doormaakt, daarom belangrijk ook de periode na de afschaffing van slavernij te onderzoeken.
Dit artikel is een bewerking van De stad vertelt. Vooronderzoek naar het Slavernijverleden van Eindhoven. Het volledige rapport is hier te vinden: https://www.onderzoekslavernijverledeneindhoven.nl/