Alle zeventien de woorden op de kaart komen van twee middeleeuwse varianten: ‘staet’ en ‘steet’. ‘Staet’ was typisch westelijk. In het Nederlands veranderde het langzaam in ‘staat’ en in West-Brabant in ‘staot’. Aan de noordelijke rand van West-Brabant werd het zelfs ‘stao’ en tussen Den Bosch en Tilburg kwamen de varianten ‘stò’ en‘stòi’ op.
In het oosten was het in de middeleeuwen ‘ic sta’, ‘wi staen’, maar ‘hi/si steet’ met een e. Zo’n wissel heet umlaut. In Oost-Brabant veranderde ‘steet’ in varianten als ‘sti’, waarbij de i als de i in ‘pit’ klinkt, en ten oosten van Uden in ‘stet’, ‘stè’, ‘stji’. In Oost-Brabant hebben allerlei werkwoorden umlaut in de hij/zij-vorm. Een aantal voorbeelden uit de noordelijke Meierij zijn:
kòmme ~ kömt
gòn ~ gi
loôpe ~ lupt
haauwe ~ helt
laote ~ löt
doewn ~ duu
Ten tijde van het onderzoek in Oost-Brabant (tussen 1962 en 1966) was ‘stji’ al ouderwets aan het worden. In veel plaatsen gaven mensen ook de nieuwere variant ‘sti’, dus zonder j-klank. In sommige plaatsen gingen ze nog een stapje verder: daar werd ‘sti’ ingeruild voor ‘stò’ met de ò van ‘ik stò’ en ‘we stòn’. Zo gaat het dialect steeds meer op het Nederlands lijken:
stji > sti > stò > stao > staot > staat
In Noord-Oost-Brabant zijn er ook plaatsen met ‘stut’ of ‘stu’ (met de u van ‘put’) en ‘stöt’ of ‘stö’ (met de ö als eerste klankje van de ui). Die varianten zijn ontstaan doordat mensen van regelmaat houden. Dat zit als volgt: als een o umlaut krijgt, wordt het een u of een ö: ‘jong’ wordt ‘jungske’, ‘kòp’ wordt ‘köpke’. ‘Stòn/staon’ is een uitzondering met zijn umlautvorm, die verandert in ‘sti’. Om die uitzondering op te ruimen, gingen mensen ook ‘stu(t)’ en ‘stö(t)’ zeggen.
In Midden-Brabant was er vroeger ook umlaut. Dat blijkt onder andere uit teksten van eind 19e en begin 20e eeuw. Zo was het in het Tilburgs ‘hij/zij kumt’ en ‘gêe’. Maar die varianten zijn intussen helemaal uit de tijd. Nu hoor je alleen ‘komt’ en ‘gao’.