Slavernij en de textielindustrie in Helmond

Markt in Helmond, circa 1800
Markt in Helmond, circa 1800. (Bron: J.A. Knip, ca. 1800, Museum Helmond)

In Nederland werd en wordt momenteel in veel steden onderzoek gedaan naar de rol van Nederland bij de handel in en exploitatie van tot slaaf gemaakte mensen in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw. Bij deze onderzoeken blijkt steeds dat de impact van deze handel in tot slaaf gemaakte mensen op de economie van deze steden veel groter was dan men vroeger dacht. Het gaat dan niet zozeer om de winstgevendheid van de handel zelf, maar vooral om het hele economische systeem dat daaraan vast zat. De handel in tot slaaf gemaakte mensen, die meestal afkomstig waren uit Afrika, was namelijk een onderdeel van een heel systeem, waar een stad als Helmond ook een plaats in had via textielhandel.

Helmond, een stad van wevers

Helmond is vanaf de middeleeuwen tot ver in de twintigste eeuw een stad van wevers geweest, eerst van linnen, later katoenen stoffen. Zij weefden in opdracht van kooplieden (meestal fabrikeurs genoemd) die de garens leverden en de stoffen afnamen en verkochten. De wevers waren allemaal thuiswevers. In de negentiende eeuw vestigden zich fabrieken met bedrijfshallen.

In de middeleeuwen was de voornaamste grondstof wol, in zestiende en zeventiende eeuw linnen, vervolgens vanaf de achttiende eeuw katoen. Eerst gemengde stoffen van linnen en katoen, de zogenaamde bontjes, later alleen katoen.

Voor linnen stoffen was vlas de grondstof. Dat kwam uit de buurt. Maar katoen moest ingevoerd worden uit tropische gebieden waar het verbouwd werd op plantages door slaafgemaakte mensen, vooral uit Brits-Indië en het zuiden van Noord-Amerika, maar ook uit Suriname.

Linnen en katoen als ruilmiddel en exportproduct naar de koloniën

Eenmaal geïmporteerd en verwerkt moesten de linnen en katoenen stoffen ook verkocht en afgezet worden. Verreweg het grootste deel van de stoffen die in Helmond werden geweven, was voor de export bestemd. Textiel werd namelijk sinds de 16de eeuw gebruikt als ruilmiddel om in West-Afrika slaafgemaakte Afrikanen te kopen. Dit ging tot ver in de 19de eeuw door.

Verder was er een grote export naar de Nederlandse koloniën: zowel naar de West-Indië (Suriname en de Cariben) als naar Oost-Indië, het huidige Indonesië. De goedkope stoffen werden vervolgens door de plantage-eigenaren verstrekt aan de slaafgemaakten op de plantage die er dan weer kleding van maakten.

Straatscène in Suriname. Links zie je de winkel van een vette warier (detailhandelaar) die kleding en stoffen verkoopt. Rechts de winkel van een snerie of kleermaker waar een naakte man wordt opgemeten.
Straatscène in Suriname. Links zie je de winkel van een vette warier (detailhandelaar) die kleding en stoffen verkoopt. Rechts de winkel van een snerie of kleermaker waar een naakte man wordt opgemeten. (Bron: Pierre Jacques Benoit, circa 1830)

Helmond, katoen en de driehoekshandel

Via bovenstaand voorbeeld zien we hoe de zogenoemde driehoekshandel werkt. In het kort gezegd kwam deze driehoekshandel erop neer dat handelsschepen uit West-Europa vertrokken met als lading vooral vuurwapens, buskruit, ijzer en, belangrijk voor Helmond,textiel als handelswaar. Deze werden in West-Afrika met de plaatselijke machthebbers en Afrikaanse en Arabische slavenhandelaren geruild voor slaafgemaakten, goud en ivoor. Vanuit West-Afrika vertrokken schepen met de tot slaaf gemaakten vervolgens via de zogenoemde Middenpassage naar Noord-Amerika of het Caribische gebied. Nederlandse schepen gingen meestal naar Curaçao, Sint Eustatius en Suriname. Zij die de reis overleefden, werden daar na aankomst op slavenmarkten als slaven verkocht om op plantages en in mijnen te werken. De producten daarvan – zoals suiker, koffie, tabak, zilver, en dus katoen – werden vervolgens per schip weer naar Europa gebracht en voor veel geld verkocht. In totaal zijn er naar schatting elf à twaalf miljoen slaafgemaakten verhandeld gedurende de tijd van de driehoekshandel. Nederland alleen was verantwoordelijk voor de handel in ongeveer 500.000 Afrikaanse slaafgemaakten.

Een kopergravure van een snauwschip.
Een kopergravure van een snauwschip. Snauwschepen werden vaak gebruikt voor slaafgemaakten. (Bron: Gerrit Groenewegen, 1789, Fries Scheepvaartmuseum)

Invloed van industrialisatie

De export van de Helmondse stoffen ging in de zeventiende en achttiende eeuw vooral via Haarlemse kooplieden, waar de Helmondse textielnijverheid in die tijd afhankelijk van was. Voor de kooplieden was Helmond aantrekkelijk vanwege de lage lonen.

Het gevolg was dat de Helmondse wevers en textielkooplieden hun opdrachten kregen van deze Haarlemse kooplieden-entrepreneurs of zelf hun linnen en katoenen stofjes aan hen verkochten. De Haarlemers verkochten die katoentjes vervolgens weer door aan de VOC en de WIC als ruilmiddel om slaafgemaakten te kopen of te exporteren naar de koloniën.

Dit systeem veranderde in de negentiende eeuw drastisch. In 1798 werden de gilden door de Bataafse Republiek opgeheven met grote gevolgen voor onder andere de textielnijverheid. De commissionairs uit de achttiende eeuw werden nu entrepreneurs of fabrikeurs. Halverwege de negentiende eeuw ontstonden er fabrieken met bedrijfshallen, waar arbeiders op vaste tijden werk verrichtten voor de baas.

De door koning Willem I opgerichte Nederlandsche Handelmaatschappij, de NHM, fungeerde als een soort import- en exportbedrijf van met name koloniale goederen. Deze kocht de Helmondse katoentjes op en bracht ze in Suriname en Oost-Indië op de markt. Dat ging in de eerste helft van de eeuw vooral door bemiddeling van de firma Van Lanschot in ’s-Hertogenbosch die fungeerde als regionale agent voor de NHM. Later gingen de Helmondse textielfabrikanten ook zelf hun producten aan de man brengen zonder bemiddeling van Van Lanschot: ofwel via de NHM dan wel rechtstreeks.

De Groothandelaar. Gravure van de Nederlandsche Handelmaatschappij voorgesteld als een monster, dat de handel op en in Oost-Indië monopoliseert door alle particuliere schepen op te slokken.
De Groothandelaar. Gravure van de Nederlandsche Handelmaatschappij voorgesteld als een monster, dat de handel op en in Oost-Indië monopoliseert door alle particuliere schepen op te slokken. (Bron: Atlas Van Stolk, Rotterdam, 1824)

Economie en bestuur

In Helmond hadden veel bestuurders zowel vóór als na 1800, naast hun bestuurlijke verantwoordelijkheden, ook economische belangen. Zo waren zij vaak niet alleen schepen, burgemeester of raadslid, maar daarnaast vaak koopman, handelaar in linnen en katoenen stoffen of ze hadden familieleden die dat waren. Die families bepaalden in hoge mate wat het stadsbestuur deed. Het ligt voor de hand dat het stadsbestuur zowel vóór 1800 als daarna regelmatig ingreep om de productie en export van de katoenen stoffen veilig te stellen. Zo nam het verschillende maatregelen die de textielnijverheid bevorderde en beschermde. Een voorbeeld is de kwaliteitscontrole op weefstukken in 1665. In dat jaar instrueerde het stadsbestuur de keurmeesters om, na klachten over de kwaliteit van de Helmondse lijnwaden, strikt toe te zien op de juiste breedte van de geweven stukken. Zes jaar later besloot het bestuur bovendien dat alle lijnwaden bestemd voor de export gemerkt moesten worden als zijnde afkomstig uit Helmond.

Daarmee waren deze bestuurders indirect mede verantwoordelijk voor de instandhouding van de op slavenarbeid gebaseerde koloniale economie.

Conclusie

De linnen- en katoennijverheid in de zeventiende en achttiende eeuw, maar ook de meer industriële textielnijverheid in de negentiende eeuw, waren afhankelijk van de export naar de koloniën en naar West-Afrika.

De grondstoffen kwamen van de plantages. Daarmee dreef ook de Helmondse economie indirect op de arbeid van slaafgemaakte mensen. Aan de hand van het voorbeeld Helmond zien we hoe dat werkt, heel veel steden in De Republiek en de rest van Europa hadden eenzelfde soort betrokkenheid.

Tenslotte, als de vraag gesteld wordt of de economie van Helmond geprofiteerd heeft van de op slavernij gebaseerde koloniale economie, luidt het antwoord dat dit zeker zo was. De betrokkenheid van Helmond bij de koloniale economie heeft er voor gezorgd dat de stad heeft kunnen groeien en in de 19de eeuw op enig moment een van de grootste industriesteden van Nederland werd. Ook heeft dankzij steden als Helmond het op slavernij gebaseerde plantagesysteem in de koloniën lang kunnen voortbestaan.

Onderdeel van:

Jouw verhaal telt ook!

Deel het met ons en help Erfgoed Brabant Verhalen groeien!