Zundert, voorjaar 1944: de herinneringen van mijn vader
In de periode waarin de geallieerden massaal bommenwerpers naar Duitsland stuurden, werd nogal eens een vliegtuig uit de lucht geschoten. Zoiets gebeurde, voor zover Jan zich uit de verhalen herinnert, ergens in het voorjaar van 1944. Ik zal zijn herinneringen vergelijken met gegevens uit andere bronnen, waaruit we iets kunnen leren over de manier waarop mensen dramatische ervaringen in een verhaal verwerken.
Een Duits luchtafweergeschut, verdekt opgesteld in de Moerse bossen ten noordwesten van Zundert, schoot op zekere nacht raak. Het toestel stortte neer in de buurt van het Rieteboske gelegen aan de Achtmaalseweg, niet ver van de plek waar de Kleine Beek onder de Achtmaalseweg doorloopt. Een bemanningslid, kennelijk de piloot, overleefde de crash en heeft vervolgens stroomafwaarts de loop van de Kleine Beek gevolgd. Wel pienter van hem, want op deze wijze kwam hij het snelst in bewoond gebied. Na een tweetal kilometers in oostelijke richting ontwaarde hij in het donker een boerderij waar hij op een slaapkamerraam klopte. Het was de boerderij van de familie Schrauwen aan de Biggelaarstraat.
De drie zonen Schrauwen – Kees, de toen dertigjarige vader van mijn vader, Janus van 42 en Jan van bijna 28, de ooms van mijn vader – hebben zich over de vliegenier ontfermd en hem in de paardenstal onder het hooi verstopt. De familie kende enkele personen van de ondergrondse en hebben meteen melding gemaakt van de ontstane situatie. In de vroege avond ging Kees steeds de paarden voeren en liep dan met emmers water en haver over het over het boerenerf. Onder in de emmer met haver zat het eten voor de vliegenier verstopt. Deze gang van zaken bracht best wat risico’s met zich mee. De Duitsers waren namelijk nog op zoek naar een of meer inzittenden van het vliegtuig. Maar met de smoes dat hij de dieren ging voeren, namen de Duitsers genoegen.
Na een tweetal dagen kwam Cas J.B. van Erck (1921-1985), lid van de ondergrondse beweging in Zundert, de vliegenier ophalen. Met zijn tweeën reden ze op de fiets, gestoken in onopvallende kleding, ’s middags over Wernhout naar een boerderij niet ver over de Belgische grens. Deze boerderij lag op de vluchtroute naar het zuiden. Op Wernhout, in een boerderij tegenover de kerk, woonde ook een familie Schrauwen. Dat waren de oom en tante en neven en nichten van de familie Schrauwen uit de Biggelaarstraat. Die vertelden nadien dat ze Cas van Erck, vergezeld van een hun onbekende man, over de Wernhoutseweg hadden zien fietsen in de richting van België. Na de bevrijding werd verteld dat een deel van de vluchtroute was opgerold, tot bij de Belgische boer, die werd gefusilleerd. Na de oorlog stuurde de Canadese regering de familie Schrauwen een dankbetuiging, maar die bleef niet bewaard. Tot zover de herinneringen van mijn vader Jan Schrauwen, op basis van de verhalen die hij van zijn familieleden hoorde.
Dat dit allemaal echt is gebeurd, wordt bevestigd door de vragenlijst die mijn oma, Nelleke Schrauwen-Martens, na de oorlog, op 19 juli 1946, invulde voor de militaire inlichtingendienst van het Amerikaanse leger en die bewaard wordt in de National Archives in Washington. Hierin verklaart zij: ‘In ’t voorjaar van 1944 is op ’n morgen bij ’t aanbreken van de dag ’n Amerikaansche vliegenier aangekomen. Na hem een schuilplaats in de schuur van mijn boerderij te hebben gegeven, hebben we hem in verbinding gesteld met den Heer C. v. Erck (…), welke hem verder heeft getransporteerd.’ Ook tekent ze aan dat de “vliegenier” ‘gedurende twee dagen (…) op ’t bedrijf is geweest.’ Deze informatie werd door de inlichtingendienst vertaald in het Engels en zal uiteindelijk hebben geleid tot de bedankbrief – niet namens de Canadese regering maar namens die van de Verenigde Staten – aan de familie Schrauwen, die uiteindelijk niet bewaard is gebleven.
Wat er is gebeurd
Toch zit wat er werkelijk gebeurd is, net iets anders in elkaar. Ik volg hierna de informatie over neergestorte vliegtuigen in Zundert op de website van het BHIC van 2012 en de bevindingen van Paul de Rooij in zijn onderzoek uit 2018 naar neergekomen vliegtuigen in de gemeente Zundert en Rijsbergen. In Achtmaal en bij de boerderij van de familie Schrauwen, tussen Achtmaal en Zundert, stortten in de herfst van 1943 en de lente van 1944 in totaal drie vliegtuigen neer. Op 22 oktober 1943 tegen 8 uur ’s avonds schoot Duits luchtafweergeschut – dat Flak werd genoemd, afkorting van Flugabwehrkanone – een Halifax-bommenwerper uit de lucht die op weg was voor een bombardement op Kassel. Het vliegtuig brak al in de lucht in de stukken en de brokstukken kwam terecht in een groot gebied bij de Groenestraat, ten zuidoosten van Achtmaal. Alle acht bemanningsleden, Canadezen en Britten, kwamen om. Vermoedelijk is dit verhaal de bron van de crash veroorzaakt door Duits luchtafweergeschut. Op 27 april 1944 stortte een Britse bommenwerper neer tussen Achtmaal en Zundert, vlak bij de boerderij van Schrauwen. Het ging om een Lancaster III op de terugweg van een missie waarbij de Krupp-fabrieken in Essen werden gebombardeerd. Het toestel werd geraakt door een Duitse nachtjagerpiloot. Het werd dus niet door luchtafweergeschut maar door een Duits vliegtuig neergehaald. Midden in de nacht, net na 2 uur, kwam het vliegtuig neer in de buurtschap Driehoek. Alle zeven bemanningsleden, de meeste jonge twintigers, verloren het leven en werden op het protestantse kerkhof in Zundert begraven. Deze crash gebeurde weliswaar op een boogscheut van de boerderij van Schrauwen, maar omdat er geen overlevenden waren, kan dit niet de bron zijn van het verhaal van de verstopte ‘piloot’. Nog geen vier weken later, op 22 mei 1944, stortte, weer om twee uur ’s nachts, opnieuw een Lancaster neer die terugvloog van een bombardement boven Duisburg, dit keer bij de Laveibosstraat 3, ten zuidwesten van Achtmaal. Opnieuw slaagde een Duits jachtvliegtuig erin de bommenwerper neer te halen. Die raakte het dak van het huis van de familie Van Dijck, dat hierdoor zwaar beschadigd werd. Vijf van de zeven bemanningsleden, onder wie de piloot, waren op slag dood en werden eveneens begraven in Zundert. Maar twee bemanningsleden, boordwerktuigkundige Sgt. W.H. Leaney en bommenrichter F/O E. O’Donoghue, maakten een parachutesprong en overleefden de crash wél. Leany werd meteen krijgsgevangen gemaakt, maar O’Donoghue wist aanvankelijk uit handen van de Duitsers te blijven. Was hij het die erin slaagde te voet de boerderij van de familie Schrauwen te bereiken, 6 km naar het noordoosten vanaf de crashsite? Het lijkt erop, al was hij geen piloot – maar zo noemde de bevolking toen ieder bemanningslid. Volgens de website van het BHIC ‘kwam hij terecht in een door de Duitsers geïnfiltreerde pilotenlijn. Een paar weken later, op 8 juni 1944, werd hij echter alsnog gearresteerd in Antwerpen. Zowel Leany als O’Donoghue overleefden de oorlog in krijgsgevangenschap.’ Maar het onderzoek van De Rooij helpt ons uit de droom: hij was niet degene die bij de Schrauwens terechtkwam. O’Donoghue landde met zijn parachute namelijk niet in Achtmaal maar ergens in de buurt van Brasschaat. Daar verbleef hij enkele dagen bij een boer, waarna hij op 26 mei 1944 op de fiets naar Antwerpen is gebracht. Wat wel weer klopt, is dat hij in de door de Duitsers geïnfiltreerde pilotenlijn is terechtgekomen en is gearresteerd. Maar wie was dan wel de “piloot” die bij de familie Schrauwen aanklopte? Dat heeft Paul de Rooij achterhaald uit het dossier dat na de oorlog diende om Cas van Erck te eren voor zijn hulp aan neergestorte Amerikaanse vliegeniers. Volgens de vragenlijst die Van Erck op 16 maart 1946 invulde, blijkt het te gaan om Ernest H. Jones. Hij was waistgunner ofwel een van de twee ‘zijschutters’ die in de buik van een Amerikaanse B17-bommenwerper dit ‘vliegend fort’ moesten beschermen tegen vijandelijke aanvallen. Jones maakte deel uit van de bemanning van de B17 die op 23 maart 1944, op de terugweg van een bombardementsmissie naar Münster, uit het gehavende en brandende toestel moest springen. Aanvankelijk kon de bemanning niet ontdekken wat er mis was, hoewel zij een brandlucht rook. Toen de bommenwerper de Duits- Nederlandse grens bereikte, brak er brand uit in een vleugel. Het toestel vloog verder in de richting van Rotterdam en de Noordzee, maar toen de piloot merkte dat ze Engeland niet meer zouden halen, is het toestel naar het zuiden afgezwenkt en langs Roosendaal in de richting van Antwerpen gevlogen. Uiteindelijk is het ten noorden van Dinant neergestort. Het is niet duidelijk waar Jones met zijn parachute is geland. Een indicatie is dat medebemanningslid Roger J. Blake in zijn evaluatieformulier vermeldde dat hij op ongeveer vijftien kilometer ten noordwesten van Breda is terechtgekomen. Omdat normaliter de piloot aan de gehele bemanning tegelijk het bevel gaf het vliegtuig te verlaten, zullen de bemanningsleden niet lang na elkaar uit de bommenwerper zijn gesprongen. Guido Van Wassenhove vermeldt echter: ‘Ten zuiden van Breda zijn vier bemanningsleden uit het toestel gesprongen en kort daarop de rest van de tienkoppige bemanning.’ Vliegtuigbemanningen werd geleerd geen contact te maken met burgers en met gebruikmaking van kaart en kompas te proberen zich naar het zuiden te verplaatsen. Jones liep twee dagen en nachten naar het zuiden en kwam in Achtmaal terecht. Daar kwam hij uit bij boer Kees Schrauwen aan de Biggelaarstraat in Zundert. Op de vragenlijst gaf Van Erck aan dat Jones ‘6 tot 4 uur’ bij ‘C. Schrouwen’ (sic!) zou zijn gebleven. Dat moet dus op 25 maart 1944 zijn geweest. Moeder Schrauwen schrijft in 1946 dat de Amerikaanse vliegenier twee dagen op de boerderij is gebleven en dat lijkt aannemelijker: het vervoer en het regelen van vervolgonderdak voor een ‘piloot’ vergde immers voorbereiding en coördinatie, en dan is twee dagen reëel. Dan klopt ook het verhaal dat het eten voor de verstopte vliegenier naar de stal gebracht moest worden. Vervolgens hebben Jan Goetstouwers (1921-2012) en Cas van Erck, allebei op dat moment nog geen 23 jaar oud, Jones opgevangen en over de Nederlands-Belgische naar de boerderij van Jan Jochems (1891-1944) in Loenhout gebracht. De dag voor zijn aankomst waren bij Jochems al drie andere leden van de bemanning gepasseerd. Het is mogelijk dat de familie Schrauwen uit Wernhout Cas van Erck en Jones hebben zien fietsen. Vanuit Zundert liep de pilotenlijn via Wernhout naar Loenhout en vandaar via de Lentsebaan, die ook gebruikt werd voor de escape line naar Wuustwezel. De Duitsers hadden ontdekt dat de zoons van Jan Jochems geallieerde bemanningsleden hielpen. Drie weken na de passage van Jones is Jan Jochems gearresteerd en overgebracht naar de gevangenis in Antwerpen om hem te dwingen zijn zoons aan te geven. Hij weigerde. De Duitsers hebben Jan Jochems toen overgebracht naar het concentratiekamp Buchenwald in de buurt van Weimar en vervolgens naar KZ Dora-Mittelbau, waar hij op 6 november 1944 overleed. De Duitsers infiltreerden de hele pilotenlijn vanaf Braken onder Wuustwezel, die bekend stond als de KLM-lijn. Zij lieten de lijn intact met behulp van een Belgische collaborateur en vingen de geallieerde bemanningsleden op in Antwerpen, waar ze werden gearresteerd, zoals de hiervoor genoemde O’Donoghue. Na arrestatie poogden de Duitsers de bemanningsleden zo veel mogelijk informatie te ontfutselen, waarna ze werden afgevoerd in krijgsgevangenschap. Ook Ernest Jones werd gepakt: hij werd op 2 mei 1945 door zijn landgenoten bevrijd in het beruchte krijgsgevangenenkamp Stalag XVII-B in Krems in Oostenrijk. Van Erck werd na de oorlog voor zijn hulp aan neergestorte Amerikaanse vliegeniers beloond met het certificate Grade 5 (nr. 22340). In de familie Schrauwen zijn de verschillende gebeurtenissen rond neerstortende vliegtuigen tot één herinnering samengeklonterd. Dit is een veelvoorkomend verschijnsel wanneer mensen of een familie herinneringen aan traumatische gebeurtenissen al vertellend proberen te reconstrueren. Juist door een verhaal vaak te vertellen raken afzonderlijke gebeurtenissen versmolten tot één verhaal. In dit geval kunnen we duidelijk nagaan waar de elementen in de herinneringen van Jan Schrauwen vandaan komen: de rol van het Duitse luchtafweergeschut komt van de eerste crash, de crash in de buurtschap vlakbij hoort bij de tweede crash en het verhaal van de ‘vliegenier’ die bij de boerderij aanklopte en op een pilotenlijn werd ‘gezet’, moet horen bij een derde crash. Zelfs het detail dat de pilotenlijn werd opgerold, klopt, al werd de betrokken Belgische boer niet gefusilleerd, maar kwam hij om in een Duits concentratiekamp. Gelukkig kunnen we nu dankzij door de gedigitaliseerde bronnen in de Amerikaanse National Archives de tachtig oude herinneringen van mijn vader bevestigen en aanvullen met relevante details.
Zundert, oktober 1944
Maar hiermee was de oorlog voor de familie Schrauwen zeker niet voorbij. Tegen de herfst van 1944 naderen de geallieerde troepen vanuit het zuiden de Nederlandse grens. Er wordt op diverse fronten strijd geleverd. Eerst beweegt het front zich in de richting van Oost-Brabant, dat vanaf 17 september met veel moeite wordt bevrijd. Op 20 oktober bereikt de strijd met Operatie Suitcase ook het westen van Noord-Brabant: vanuit het zuidwesten, beginnend ten zuiden van Wuustwezel, moet met een omtrekkende beweging West-Brabant en Zeeland bevrijd worden om zo het gebied rondom de Westerschelde te veroveren. Dan is de belangrijke vaarroute naar de haven van Antwerpen vrij voor transport van manschappen, voertuigen en allerhande andere zaken die de geallieerden hard nodig hebben. Het eerste doel is het gebied rond Bergen op Zoom en Roosendaal in te nemen. Twee dagen later, op 22 oktober, start bij ’s-Hertogenbosch Operatie Pheasant met als doel vanuit Oost-Brabant de steden en dorpen in Midden- en West-Brabant te veroveren.
De Duitse bezetters proberen uiteraard de opmars van de geallieerden te stoppen en leggen op strategisch belangrijke plekken verdedigingslinies aan. Dat gebeurde ook op de akkers van de familie Schrauwen aan de Biggelaarstraat in Zundert. De laaggelegen weilanden van deze boerderij strekken zich uit tot aan de Kleine Beek. Tegen de weilanden lag het hoger geleden akkerland. Op de hoge rand tegen de weilanden bevond zich een houtwal ter lengte van ruim 250 meter, 10 tot 12 meter breed. In en vlak voor deze wal graven de Duitsers 285 schuttersputten, zo blijkt uit een naoorlogse rekening van de Heidemij. Deze linie is strategisch gezien een sterke zet van de Duitsers. De Biggelaarstraat is weliswaar een doodlopende straat, maar van hieruit kan men, eenmaal over de Kleine Beek, na enkele honderden meters doorstoten naar de Rucphenseweg en zo optrekken in de richting van Roosendaal en Bergen op Zoom.
De familie Schrauwen ziet een en ander gebeuren en maakt een schuilkelder in de diepe sloot die achter de boerderij begon. Op de kelder komt een dak van een halve meter dik, bestaande uit zware balken, plaggen en veel aarde.
Na twee dagen hevige strijden bereiken de geallieerden op 23 oktober het Belgische grensdorp Wuustwezel. In de opmars wordt overeenkomstig het krijgsplan de plaats van de Britse 49ste infanteriedivisie The Polar Bears overgenomen door de Amerikaanse 104de infanteriedivisie Timberwolves. Deze eenheid trekt in de richting van Achtmaal en dan naar Zundert. Vooruitgeschoven waarnemers van de Timberwolves ontdekken de stelling achter de boerderij. Kort daarna gieren enkele granaten over de boerderij in de richting van de Kleine Beek. De familie Schrauwen vindt de schuilkelder niet veilig genoeg en vlucht naar de betonnen kelder van naaste buurman Jac Godrie. Daarin liggen bedden en er is eten. Na enkele dagen met veel beschietingen wordt het rustig.
Dan komt het moment dat de kelderdeur wordt opengegooid. Eén van de zonen van Jac Godrie – Frans of Nilles –, die uit Zundert komt, roept: ‘Zundert is bevrijd, kom er maar uit.’ Groot is de vreugde en iedereen is dolblij en roept ‘hoera’ op deze 27ste oktober 1944. Helaas is de vreugde van korte duur.
Op woensdagmiddag 8 november bewerkt vader Kees met paard en ploeg een perceel akkerland, gelegen op zo’n kleine driehonderd meter van de boerderij. De grond wordt zo gereedgemaakt voor het inzaaien van graan. Hij heeft zijn zoontje Jan, bijna drie en een half jaar oud, meegenomen en die gaat spelen aan de rand van de akker, bij de heg. Iets voor vier uur stuurt hij Jantje naar huis met de boodschap dat ze kunnen gaan eten en daarna de koeien te melken. Hij moet nog even ploegen en dan is het werk klaar. Maar hij zal het karwei nooit afmaken.
Als de familie aan tafel zit, is er plotseling een zware ontploffing. Alle ruiten zijn stuk en de dakpannen schuiven van het dak. Iedereen vlucht naar buiten behalve kleine Kees, elf maanden oud. Buiten zien ze in de richting van het geploegde land alleen maar rook en vuur. Precies op dat stuk land is een V-1 neergestort, een door de Duitsers gelanceerde vliegende bom met Antwerpen als doelwit. Allemaal lopen ze naar de plek des onheils. Kleine Jan wordt tegengehouden door opa of oma. Dan blijkt dat vader Kees door een brokstuk metaal zwaargewond is aan zijn hoofd. Op een brede ladder met planken wordt hij naar de boerderij gebracht en op bed gelegd. Enige tijd later wordt hij per auto overgebracht naar het Sint-Elisabethgesticht van de zusters Franciscanessen in Zundert. Daar is hij nog in de loop van de avond overleden. Vader Kees werd slechts dertig jaar. Hij liet echtgenote Nelleke en vier heel jonge kinderen, Frans, Net, Jan en Kees, na.
Verdriet
Na de oorlog wordt de schade aan en rond de boerderij hersteld. De Nederlandse Heidemij herstelt begin 1946 het bomgat van de V 1 – 78 vierkante meter groot en 1,25 m diep – en vult ook de 285 schuttersputten en 65 granaattrechters in de percelen rond de boerderij op de Biggelaar weer op. Nelleke bleef met haar kinderen op de boerderij wonen. Afgezien van het intense verdriet was ze volkomen afhankelijk van haar schoonouders en zwagers. Ze had geen eigen inkomen en geen weduwenpensioen. Ze had niets in te brengen en naast de zorg voor haar kinderen werkte ze van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Pas als ze te bed lag, had ze rust. Ze deelde nooit haar verdriet, hoewel dat groot was. Ik heb van mijn vader gehoord dat hij haar, als alle kinderen in bed lagen, in zichzelf hoorde praten. Mijn pa vertelde me ook dat er in het gezin veel boosheid was tegen de ‘moffen’ én tegen collaborateurs. Toen hij een jaar of negen, tien was, wilde hij een collaborateur die in de buurt woonde, uitschelden. Maar hij kreeg van zijn moeder te horen: ‘Jantje, dat mag niet!’ Mijn pa had het verhaal over het verlies van zijn vader eerder willen delen, maar zijn broer Frans wilde dat niet. Zijn emoties werden hem dan te veel. Elk jaar op 4 mei wordt Kees Schrauwen herdacht en komen we bijeen bij zijn graf. Het is goed om te herdenken en er nu wel samen over te spreken, zodat het verdriet eindelijk gedeeld wordt. Bronnen Washington DC, National Archives and Records Administration, Record Group 498: Records of Headquarters, European Theater of Operations, United States Army (World War II), Case files of Dutch Citizens Proposed for Awards for Assisting American Airmen: Ethier, E., ’Stalag 17-B’ op www.americainwwii.com/articles/stalag-17-b/ (geraadpleegd 12 september 2024). De Rooij, P. M., Airmen in Zundert en Rijsbergen 1940 – 1945, Zundert, 2018. ‘Timberwolves’ op www.militairhistorischmuseumachtmaal.nl/timberwolves/ (geraadpleegd 22 juli 2024). ‘Vliegtuig route’ op www.militairhistorischmuseumachtmaal.nl/vliegtuig-route/ (geraadpleegd 12 september 2024). Van Wassenhove, G., Wuustwezel en Loenhout in de Tweede Wereldoorlog, Wuustwezel, 1985. Op www.getuigen.be/Getuigenis/Thienpondt-Jaak/index.htm (geraadpleegd 12 september 2024). Wols, R., ‘Neergestorte vliegtuigen in Zundert 1940-1945’, 2012. Op www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/neergestorte-vliegtuigen-in-zundert-1940-1945 (geraadpleegd 22 juli 2024).