In de West-Brabantse dialecten zeiden mensen vooral koning (rood) en in Oost-Brabant kunning (blauw). In het zuiden waren er wat eilandjes met könning (lichtblauw) en konning (oranje), die voorbij de grens doorliepen tot in Vlaanderen. In Antwerpen was het bijvoorbeeld ook könning, en wat naar het oosten, in Turnhout, konning.
Een strook tussen Oss en Wijchen zei weer iets anders: koëning (geel), met een tweeklank die lijkt op wat je hoort in het woord ‘showen’.