“Schennis der eerbaarheid” verwees naar alle seksuele handelingen in de openbare ruimte. Het was ook waar mensen die betrapt werden op seks met een partner van hetzelfde geslacht meestal van beschuldigd werden. Rechtbankverslagen van deze zaken geven een eenzijdig en vertekend beeld van homoseksualiteit, maar geven daardoor wel inzicht over hoe homoseksualiteit in de negentiende eeuw werd gezien.
Op heterdaad betrapt
Het rechtbankverslag van de veroordeling van Schippers en Lommers geeft een uitgebreid verslag van de gebeurtenissen, verteld door drie getuigen. De getuigen, drie mannen genaamd Bakkers, Dickmans en Vorselaars, zien Francis Schippers in een herberg in Tilburg op de avond van 3 augustus 1860. Ze kennen hem en weten dat hij bekend staat als “verdacht staande van ontucht plegen met zijne geslachtsgenooten” en willen hem daarop betrappen. Zodra Schippers met Johannes Lommers de herberg verlaat, komen de drie getuigen in actie. Bakkers en Vorselaars gaan de richting op waar Dickmans de twee verdachten heen had zien gaan. Ze komen langs een sloot, afgezet door een heg. Hier hoort Bakkers geritsel. Wanneer hij hier op af gaat, vindt hij de twee mannen in een verdachte positie: zij staan tegen elkaar aan, met de broek naar beneden.
Bakkers grijpt een van de mannen en herkent hem als de tweede verdachte, Johannes Lommers. Ondertussen rent Schippers weg, maar hij wordt gezien en herkend door Vorselaars. Lommers wordt ter plekke aangehouden door Bakkers en Dickmans. Schippers vertoont zich later op de avond weer in dezelfde herberg, waar hij waarschijnlijk ook wordt aangehouden. Het rechtbankverslag benadrukt dat het een heldere avond was en de getuigen dus goed de verdachten konden herkennen. De twee verdachten ontkennen alles, maar hun verhalen komen niet overeen. Schippers stelt dat hij wel met Lommers heeft gesproken en met hem de herberg heeft verlaten, maar dat hij is doorgelopen toen Lommers onderweg zijn broek uitdeed. Lommers, daarentegen, stelt dat hij wel in de herberg was, maar nooit met Schippers heeft gesproken.
De twee verdachten worden schuldig verklaard door het gerechtshof. Ze worden allebei veroordeeld tot zes maanden celstraf en een boete van acht gulden, plus de kosten van het gerecht. De straf voor openbare schennis van de eerbaarheid stond op drie maanden tot een jaar.
De openbaarheid van het misdrijf wordt uitvoerig besproken in het rechtbankverslag. Het voetpad langs de sloot waar de verdachten betrapt werden werd betwist door de omwonenden, en was af en toe ontoegankelijk. Desondanks vertrouwt de rechtbank op de getuigenis van Dickmans dat het pad vaak wordt gebruikt en dat de struik waarin de verdachten zich bevonden makkelijk te zien is vanaf het pad. De betekenis van openbaarheid stond wel vaker ter discussie: in een zaak uit 1826 werd bijvoorbeeld besloten dat er alleen sprake kon zijn van openbare schennis van de zedelijkheid als getuigen ongewild met onzedelijke handelingen werden geconfronteerd. Dat is hier niet het geval, want de getuigen probeerden juist met opzet de verdachten te betrappen. Dit roept de vraag op van wat het motief van de getuigen was. Uit het rechtbankverslag is geen sterke motivatie af te leiden, behalve een afkeer van homoseksualiteit. Misschien waren de getuigen ervan overtuigd dat het betrappen van homoseksuelen een morele en nuttige actie was, of misschien wilden ze gewoon graag het recht in eigen handen nemen. Hoe dan ook, hun voornemen om de twee mannen te betrappen toont de discriminatie waar homoseksuelen in de negentiende eeuw mee te maken hadden.
De Code Pénal
Francis Schippers en Johannes Lommers werden veroordeeld onder de Code Pénal, artikel 330. Dit artikel verbood alle seksuele handelingen in de openbare ruimte, en luidde: “Al wie eene openbare schennis van de eerbaarheid of beleediging tegen dezelve begaan zal hebben, zal gestraft worden met eene gevangenzetting voor drie maanden tot een jaar, en eene geldboete van zestien tot twee honderd franken.”
De Code Pénal werd ingevoerd in 1811. Frankrijk viel toen Nederland binnen en maakte de Franse Strafwet hier geldig. Hoewel homoseksualiteit niet strafbaar was onder de Code Pénal, werden homoseksuelen toch met enige regelmaat bestraft voor openbare schending van de eerbaarheid. Vaak had dit meer te maken met de reputatie van de verdachten dan met bewijs. Dit is ook terug te zien in de zaak van Schippers en Lommers: de getuigen verdenken Schippers op basis van zijn reputatie, nog voordat hij daadwerkelijk schennis van de eerbaarheid heeft begaan.
Aan de ene kant betekende de invoering van de Code Pénal een nieuwe maatschappelijke kijk op homoseksualiteit. Homoseksualiteit op zich was niet meer strafbaar, alleen in het openbaar. Ook was het niet meer zo’n groot taboe als in voorgaande eeuwen. Dat is bijvoorbeeld te zien aan de uitgebreidere rechtbankverslagen waarin homoseksualiteit niet meer als crimen nefandum of “stomme stonde” werd omschreven. Hoewel het woord homoseksualiteit nog niet bestond, wordt in het verslag wel expliciet genoemd dat Schippers er bekend om stond “ontucht te plegen met zijne geslachtsgenooten”. Ook zijn de straffen voor betrapte homoseksuelen minder hoog dan in voorgaande eeuwen.
Toch betekende de verandering in wetgeving niet dat homoseksualiteit maatschappelijk geaccepteerd werd. Ondanks dat homoseksuele en heteroseksuele schennis van de eerbaarheid voor de wet gelijk was, werd er in de praktijk gediscrimineerd tegen homoseksuelen. Seksuele handelingen in het openbaar tussen twee mensen van hetzelfde geslacht werden vrijwel altijd strenger bestraft dan tussen een man en een vrouw. Vaak werd hier zelfs de maximale gevangenisstraf voor opgelegd. Ook het taalgebruik in het rechtbankverslag toont de negatieve blik op homoseksualiteit van het gerechtshof. Gelijkslachtige seks wordt omschreven als een “schanddaad” en een “schandelijk bedrijf van ontucht”. Daarnaast toont de houding van de drie getuigen, die Schippers’ reputatie als aanleiding nemen om hem te proberen te betrappen, dat homoseksualiteit ondanks de veranderende wetgeving ook door het bredere publiek nog niet geaccepteerd werd.