Toffelkleed
Laat binnen onze familie het woord toffelkleed vallen en het zal glinsterende ogen opleveren. Dit komt door een uit de hand gelopen idee van een tante die met pensioen ging. Zij wilde voor haar aanstaande ex-collegaās een klein levensverhaal schrijven en dat verbeelden op en rond haar ouderlijk huis, de boerderij van mijn opa en oma. Ze vroeg wat hulp van familieleden en toen ging het goed fout.
Het idee ontaarde in een voorstelling waarin zowat de hele familie verdeeld over drie generaties een rol had. Iedereen speelde de jonge versie van de generatie boven hen en zo werden opa en oma gespeeld door een oom en tante. Spelen is in dit geval misschien niet het juiste woord: de overgedragen genen zorgden voor een levensechte weergave van de twee mensen bij wie het verhaal ooit begon. Behalve uit het familiegeheugen konden we ook putten uit de schriften met de herinneringen van mijn oma, geschreven in een mooi handschrift uit de tijd dat je nog Nederlandsch schreef.
In enkele scenes, gespeeld in en om de boerderij, lieten we onze familiegeschiedenis tot leven komen, gevolgd door zoān 50 toeschouwers. We begonnen in de stal waar we een film keken van de familie, allen aardappelen etend uit een pan op de kale houten keukentafel. We gaan naar buiten waar net een soort marskramer die met zijn huishoudelijke koopwaar in een kar langs de huizen ging. Er wordt een nieuw rood-witgeblokt toffelkleed gekocht. Oma komt erbij en vindt het veel te duur. Een van de kindjes komt met een muntje aanzetten en vraagt of ze daarvoor ook iets kan kopen. Volgens de kramer kan dat niet: āDat is een euro. Kom daar over een jaar of zestig maar eens mee terugā.
Terwijl oma en Joan nog wat te staan te praten zien de mensen die onder de dakrand staan te kijken Anna Huijben voorbijfietsen. Er zal ergens verderop in de straat wel een kindje geboren moeten worden. De overbuurvrouw kijkt nieuwsgierig om de hoek van haar huis. Dat doet ze telkens wanneer er bij de Segersen iets aan de hand is.
Een volgende scene speelt zich af in de schuur, waar opa vertelt over zijn nieuwe maaimachine en de dorskast. Plots horen we een gil verderop in de schuur: in het stro ligt een man te slapen. Hij heeft lang vies haar en een baard. De oudere mensen in het gezelschap herkennen hem en zijn niet bang van hem. Hij doet geen mens kwaad.
Dan breekt er een noodweer los, geholpen door een stroboscoop, een regeninstallatie en een cd met onweergeluid. In de donkere schuur lijkt het onheilspellend echt en als oma rozenhoedjes gaat bidden om het gevaar af te wenden, bidt de oudere garde moeiteloos mee. Het waren geluiden uit mijn jeugd die ik al heel lang niet meer had gehoord.
De gebeden deden hun werk en het klaarde snel op, maar ondanks de zon kwamen er donkere wolken over het gezin. Bij het verlaten van de schuur, loeit de sirene. De Duitsers zijn het land binnengevallen. Het is de tijd van de mobilisatie en opa moet vertrekken naar Veenendaal. Door de beklemmende sirene worden alle toeschouwers stil. Op het moment dat opa op weg naar de bushalte achter het huis verdwijnt, zie ik mensen met tranen in hun ogen.
Oma moet het werk op de boerderij alleen doen en als er weer een dochter wordt geboren, krijgt opa een dag verlof om te komen kijken. Met een briefje van de dokter mag hij nog een dag langer blijven maar daarna moet hij weer terug. Opa komt weer terug en het gewone leven gaat verder. Over wat hij had meegemaakt wordt niet gesproken.
We eindigen het verhaal bij de waterput waar oma druk met de was bezig is. Alles gaat door de wringer en wordt aan de lijn gehangen, de sokken keurig per paar en het maandverband uit het zicht. De vooruitwijzende string heeft het hilarische effect waarop de schrijvers hadden gehoopt. Het toffelkleed hangt er ook, met vegen van vieze jongenshanden erop. Volgens de man met de manden kwam dat door de oude rieten wasmand. Hij wilde natuurlijk en nieuwe mand verkopen, maar wij hadden wel gezien dat kleine kindjes hun handen er aan afgeveegd hadden.
Het stuk had een enorme werking bij de toeschouwers en ook bij ons zelf, veel meer dan waarop wij hadden gerekend. Behalve dat het best grappig was, kwamen er bij veel toeschouwers weer beelden van hun eigen leven boven. Dat speelde zich eveneens in deze buurt af en het werd nu verbeeld door de volgende generatie op de plaats waar het ook was gebeurd.
Het bleef dus niet bij enkele opvoeringen, maar we hebben het een aantal weekenden herhaald en het jaar daarop weer. Bij een van de laatste keren was een van mijn tantes al ernstig ziek. Toen zij overleed, lag het toffelkleed keurig gevouwen over haar kist. Een krachtig beeld, dat ik niet meer zal vergeten. Een symbool van overgeleverde familiegeschiedenis en familiegevoel, maar ook het definitieve einde van het stuk: voor mijn gevoel konden we het niet meer spelen, ook al hadden we het nog gekund.
Je kunt kiezen voor ondertiteling in het Nederlands (kies bij Instellingen, Ondertiteling voor Nederlands (Nederland)) of in het dialect (kies dan voor Nederlands, YouTube kent nog geen Brabants).
ToffelklĆŖed
As ge inĀ onze femilie āt woord toffelklĆŖed lot valle, zal dĆØ glinsterende Ć“oge oplevere. DĆØ komt deur ān idee van ons taante Will die mee pesioen ging. Zij woi veur heur onstonde ex-collegaās ān klĆØĆØn lĆØvensverhoal schrĆØĆØve en dĆØ ùtbilde bij heur ouwerlek hèùs, de boerderij van Jan Segers en Jonna van Gorp, onzen opa en ons oma. Ze vroeg wĆØ femilieleeĆ« om mee te doen en vanaf dĆØ mement liep āt flink ùt de haand.
āT klĆØĆØne verholtje wier ān heel veurstelling mee rolle veur drie generoasies van zoewĆØ heul de femilie. De menne was die van verteller. Aandere speĆ»lden ān jonge versie van de generoasie bove hullie. Zo wiere opa en oma gespeĆ»ld deur ome Wim en taante Cor. Speule is eigelek nie āt goeie woord: de overgeleverde gene zùrgde vaneiges veur ān lĆØvensechte wirgoave van de twee mĆØĆØnse bij wie āt verhoal Ć“ot begos. Ons taante Cor spƩƻlde hullie moeder nie: ze wĆ”s hullie moeder.Ā Behalve ùt āt femiliegeheuge, kosse we Ć“k putte ùt de schrifte mee herinneringe van ons oma, opgeschreve in ān schĆ“on haandschrift ùt de tĆØĆØd dĆØ ge nog Nederlandsch schreeft.
In enkele taferĆŖele loate we onze femiligeschiedenis tot lĆØve kome. ZĆ“ān 50 toeschouwers lĆ“ope mee ons mee en volgen letterlek en figuurlek āt spel. We beginne in de stal woar we ān filmke kĆØĆØke van de femilie, ammol ĆØrpel etend ùt ĆŖen pan op de koale, houte keuketoafel. We gon nor bèùte, woar net Joan āPotjesā on komt rije mee zān kĆØĆØr vol mee hùshouweleke spulle. Jonna kĆ“opt, ān bietje op verzuuk van de kender, ān rooi-wit geblokt toffelklĆŖed en nog wĆØ klĆØĆØn spul. Oma komt ār Ć“k bij en die vĆØĆØn āt ammol veuls te duur. Ćen van de kiendjes komt mee ān muntje onzette en vroagt of ze doar Ć“k iets veur kan kĆ“ope. Volgens Joane kan dĆØ nie:āDĆØ is nen euro. Komt doar over ān joar of 60 mar ās mee trug.ā
TerwĆØĆØl Jonna en Joan nog wĆØ ston te parleeĆ« zien de mĆØĆØnse die onder den euzel ston te kĆØĆØke Anna Huijben veurbij fietse. Dār zal ergens wijerop in de stroat wel ne klĆØĆØne motte kome. Overbuurvrouw Sjo kekt noesgierig om dān hoek van dār hèùs. DĆØ doe ze aaltij as ār bij de Segerse wĆØ te doen is.
We lĆ“pe wijer de werft op langs iets wĆØ op ne grĆ“te put lekt, mar āt is ne silo woar gras in goi mee wĆØ melasse dārbij. De jongelui stampen āt schouer on schouer oan en zo wor āt koeivoeier veur de wenter. DĆØ was iets noes.
Dan gĆ“n we mee zān ammolle de schuur in woar Jan vertelt over zān noe maaimesjien en zān dorskast. Ineens heure we ne gil wijerop in de schuur: in āt strooi ligt ne meens te sloape. Hij hee lang, veùl hoar en nen board.Ā āMallens!ā, roepe wĆØ ouwere meense in āt gezelschap. Ze hebbe de zwerver herkend en zen nie bang van ām. Hij doe gin man koad.
We heure dĆØ āt begint te rengere en dār barst ān verschrikkeleke onweersbui los. Die wordt dan wel veroorzĆ“kt deur ne stroboscoop, ān rengermesjien en ne cd mee onweergelèùd, mar binne in de donkere schuur lĆØĆØk āt lĆØvensecht. As Jonna rĆ“zenhoedjes goi bidde om āt gevoar af te wende, bidt de ouwere garde van āt onwezige volk moeitelĆ“os mee. Ik schrik ervan: dĆØ soame bidde ha āk al heel lang nimmer geheurd en ineens was ik wir efkes op de zondaggemiddag bij āt kapelleke wijerop in de stroat.
De gebeeĆ« werke en āt kloart al gauw op, mar ondanks de zon kome dār donkere wĆ“lleke over āt gezin. As we de schuur wir ùtgoan, loeit ār ān sirene. āt Is de tĆØed van de mobilisoasie en de Dùtsers drĆØĆØge āt laand binne te valle. Jan mot vertrekke nor Veenendoal. Deur de sirene worre alle mĆØĆØnse stil. Op het mement dĆØ Jan, norgekeke deur zān gezin, aachter āt hèùs verdwent op weg nor de bushalte, zie ik meense mee troane in dār Ć“ge.
Jonna stoj ār op de boerderij allĆØĆØn veur en as ār wir ān dochter wordt gebore, krĆØĆØgt Jan ĆŖnen dag verlof om te kome kĆØĆØke. Mee ān briefke van den dokter moog ie nog nen dag langer blĆØĆØve, mar dan mot ie wir terug. Ćtendelek zit zunnen tĆØĆØd bij de Grebbeberg erop en komt ie wir nor hèùs. Jonna schreef over dĆØ mement dĆØ ze tegenover mekoare stonde en nie wiesse wĆØ ze moesse zegge. Nie vrĆØmd veur ān generoasie die makkelekker buurtte dan protte. āT gewĆ“ne lĆØve goi wir wijer en over wĆØ Jan haj meegemokt wier nie gesproke.
We endigen āt verhoal bij de woaterput, woar Jonna, geholpe deur de oudste meskes,Ā druk mee de was in de weer is. Dār wordt flink geboend op de roeffel en as alles deur de wringer is gewiest wor āt op dān blijk gelee of on de wasdroad gehange: de sokke per poar en āt mondverbaand ùt āt zicht. Tusse āt rèùm ùtgevalle ondergoed hing ne string: onderbroekehumor van āt betere sĆ“ort. āT toffelklĆŖed hing er Ć“ok, mar āt was vèùl. Volgens de maandeman kwaam dĆØ deur de ouwe, riete wasmaand. Hij woi netuurlek ān noe maand verkĆ“ope, mar wij han gezien de klĆØĆØnmanne der haande dār on af han geveegd.
āT stuk dĆØ wij brochte, brocht veul meense van dār stuk en dĆØ gold Ć“k veur ons eige. āT haj ān effect wĆØ wij nie Ć“n han zien kome. Los van de soms amusaante stukskes en āt verhoal zelf, denk ik dĆØ āt kwaam deurdĆØ ān deel van āt volk bilde ùt dār eige lĆØve veurbij zage kome, gespeuld deur meense die ze kende, op de plak woar āt was gebeurd.
Dār was zoeveul belangstelling dĆØ āt nie bij enkele ùtvoeringe bleef. We hebbe āt nog ān ontal kere herhold en āt joar noarderhaand wir. Bij alle ùtvoeringe haj ons taante Riet dārveur gezùrgd dĆØ iederĆŖen in de goei klĆŖre ùt den ouwe tĆØĆØd liep. Bij de leste kere was ze al ernstig ziek en ze stierf op Maria Hemelvaart. Mee de begroffenis laag āt toffelklĆŖed netjes opgevouwe over heur kiest. DĆØ bild vergeet ik nĆ“ot mir. āT gaaf āt femiliegevuul deur de overgeleverde femiliegeschiedenis oan, mar Ć“k āt definitieve ende van āt stuk. Veur mĆØn gevuul kosse we āt nummer speule, Ć“k al haj āt nog gekund.
In het dialect van Alphen