Bij het onderzoek naar Romeins erfgoed wordt al snel een scheiding gemaakt tussen de Romeinse cultuur en de lokale of zelfs ‘inheemse’ cultuur. Dit gebeurt vaak uit gemak, maar ook omdat er een verschillend beeld heerst bij de twee fenomenen. Als onderzoeker ben ik hier ook schuldig aan, ook al ken ik de nuances die een duidelijk verschil hiertussen tegenspreken. Het is makkelijker om over een ‘Romeinse’ of ‘lokale’ vondst te spreken, dan over een ‘vondst met interculturele elementen’. Maar in het geval van Noord-Brabant in de Romeinse tijd kan deze scheiding beter weggenomen worden.
Romeins? Inheems?
De vondsten die gedateerd worden uit de Romeinse tijd, worden automatisch als ‘Romeins’ bestempeld. In sommige gevallen geeft het begrip alleen een tijdsindicatie, maar vaak brengt het ook allerlei implicaties met zich mee die niet per se toepasselijk zijn op de specifieke vondst. Bij ‘Romeins’ denkt men vaak aan Romeinen toga’s, stenen huizen met een galerij en wijn. In het huidige Noord-Brabant was er echter sprake van een heel ander soort ‘Romeins’. Hier droegen mensen warme kleding, woonden mensen in woonstalboerderijen en werd er bijna geen wijn gedronken. Er zijn in oostelijk Noord-Brabant maar op één plek wijnzeven uit de Romeinse tijd teruggevonden.
Bovendien waren er bijna geen Romeinen uit het huidige Italië te vinden in de provincie. Vrij snel na de verovering kreeg de lokale elite de autoriteit om het gebied te blijven regeren, maar dan wel onder Romeins gezag. Deze elite, en hun kinderen, kregen Romeins burgerschap en werden in sommige gevallen Romeins geschoold. Dit komt het dichtst bij het fenomeen ‘romanisering’ dat door veel hedendaagse onderzoekers als ouderwets wordt bestempeld. Maar zij brachten ook een eigen versie van de Romeinse cultuur met zich mee. En de rest van de bevolking kreeg langzaam te maken met hun versie van ‘Romeinse cultuur’.

Een ‘inheemse bevolking’ was er ook niet in Noord-Brabant. Het woord ‘inheems’ betekent vaak ‘oorspronkelijk’ of ‘van nature’. Maar de omgeving is bij de overname door de Romeinen ontvolkt en opnieuw bevolkt met bewoners uit nabije regio’s. Hierbij zijn sommige bevolkingsgroepen weggevaagd, en andere samengevoegd of verplaatst. Hoewel dit niet terug te zien is aan de vondsten uit de Romeinse tijd, is dit wel te achterhalen aan de hand van de menselijke resten die zijn teruggevonden uit de eerste eeuw voor Christus. Er kan dus geen sprake zijn van ‘inheemse vondsten’.
Daarbij brengt het gebruik van het woord ‘inheems’ allerlei koloniale connotaties met zich mee. Iets wordt vaak ‘inheems’ genoemd door de machthebbende groep die van buitenaf komt. Het perspectief van de lokale bevolking speelt hierin geen rol en is onzichtbaar.
Men spreekt eerder over de ‘lokale’ bevolking of ‘lokale’ vondsten: dit dekt de lading van een archeologische ontdekking die in de regio is gedaan, zonder een verkeerd beeld te geven.
Een mengelmoes
Er zijn een aantal voorbeelden te bedenken waarbij de scheiding van ‘Romeins’ en ‘lokaal’ niet past. Zo lijkt de integratie van lokale bewoners in het Romeinse leger in eerste instantie op een soort ‘romanisering’. Zij leerden nieuwe producten kennen, zoals olijfolie, spiegels. Maar wat voor hen als Romeins aanvoelde, en tot op zekere hoogte een kopie was van andere legerkampen in andere delen van het rijk, zou voor Romeinen uit Rome juist als Bataafs of provinciaal aanvoelen. Zo hadden de spiegels uit het huidige Noord-Brabant toch een ander uiterlijk dan de spiegels die elders in het rijk zijn gevonden, en werd olijfolie waarschijnlijk toegevoegd aan de gebruikelijke maaltijdbereiding.
Een ander voorbeeld van een fenomeen dat niet als ‘Romeins’ en ook niet als ‘inheems’ of ‘lokaal’ bestempeld kan worden, is de woonstalboerderij. In deze boerderijen sliep men onder één dak met het vee dat zij hielden (maar wel in gescheiden ruimtes). In grote lijnen is het uiterlijk van de woonstalboerderij in de Romeinse tijd hetzelfde gebleven als de periode ervoor, maar er zijn wel een aantal veranderingen zichtbaar. Zo kregen veel woonstalboerderijen een galerij. Dit voelt aan de ene kant erg ‘Romeins’ aan, omdat dit gebruikelijk was voor gebouwen in de legerkampen. Aan de andere kant werden deze gemaakt met lokale materialen en werd deze aangepast op de woonstalboerderij (te zien aan een schuiner en langer doorlopend dak). Deze elementen oogden voor een lokale bewoner dus heel anders dan voor een Romein uit Rome. De één ziet een Romeinse veranda, en de ander juist een provinciale.
Een derde voorbeeld is de verering van de god Hercules Magusanus. Deze god is ontstaan door de vermenging verschillende religieuze elementen die enerzijds vertrouwd, en anderzijds nieuw waren in de regio. In de benaming zijn de goden ‘Hercules’ en ‘Magusanus’ te herkennen, waarvan er één bestempeld kan worden als ‘Romeins’ en de ander als ‘lokaal’. Toch is het lastig deze scheiding te behouden, omdat de samenkomst van deze elementen juist een nieuwe betekenis aandragen. De verering van deze god kan voor een lokale bewoner als ‘Romeins’ aanvoelen, door de connectie met het Romeinse pantheon en de context van de verering. Zo was de Tempel van Empel aan hem gewijd en is er een votiefsteen gevonden voor zijn verering, wat beide nieuwe vormen van verering waren in de regio. Maar voor een Romein uit het huidige Italië zou de godheid eerder provinciaal hebben aangevoeld, omdat de godheid via Magusanus Keltische wortels heeft. Bovendien stond de god symbool voor kracht en moed en was hij beschermer van vee, wat vooral de lokale bevolking van de provincie aansprak.

Verschillende theorieën
Maar hoe kan het culturele landschap in Romeins Noord-Brabant dan wél gedefinieerd worden? Een mogelijk antwoord hierop is het fenomeen van de contact zone, ontworpen door Mary Louise Pratt. Zij beschrijft de contact zone als een gebied waarbinnen sociaal contact tussen verschillende culturen verschillende vormen kan aannemen. Zo kan er in één gebied sprake zijn van uitwisseling, acculturatie, toe-eigening, maar ook afstoting; en zelfs allemaal tegelijkertijd. Dit is toepasbaar op Romeins Noord-Brabant, in de verering van Hercules als Hercules Magusanus (toe-eigening), het gebruik van muntgeld (acculturatie), maar ook de rem in de verspreiding van producten als olielampjes en spiegels in de regio (afstoting).
Een andere theorie, ditmaal van George Cupcea, bestempelt het Romeinse grensgebied als ‘markt’, waarbij de culturele uitwisseling voornamelijk aan de hand van bestuurlijke afspraken plaatsvindt. Deze theorie kadert culturele uitwisseling als een transactie en maakt van cultuur een onderhandelingsproduct. Zo kunnen er door de lokale elite afspraken zijn gemaakt over de import van goederen, wat de vondst van geïmporteerde wrijfschalen in de regio verklaart. Maar dit zegt vervolgens weinig over de culturele impact van zo’n vondst, en geeft weinig agency aan de lokale bevolking.
Een laatste theorie die genoemd kan worden, is transculturality, ontwikkeld door Kerstin Schankweiler. Zij benadrukt in haar theorie de verwevenheid die de verschillende culturele identiteiten met elkaar aangaan als deze in contact komen. De losse elementen kunnen vaak niet van elkaar gescheiden worden, maar dragen bij aan een constant veranderend cultureel milieu. In het geval van Romeins Noord-Brabant zou dit toepasbaar kunnen zijn op de lokale bevolking: de groeperingen die voor de Romeinse overheersingen zo verschillend waren, zijn nu niet meer van elkaar te onderscheiden. Maar het is lastiger om dit toe te passen op vondsten waar culturele invloeden nog duidelijk zichtbaar zijn, zoals bij de vondst van geïmporteerde olijfolie in de regio.
Toch ongelijkheid…
Door de culturele invloeden in het gebied niet gescheiden te houden van elkaar, ontstaat een realistischer en menselijker beeld van het culturele landschap. Zo kan er ook op een neutrale manier onderzoek gedaan worden. Maar het culturele landschap was niet een volledig gelijk speelveld: de machtsverschillen moeten wél in acht genomen worden. De aanwezigheid van de Romeinen als imperiale macht, mede door het geweld en de demografische verschuivingen, moet impact hebben gehad op de culturele uitwisseling in het gebied. Als reactie kan de lokale bevolking, of in ieder geval de elite, zich uit angst zijn gaan schikken naar de eisen van de overheersers.
Of deze ongelijkheid écht merkbaar was voor lokale bewoners, is bijna niet te achterhalen. In archeologische vondsten is dit niet zichtbaar, en er zijn weinig geschreven bronnen die een lokaal perspectief vertonen. Maar voor de onderzoeker van Romeins Noord-Brabant is het zeker iets om in het achterhoofd te houden.
Concluderende gedachten
Het is dus niet makkelijk om het culturele landschap van een gebied in een paar woorden te vangen. Maar dat is juist wat het onderzoek naar Romeins Noord-Brabant leuk maakt. De verschillende culturele elementen die in de vondsten te zien zijn, roepen bij de onderzoekers steeds nieuwe vragen op. En misschien vinden we ooit nog iets dat ons beeld van Romeins erfgoed in Noord-Brabant volledig doet veranderen!