Transcriptie van de video:
Veteraan Sander Kwist is in totaal vier keer uitgezonden namens de Nederlandse krijgsmacht. Als lid van de Genietroepen in Vught ging hij twee keer naar Afghanistan, één keer in 2007 en één keer in 2008. Hij was 21 jaar toen hij voor het eerst naar Afghanistan ging.
“De eerste uitzending in Afghanistan deed ik de groep van A naar B brengen. Dan moest de route vrij gemaakt worden van bermbommen, IED’s worden ze ook wel genoemd. Dat deden we met een clubje, dus wij reden voorop en mensen liepen voorop met een metaaldetector en het opsporen van bermbommen. De tweede uitzending ging ik mee als chauffeur explosieve opruimingsdienst en zo deden we de bermbommen weer opruimen.”
De Nederlandse missie in Afghanistan was een van de grootste in de historie van de Nederlandse krijgsmacht. Gedurende twaalf jaar werden ongeveer 29.000 militairen uitgezonden, waaronder Sander.
“Je loopt met een metaaldetector. Dus je zoekt. De boefjes zeg maar, de Taliban, gebruikten best wel veel materialen waar ijzer in zat. Dus je loopt met een metaaldetector, en alles wat een piepje geeft… je hoort op een gegeven moment ook aan de geluidjes wat het kan zijn. Zo goed ben je getraind. Je kan nog bijna een spijker en een lipje van een blikje van elkaar onderscheiden, dus zo ver zit je in de materie.”
“Wij als genisten, degene die daar voorop hebben gelopen, die zijn daar zo goed in opgeleid geweest, of nog steeds. Dat we ook eigenlijk alle handelingen van de vijand wisten, wat ze gingen doen. Hun deden weer iets nieuws uitvinden, wij gingen dat weer uitzoeken. Je ziet iets wat markant is, bijvoorbeeld een gele jerrycan, die werd heel veel gebruikt; daar werden explosieve stoffen in gedaan. Schoonmaken, ik zie iets geels, stopzetten, EOD komt erbij. Die komt met een robot en die halen het er allemaal uit.”
In zijn eerste uitzending heeft Sander ook de slag om Chora meegemaakt. Het was voor de Nederlandse krijgsmacht een belangrijke gebeurtenis in de oorlog in Afghanistan. Tijdens de slag probeerden naar schatting zo’n 800 Talibanstrijders Nederlandse eenheden en Afghaanse autoriteiten uit het district Chora te verdrijven. Door zwaar militair ingrijpen met artillerie, jachtvliegtuigen en gevechtshelikopters kon dit worden voorkomen. 500 Nederlandse militairen werden ingezet.
“Ik ben daarbij betrokken geweest en wij hebben daar ook weer taken in gehad. Uiteindelijk is dat iets heel groots geworden, maar als je daar op het moment bent, denk je van, dit is wat we al heel vaak hebben gedaan en wat we doen, alleen nou is het meer inzet en meer mensen. Dus je had dat eigenlijk niet zo in de gaten wat er toentertijd speelde.”
Er komt direct na de slag veel kritiek. Er wordt zelfs beweerd dat Nederland het oorlogsrecht zou hebben geschonden. In 2022 wordt voor het eerst officieel geoordeeld dat de Nederlandse krijgsmacht onrechtmatig zou hebben gehandeld.
“Wij wilden gewoon de Taliban uit het gebied hebben. Dat kon alleen maar door wat er uiteindelijk is geroepen over de slag om Chora. Het kon niet anders en uiteindelijk is het zo afgelopen. Op dat moment merk je het niet, dus je doet gewoon de taak die je hebt. Je gaat erin mee. Het is een lopende trein, dus die trein gaat gewoon door en daar ben je onderdeel van.”
In het totaal kwamen tijdens 12 jaar van Nederlandse inzet in Afghanistan 25 Nederlandse militairen om. De meeste gevallen militairen sinds de oorlog in Nederlands-Indië. Sander was dichtbij een van de soldaten die omkwam.
“We hebben op een gegeven moment een collega verloren, die is door een noodlottig ongeval om het leven gekomen. Wij waren daar heel dichtbij. Diegene is afgevoerd en uiteindelijk ook overleden dus. Je kan dat niet verwerken want je moet doorgaan. Je kan niet zeggen van: “Ik wil nou echt terug want ik kan het even niet meer.” Op dat punt moet je echt door blijven gaan.”
“Met een lichte kras kom je terug. Hun hebben misschien een zwaardere kras op hun lichaam staan.” – “Wat is voor jou dan een lichte kras? Hoe zou je dat omschrijven?” “Als je terugkomt, je bent veel alerter, je houdt dingen in de gaten. Als er iets gebeurt op feestjes, je weet waar je naartoe moet gaan, nooduitgangen. Je staat niet veel in de belangstelling en dat is gewoon, want je bent er veel alerter op. Je moet niet doemdenken, of je moet niet raar denken of zo, ik wil er wel altijd voor zorgen dat ik een veilig plekje heb, en daarvoor was dat bijvoorbeeld niet.”
“Heb je eigenlijk ooit je militair pak aan buiten je werk?” Niet vaak. Het komt eigenlijk voor in Nederland dat je als militair iets minder gewaardeerd wordt en mensen gapen je ook alleen maar aan. Ik ben er trots op, maar mensen staan je alleen maar aan te gapen en verwachten iets van je. Daarom hoeft dat van mij niet.
Na zijn laatste missie in Litouwen op de Russische grens in 2017 is Sander niet meer op uitzending geweest en heeft hij andere taken gekregen binnen Defensie.
“Ik heb eigenlijk altijd voor de manschappen klaargestaan. Ik had zoiets van, ik had heel veel ervaring op bouwmachines en uiteindelijk kwam deze functie vrij, en ik dacht: dit is wel iets wat ik voor een lange tijd wil doen. Nieuwe jongens opleiden, ik vind grote machines leuk — hoe groter, hoe beter — en dat kan ik dan ook meegeven en je kunt je kennis overdragen.”
“Als ik nu de jongens ook hoor, die snakken allemaal naar een missie net als Afghanistan of Irak. Die hebben nooit een grote missie meegemaakt, maar op zo’n missie doe je wel heel veel ervaring op, en die ervaring komt nu nog steeds terug, ook als ik les aan het geven ben. Die jongens willen wat dingetjes weten en dat kun je dus wel overbrengen.”
Volgens Sander is een goede opleiding heel belangrijk. Als je op uitzending in een lastige situatie terechtkomt, komt het aan op wat je geleerd hebt.
“Je bent er gewoon voor opgeleid. Je weet wat je moet doen en je weet dat als je in de ellende komt te zitten, het automatische bandje begint gewoon af te spelen: wat moet ik allemaal doen, wat speelt er, waar moet ik op letten. Dat gaat gewoon automatisch. Omdat je zo goed bent opgeleid. Je gaat er niet heen als iemand die net van straat is geplukt en ik zet jou gelijk in Afghanistan neer en je gaat bermbommen zoeken. Dat gebeurt gewoon niet en dat kan ook niet.”
“Ik ben een trotse genist. Met hart en nieren ben ik een genist en daarom werk ik ook nog steeds bij deze baas. Ik werk nu twintig jaar bij de genie en heel veel functies gedraaid. Dat zit er gewoon in. Ik zou ook geen ander wapendienstvak willen. Dit is mijn werk, ik vind het helemaal mooi. Ik doe dit al jaren en ik zal dit voorlopig nog wel eventjes blijven doen. En die trots blijft er ook echt wel inzitten.”
Ook heeft Sander met zijn vrouw ondertussen twee kinderen, die ze kregen nadat Sander terugkwam van zijn uitzendingen. Hij probeert wat hij in Afghanistan heeft meegemaakt mee te nemen in de opvoeding van zijn kinderen.
“Ik noem bijvoorbeeld: ze eten hun eten niet op omdat ze het niet lekker vinden. Daar hadden ze niet heel veel, een beetje rijst. Dat heb je dus meegemaakt, en de kinderen denken nou van: ik hoef dit niet op te eten, want ik vind dit niet lekker of ik heb er geen zin in, en dan moet ik het weer weggooien, wat ik dan weer zonde vind.”
“Er zijn andere mensen op de wereld die het heel slecht hebben, die daar wonen in een oorlogsgebied, die minder te eten hebben, en dan hoor je ze hier af en toe klagen en dan denk ik bij mijn eigen: ja, je moet eens weten wat papa ook heeft gezien en wat de kinderen daar hebben. Dan zie je dat een kindje die je een tekenschrift geeft, gewoon met alleen maar witte velletjes erin, helemaal blij is. En hier willen ze heel veel meer. Ook de kinderen. Ja, ik vind dit niet leuk, ik wil iets anders hebben. Dat doet wel iets met je, zeg maar, en dat probeer je wel een beetje mee te geven, maar daar zijn ze nog veel te jong voor.
Op het moment zijn het aantal missies in de wereld waar Nederland zich voor inzet beperkt, en is het alweer een tijdje geleden dat Sander op uitzending is geweest. Toch kan het, met de toenemende spanningen in de wereld, goed zijn dat Sander binnen een paar jaar wordt gevraagd voor uitzending. Zijn antwoord of hij dan nog zou gaan is duidelijk.
“Ja. Wel met meer verstand, omdat je nou twee jonge kinderen hebt. Je thuissituatie is toch veranderd. Toentertijd hadden we nog geen kinderen, maar tegenwoordig is de communicatie met thuis ook wel wat beter geworden dan toentertijd. Je kan steeds meer bellen en facetimen. Ik zou gek zijn als ik niet meer zou gaan, want dan zou ik dit pak eigenlijk niet meer moeten dragen.”
Dit interview kwam tot stand dankzij een samenwerking tussen Stichting Bredase Veteranen, Fontys Journalistiek Tilburg, en Erfgoed Brabant.