Mart, mert, mercht en het Nederlandse markt komen uit het Latijn. Tussen de eerste en de vierde eeuw namen de Germanen het Latijnse woord marcātus over als *markāt.
Marcātus was een spreektaal-variant van mercātus. Het betekende ‘markt, handel’. In de Romaanse talen ontstonden er o.a. het Franse marché, het Spaanse mercado en het Italiaanse mercato uit.
Terug naar het Germaanse *markāt. In de late middeleeuwen werd dat in onze contreien eerst market. Later viel de e weg. Zo kreeg je marct. In sommige regio’s gingen mensen dat uitspreken als marcht.
In het oosten gebeurde er nóg iets met de uitspraak. De a veranderde in een e: marct werd merct en later mert, en marcht werd mercht. Die e breidde zich uit naar het westen, maar de opmars stopte bij een rivier. Die rivier liep van zuid naar noord: de Donge. Dat was lang niet zo’n grote als de Maas en de Waal. Maar in de middeleeuwen was de Donge wel een grote horde. Er waren weinig bruggen. Was het niet per se nodig, dan liep je niet uren naar zo’n brug. Daardoor hadden mensen relatief weinig contact met de overkant van de Donge. Dat heeft een groot effect gehad op de Brabantse dialecten.
Er zijn allerlei Brabantse oost-west-verschillen die komen door de Donge, al zijn sommige grenzen later wel iets verschoven. Zo zeggen ze in het westen akker en boekske, maar in het oosten ekker en buukske. En het woord voor ‘hè’ is in het westen heej, eej, of ej, maar in het oosten wánne, wònne, war of wòr.