In de dialecten rond Cuijk en Budel zeggen mensen ruke. Een u in plaats van een ui is typisch voor die dialecten. Buigen is bijvoorbeeld buge, en Cuijk heet in het dialect Cuuk.
In West-Brabant is het buige en rondom Tilburg bèùge – en dus niet buge. Daarom is het vreemd dat ze daar wel ruke zeggen, en niet ruike en rèùke.
Ruke zit met zijn u nog dicht bij het middeleeuwse ruken. In West- en Midden-Brabant begonnen zulke u’s in de 15e eeuw in een ui te veranderen. Dat gebeurde in alle woorden – behalve dus in ruken. Daar is geen verklaring voor.
Door naar rieke. Dat vind je in het uiterste zuiden van West-Brabant, net als in Vlaanderen. In het huidige Standaard-nederlands is rieken iets anders dan ruiken, maar vroeger betekenden ze precies hetzelfde.
In de middeleeuwen kwam ruken vooral voor in het centrum en oosten van ons taalgebied, en rieken in het zuiden en westen. In de streektalen is die verdeling bewaard gebleven. Rieke(n) in de betekenis ‘ruiken’ hoor je tot in Brussel en tot aan de West-Vlaamse kust.
Dan hebben we nog rèùke. De èù klinkt als het eerste deel van ui, maar dan langgerekt. Deze lange klinker ontstond uit de ui, net zoals de ij in veel regio’s de lange klinker èè werd: rijp veranderde daar in rèèp.
Èù is maar één van de vele spellingen voor wat in fonetisch schrift [œː] is. Andere veelgebruikte spellingen zijn ùi, ûi, úí, öö – en gewoon ui. Er is immers geen officiële spelling voor de Brabantse dialecten.