Al vanaf mei hield het beleg de stad volledig omsingeld, afgesloten van de buitenwereld. Zowel soldaat als burger werden stevig onder vuur genomen door kanonnen. Herhaaldelijk vlogen er projectielen de stad in waarbij aanzienlijke schade werd aangericht. Graaf Hendrik van den Bergh slaagde er niet in om de stad te ontzetten, noch de belegeraars af te leiden met een inval op de Veluwe. Binnen de stad was informatievoorziening beperkt, de stedelingen waren aangewezen op onderschepte brieven en geruchten. De voorraad buskruit was bij aanvang van het beleg beperkt en slonk naarmate het beleg vorderde.
Begin september ontving de bisschop Michaël Ophovius (1570 – 1637) het verontrustende bericht dat sommige soldaten binnen de stad verraad en zelfs opstand overwogen. De militair gouverneur van de stad, Anthonie Schetz van Grobbendonck (1564 – 1640), weigerde in eerste instantie om gehoor te geven aan deze groeiende onrust. Eerdere pogingen door de Republiek om de stad in te nemen waren immers mislukt, een verlies van dit bolwerk leek dan ook ondenkbaar. Toen uiteindelijk in de vroege ochtend van 11 september een bres werd geslagen in de zuidelijke stadsmuur verzamelde de Bossche burgerij zich in paniek bij het huis van de bisschop. De hoofden van kerken en kloosters in de stad werden bijeen geroepen om te pleiten voor een wapenstilstand. Aangekomen bij het stadshuis stemde Grobbendonk in met een staakt-het-vuren.
Het was aan de bisschop Ophovius die zich als herder over zijn kudde schapen ontfermde. Als boegbeeld voor de Bossche burgerij ging hij enkele dagen later naar de vredesonderhandelingen aan tafel met de geduchte tegenstander Frederik Hendrik van Oranje-Nassau. De reis was niet zonder gevaren. Hij werd ontvangen door de prins van Oranje en diverse leden van de Staten-Generaal in Vught. Er was volgens de bisschop reeds een ongelooflijke menigte Hollanders aanwezig. In zijn dagboek noteerde hij dat hij voor de vrouwelijke religieuzen de gunst verkreeg dat zij konden blijven en in het genot van hun goederen bleven. De mannelijke religieuzen mochten ook in het genot van hun goederen blijven, maar moesten de stad binnen de termijn van twee maanden verlaten.
“13 september. De afgevaardigden van de magistraat, de raad en drie leden zijn naar mij gekomen en vroegen mij om naar de prins en de staten[leden] te gaan etc.
Ik heb gezegd dat ik de herder ben en de verplichting heb om de kudde met mijn leven te verdedigen, dat ik graag zal gaan etc. […]”
De burgerlijke capitulatie van 1629
De onverslaanbaar geachte stad ‘s-Hertogenbosch was gevallen. De opeenvolgende weken na overgave waren rumoerig. Het nieuws van een doorbraak verspreidde zich als een lopend vuurtje door de Lage Landen. In het noorden heerste er euforie. De verovering gold als een van de grootste militaire successen van de Republiek tot dan toe. Er werden talloze zegezangen, lofdichten en triomfgedichten opgedragen aan Frederik Hendrik van Oranje-Nassau (1584 – 1647) na het succesvolle beleg van ’s-Hertogenbosch.
In de stad zelf heerste er onzekerheid. Wellicht opluchting dat het vuren is gestaakt, maar ook angst voor wat er komen zou. De oorlog woedde voort in Brabant, gekenmerkt door retorsie. De ruiterijen van beide oorlogvoerende partijen drongen plunderend in het gebied van de tegenstander om contributie te heffen, een afkoopsom waardoor de plaatselijke bevolking werd vrijgesteld van vijandigheden. Zowel Haagse autoriteiten als Brusselse autoriteiten eisten het recht op om in eigen gebieden vrijbrieven te verstrekken. Er waren dubbele aanspraken bij de benoeming van schouten en twisten over bezittingen van kerken, kloosters en geestelijke goederen.
Op 14 september 1629 waren de afspraken rond tussen enerzijds het oude stadsmagistraat en geestelijkheid en anderzijds de gedeputeerden van de Hoog Mogende Heeren Staten-Generaal en Zijne Prinselijke Excellentie Frederik Hendrik van Oranje-Nassau. De burgers en inwoners van de stad behielden hun oude rechten, vrijheden en privileges. Volgens deze overeenkomst droegen de Staten-Generaal en stadhouder Frederik Hendrik de zodanige jurisdictie en gerechtigheid uit die voorheen toebehoorden aan de hertogen en hertoginnen van Brabant. Daarnaast mocht er voortaan enkel een gouverneur of plaatsvervanger aangesteld worden afkomstig uit het huis van Nassau, of een andere Nederlandse heer of landzaat.
Door de jurisdictie en gerechtigheid toe te eigenen die voorheen altijd aan de hertogen van Brabant hadden toebehoord, presenteerde Frederik Hendrik zich als een opvolger van het oude landsheerlijke gezag. Het was een claim die voor de landvoogdes van de Zuidelijke Nederlanden, Hare Doorluchtige Isabella Clara Eugenia (1566 – 1633), onacceptabel was. In haar ogen en die van haar Spaansgezinde bijstanders waren diegenen die aan de capitulatie hadden meegewerkt verdacht van landsverraad.
De ironie van de prille ongemakkelijke verzoening geleid door katholieke bisschop Ophovius was ook protestantse tijdsgenoten niet ontgaan. Toen het verraderlijke gerucht van tweespalt tussen de gouverneur Van Grobbendonck en de bisschop Ophovius tijdens de belegering door de straten van ’s-Hertogenbosch werd verspreid, was dat rampzalig voor de geloofwaardigheid van de Bossche weerstand. Na het beleg werd dit gegeven nog eens extra aangedikt in de Staatse propaganda. De overgave van ’s-Hertogenbosch werd visueel verbeeld in de prentkunst, onder meer in de voorstelling van Crispijn van de Passe (1564 – 1637).

De Staatsgezinde Crispijn van de Passe de Jongere had zijn meesterproef in Parijs afgerond en werkte daarna tien jaar als succesvol graveur in deze stad. Hij keerde toevallig in 1629 terug naar zijn ouderlijk huis in Utrecht, in een gespannen situatie van oorlog. De inval op de Veluwe werd in die zomer ternauwernood tegengehouden. In Utrecht produceerden vader en zoon Van de Passe als prentuitgevers een reeks politieke prenten waarbij de militaire overwinningen van de Republiek werden uitvergroot. Zo zien we een allegorische voorstelling van de verovering van ’s-Hertogenbosch. Het beleg van ’s-Hertogenbosch werd in kaart gebracht. Het Hollands Triomff – Tonneel. We zien van links naar rechts: de Prins van Orangien, de bissch[op] Ophovius, de Bosscher Maeght en G[ouverneur] Grobbendonck. De brutale inname van de stad werd als een huwelijk gevierd.
Op de prent neemt Frederik Hendrik een uitdagende pose aan, klaar om de hand te nemen van de bruid. De bisschop staat tussen beiden en zegent het huwelijk. Hij kijkt samen met de prins rechtstreeks naar het publiek. De Bossche maagd is een allegorie voor de nog nooit ingenomen stad. In haar linkerhand is een Habsburgs wapenschild te zien met de tweekoppige adelaar. Ze heeft ook een bijzonder kroontje op haar hoofd, dat verdacht veel lijkt op de Sint Janskathedraal. Boven de Prins van Oranje en de Bossche maagd hangt een lauwerkrans. Grobbendonck staat half achter de Bossche maagd en geeft haar uit handen aan de Prins van Oranje. Zowel de Bossche maagd als Grobbendonck kijken naar de Prins. De een in toenadering en de ander keert zich af.
Daarnaast zien we aan de zijkanten op de prent de kleinere militaire overwinningen die geleid hebben tot de succesvolle inname van ’s-Hertogenbosch. Op de linker zuil (van boven naar beneden) zijn twee kaarten zichtbaar met het opschrift: ‘Grol (Groenlo)’ en ‘Wesel’. Op de rechter zuil (van boven naar beneden) zijn twee kaarten zichtbaar met het opschrift: ‘vlucht van de veluwe’ en ‘P.P. Vloot.’ Op deze kaarten staan landsoldaten en schepen. Onder de voorstelling is een divers publiek te zien met allerlei verschillende costumen met het bijschrift: ‘D’Inwoonders van het Lant, met een helder gheluyt, Wenschen den Prins valjant, gheluck met zijne Bruyt.’
Aan weerszijden van de voorstelling zijn portretten van de belangrijkste opdrachtgevers zichtbaar. Aan de linkerkant staan de volgende portretten van boven naar beneden: Paltsgraaf Frederik V, koning van de Bohemen, Prins van Oranje Frederik Hendrik en Ernst Casimir, graaf van Nassau. Aan de rechterkant staan de echtgenotes, met de volgende portretten van boven naar beneden: Paltsgravin Elizabeth koningin van de Bohemen (1596 – 1662, Prinses van Oranje Amalia van Solms (1602 – 1675) en Sophia Hedwig von Braunschweig-Wolfenbüttel, gravin van Nassau (1592 – 1642).
De militaire capitulatie van 1629
Er werd een apart verdrag opgesteld voor de voormalig militair gouverneur Anthonie Schetz van Grobbendonck en Spaansgezinde soldaten. De verliezende partij moest per direct de stad verlaten. Op 17 september werd er een spectaculaire uittocht georganiseerd. Grobbendonck, alle legerofficieren en soldaten zouden zonder enige verstoring of verhindering de stad verlaten. Niemand was daarvan uitgezonderd, van welke kwaliteit of conditie, of ze nu te paard of te voet waren. Zelfs niet al hadden zij de dienst van de zuidelijke Staten Generaal verlaten en gaven zich over namens de koning van Spanje. Zij zouden vertrekken met wapenen en bagage. De ruiterij blies af op de trompet. De vaandeldragers waren volledig uitgerust met banier met de wapens in de hand. De infanterie sloeg op de trommels, met de vlag hoog. Het lont van kanonnen werd afgestoken aan beide uiteinden. Kogels werden in de mond van de geweren geladen, klaar om afgevuurd te worden. In deze orde, zoals zij gebruikelijk in de strijd marcheerden, zo bliezen zij de aftocht. Dit deden zij met heel hun goed en lijf, veilig tot aan de stad Diest.
Een van de eerste Staatsgezinde geschiedenissen over dit beleg spreekt over een ongelooflijke volksoploop nadat de stad gevallen was. Zo claimt de geschiedschrijver dat uit de provincies en steden het volk toestroomde om de overwinnaar Frederik Hendrik te zien:
“17 september […] De overwinnaar had bevolen niet ver van de stad een tent op te zetten. Van hieruit aanschouwden de koning en koningin van Bohemen, de prins van Denemarken, de hertogen van Würtemberg en Holstein en vele anderen die bij alles als getuigen aanwezig waren geweest goedkeurend het zeer fraaie verloop van de dag en de algemene blijdschap. Bij deze grote toestroom van het volk zag hijzelf, de hoofdpersoon, de kledij van de gewone soldaat waardoor hij bij beoordelaars van moed en succes het meeste opviel, samen met zijn gemalin de eerbied voor hem en zijn overwinning in ieders ogen.”
De aftocht was weliswaar een zichtbare vernedering voor de verliezende partij, maar er zat ook een de-escalerende logica achter. Het leger en de inwoners van de stad werden van elkaar gescheiden om chaos te vermijden. De belegeraars verbleven tijdens deze dagen in de loopgraven en fortificaties. Iedere daad van toenadering of hostiliteit werd verboden. Ter verzekering of deze afspraak werd nagekomen werden er gijzelaars uitgewisseld. Al deze afspraken werden gemaakt om te laten zien dat de Republiek een veilige machtsoverdracht kon garanderen. Zo meldt de geschiedschrijver:
“Onze soldaten hadden het bevel gekregen zich ongeveer aldus op te stellen. Binnen de loopgraven ging een groot deel van het voetvolk staan om de vertrekkenden te beschermen en om overeenkomstig de voorwaarden van het verdrag onrecht te verhinderen. Erbuiten en op de heide stond de ruiterij die in opdracht van de generaal dezelfde taak had.”
Stadhouder Frederik Hendrik van Oranje-Nassau maakte vrijwel meteen de dag erop zijn eerste Blije Intrede. Er werd een vlag uitgehangen in de kleur van de Prins van Oranje boven in de hoogste toren van de Sint-Jan. Een dag later volgde de eerste calvinistische dienst in het Sint-Jan. Ook Crispijn van de Passe heeft de uittocht bewonderenswaardig in beeld gebracht.

“Siet hier in dit TONNEEL hoe dat de BOSCHE MAEGHT Den PRINS haer Maeghdom oudt, en sleutels self opdraeght Den STATEN van het Land, haer STADT en schat op geeft Van het spaensche Iock verlost, en nu in vrijheijt leeft.” Op de afdruk is een duidelijke tweedeling zichtbaar met een donker gedeelte aan de linkerkant en een lichter gedeelte aan de rechterkant.
In het donkere gedeelte staat in een tent van links naar rechts: ‘H. van Bredderode, Com. Paven, G.G. Ernest, M. de Aand., G. Graef van Culenb., M. Chatill., Ex: Princ van Orangien; daarna Mater Caem, E. Heer Ophov., Bossche Maeght, H. van Opermyn., Govern. Grobben.’ De overdracht van de stad wordt verbeeld als een ceremonieel moment. Op de prent biedt de Bossche maagd knielend de stadssleutel aan Prins Frederik Hendrik van Oranje-Nassau. Diverse figuren zijn in scène gezet: de bisschop Ophovius, de moeder overste, gouverneur Grobbendonck en diverse hoge heren van de Staten-Generaal. Bij de opklarende lucht staat een opschrift: ‘des vijants uuttocht.’ Op de achtergrond trekken karren met paarden, mensen met wagens en sloepen uit de stad. Soldaten te paard begeleiden de uittocht in goede banen, weg van de stad. Op de voorgrond houdt een soldaat een hond aan de lijn terwijl hij naar de stad kijkt. De hond lijkt zich te richten op het donkere tafereel in de tent. De onderhandelingen werden met argusogen door tijdsgenoten in de gaten gehouden, maar de schat ’s-Hertogenbosch lag binnen handbereik voor de Republiek.
Niet iedereen in de stad was overtuigd door al dit uiterlijk machtsvertoon en sussende woorden. De bisschop Ophovius was op de dag van de uittocht al vroeg bezig om kerkelijke goederen veilig te stellen door deze mee naar het zuiden te sturen. Hij maakte aantekeningen om welke goederen het ging en wie wat gezegd had. Elk gerucht over daadwerkelijke verraders en overlopers werd nauwlettend genoteerd met naam.
“17 september. Vroeg in de morgen zijn 1200 karren verschenen. Ik heb er 4 van genomen en in twee kasten ervan legde ik wat grotere kleinoden van de kerk van Sint-Jan en een zilveren sintjan etc. […] Ik heb de heer gouverneur en zijn echtgenote vaarwel gezegd. Ik heb de Mis gedaan.”
Ook na het beleg leidde Ophovius zo lang het mogelijk was de katholieke mis in de stad, wat tot nieuwsgierigheid leidde bij het vreemde volk van over de rivieren. In zijn dagboek meldt hij het volgende over deze bewogen dagen:
“18 september. Een ongelooflijke toeloop van lawaaierige Hollanders, waardoor de straten de mensen niet konden bevatten. Bij het ontbijt zijn gekomen: de heer drukker Krijp en commissaris Sprons met hun echtgenotes, dochters etc. […] vanwege nieuwsgierigheid etc.
Vroeg in de morgen heb ik de mis gedaan.”
Ophovius vertrok enkele weken later naar het zuiden. Daar werd hij ondervraagd door de Spaansgezinde autoriteiten waarom de stad uit handen was gegeven. Deze slag was dan wel verloren, maar de oorlog was nog niet voorbij. In het dagboek laat Ophovius zien dat hij trouw bleef aan de Spaanse koning en dat hij standvastig bleef in het katholieke geloof. Ook na 1629 bleef hij zich actief inzetten voor de katholieken in de Meijerij.
Tot slot
De verovering van Den Bosch was een daad van militaire dwang, maar de Republiek kon haar overwinning niet uitsluitend op dwang baseren. Zij moest haar gezag legitimeren en de stad incorporeren. Daardoor ontstond een ongemakkelijke verhouding tussen verandering en continuïteit.Uit de capitulatievoorwaarden blijkt dat de inwoners van de stad, zowel burgers als militairen, onderhandelden vanuit een zwakke positie tegenover de belegeraar. Van gelijkwaardigheid was geen sprake. Tegelijkertijd koos de Republiek er niet voor om alle bestaande afspraken aan de kant te schuiven. Oude rechten, vrijheden en privileges werden grotendeels bevestigd, terwijl de Staten-Generaal én Frederik Hendrik zich presenteerden als opvolgers van het oude Brabantse gezag.
Continuïteit kende echter duidelijke grenzen. Diegene die trouw bleven aan de Spaanse troon moesten de stad verlaten. Ondanks haar oude privileges kreeg ’s-Hertogenbosch geen volwaardige vertegenwoordiging binnen het politieke bestel van de Republiek. De wettelijke erkenning van privileges betekende daarom niet automatisch wederzijdse acceptatie. De overgang in september laat zich misschien beter omschrijven en in één beeld vangen als een ongemakkelijke verzoening dan als de bevrijding ofwel de onderwerping. De nasleep van 1629 was geen keuze tussen bevrijding en onderdrukking, maar een proces waarin een militaire verovering werd omgezet naar een nieuw politiek gezag. De nieuwe machthebber moest actief legitimiteit verwerven bij een mondige Bossche burgerij en die kon niet uitsluitend op militaire overwinning en dwang vertrouwen.