Vanaf de Duitse inval in Nederland op 10 mei 1940 en de daaropvolgende overgave door Nederland bepaalde de bezetter de gang van zaken in ons land. Ook voor ondernemers braken grote veranderingen aan. Zo verloren ondernemingen de zeggenschap in hun besluitvorming.
Schipperen
Dit gold ook voor de lederindustrie. In eerste instantie had de bedrijfstak niet zo veel te lijden onder de Duitse bezetting. Gaandeweg echter vormden arisering, stillegging, arbeidsinzet, zwarte handel en Duitse rooftochten in deze branche een steeds groter probleem. Ondernemers ontkwamen niet aan de maatregelen en beslissingen van instanties die onder Duitse controle stonden. Vele ondernemers in deze bedrijfstak pasten zich aan, produceerden onder andere voor de Duitse bezetter en trachtten op die manier hun bedrijf door deze moeilijke tijd te loodsen. Zij accommodeerden, met andere woorden. Maar was hier sprake van collaboratie?
In de visie van historicus Hans van der Leeuw was er tijdens de Tweede Wereldoorlog in de lederindustrie vrijwel geen sprake van collaboratie. Volgens hem braken afzonderlijke fabrieken in deze bedrijfstak zich niet lang het hoofd over de vraag of orders voor militair schoeisel vanuit nationaal oogpunt wel geoorloofd waren. Door de zwakke positie van Nederland werden Duitse orders vooral gezien als middel om looistoffen in handen te krijgen, vooral voor de Nederlandse productie. Hiermee kon de bedrijfstak aan het werk worden gehouden en konden ondernemers hun personeel zoveel mogelijk onttrekken aan de Arbeitseinsatz en zodoende het productieproces zo min mogelijk verstoren. Er werd, kortom, geschipperd in een bezettingssituatie.
Een van de fabrieken die hiermee te maken kreeg, was de Koninklijke Lederfabriek Oisterwijk (KLO). De onderneming, samen met ‘De Amstel’ behorend tot de grootste leerfabrieken van Nederland, was sinds 1920 eigendom van de Joodse firma Adler & Oppenheimer, gevestigd in Berlijn, en werd in de jaren dertig geleid door Erich R. Adler (1905-1990), zijn neef Hans I.L. Adler (1903-1981) en Franz Ferdinand Oppenheimer (1914-1941). Door de antisemitische politiek van de Duitse bezettingsautoriteiten werd voor hen de grond al in de jaren dertig te warm onder de voeten en voelden zij zich genoodzaakt het vege lijf te redden. Zoals we in het vervolg van dit artikel zullen zien, lukte het twee van hen wel en één niet. Hierna kreeg het bedrijf een nieuwe directie, die bestond uit de Duitse Verwalter dr. Hubert Huppertz (1897-?), Frans de Jong (1893-1962) en August E. Hueber (1910-1992).Â
In 1944, na de beëindiging van de oorlog in het zuiden van het land, werden De Jong en Hueber gearresteerd op verdenking van collaboratie met de Duitse bezetter. Wat was de aard van de beschuldigingen waarmee beide directieleden geconfronteerd werden? In hoeverre waren die beschuldigingen steekhoudend en was er sprake van collaboratie of vooral van accommodatie? En vooral, hoe verliep het proces van vervolging en bestraffing? In deze bijdrage gaan we daar nader op in, waarbij vooral oog is voor nuances. Om het bedrijf in een bredere historische context te plaatsen volgt eerst een overzicht van de lederindustrie tijdens de Tweede Wereldoorlog.
De lederindustrie tijdens de Tweede Wereldoorlog
De Duitse bezetter versterkte na de inval in mei 1940 al snel zijn greep op de economie. Steeds meer dwong men het bedrijfsleven tot verdere samenwerking en aanpassing in een op Duitse leest geschoeide bedrijfsorganisatie. Dit gebeurde ook in de lederindustrie. Zo verleende tijdens de Tweede Wereldoorlog het in 1939 door de Nederlandse overheid opgerichte Rijksbureau voor Huiden en Leder (RHL), waarin vertegenwoordigers zaten van zowel het bedrijfsleven als van diverse ministeries, zijn medewerking aan de uitvoering en afwikkeling van Duitse orders. In zekere zin werd het RHL dan ook een instrument in handen van de Duitsers. Zij konden namelijk via het RHL controle over de bedrijfstak uitoefenen en bepaalde beslissingen opleggen.Â
De houding van het RHL was gestoeld op de algemene instructie van de Nederlandse overheid aan haar instanties, ambtenaren en Nederlandse ondernemers van mei 1940. In deze bijzondere tijd moest getracht worden het economische leven in Nederland zo goed en zo lang mogelijk in stand te houden. Voor de instandhouding van de Nederlandse Leder- en Schoenindustrie en de daarvan afhankelijke voorziening van de Nederlandse bevolking met schoenen, reparatieleder, enzovoort, was import van looistoffen noodzakelijk, aangezien Nederland zelf te weinig looistoffen produceerde. Bovendien was er in de periode september 1939 tot mei 1940 als gevolg van de geallieerde blokkade een geringe voorraad looistoffen voorhanden. Ook vanaf mei 1940 was dit het geval, waardoor de voor de bedrijfstak noodzakelijke looistoffen uitsluitend via Duitsland betrokken konden worden. Hierdoor ontstond er een grotere afhankelijkheid van Duitse producten. Om deze reden koos het RHL voor onderhandeling en samenwerking met de Duitse bezettingsautoriteiten. De ledervoorziening mocht niet in gevaar komen en men wilde zoveel mogelijk voordeel behalen voor de Nederlandse bevolking.Â
Om sluiting van de bedrijfstak te voorkomen sloot het RHL al in de eerste oorlogsmaanden een overeenkomst met de Duitse bezetter. Ten aanzien van de ledervoorziening zou de Nederlandse bevolking op dezelfde voet worden behandeld als de Duitse burgerbevolking. Verder deed zich de gunstige omstandigheid voor dat de capaciteit van de Duitse schoenindustrie reeds in 1940 tekortschoot. Dit gold in het bijzonder voor militair schoeisel. Vandaar dat al medio juni 1940 een afgezant van het RĂĽstungsamt naar Nederland kwam om daar de productie van militair schoeisel op te schroeven. In verband met het Kriegswichtige belang hiervan zorgde de bezetter voor voldoende grondstoffen. De Nederlandse lederindustrie ging op haar beurt de verplichting aan om leder en schoeisel aan de Wehrmacht te leveren. Op deze manier kon de Nederlandse lederindustrie vier jaar lang draaiende worden gehouden.
De ingrijpendste maatregel waarmee de industrie tijdens de oorlogsjaren werd geconfronteerd, was de stillegging van bedrijven in de zomer van 1941. Dit had te maken met de eis van de Duitse Reichskohlenkommissar om een aanzienlijke verhoging van de export van Nederlandse kolen naar Duitsland te realiseren. Bij een gemiddelde maandelijkse productie van circa 1.100.000 ton verlangden de Duitsers een export van 400.000 ton. Het kolengebruik in Nederland moest worden beperkt. Ook de leerindustrie ontkwam niet aan deze maatregelen. Zo mochten alleen de onmisbare bedrijven open blijven. Die selectie maakte de Gruppe Leder. In de loop van 1941 werd door de Duitse autoriteiten slechts een beperkt aantal bedrijven binnen de schoenindustrie als onmisbaar beschouwd. Dit leidde ertoe dat vele honderden bedrijven op de zogenoemde Negativliste kwamen te staan, een lijst van bedrijven die gesloten moesten worden. Onderstaande tabel is gebaseerd op informatie uit Huiden en leder 1939-1945. Bijdrage tot de economische geschiedenis van Nederland in de Tweede Wereldoorlog van Van der Leeuw.
| Â | open | gesloten |
| lederfabrieken | 23 | 197 |
| drijfriemfabrieken | 8 | 32 |
| schoenfabrieken | 60 | 280 |
In een poging om de schade voor de leer- en schoenindustrie zoveel mogelijk te beperken wees het RHL onder meer op de grote sociale nadelen van de werknemers en op de bedrijfsschade die bij het stilleggen zou ontstaan. Alle pogingen ten spijt bleef de Gruppe Leder bij haar standpunt en werden steeds meer bedrijven gedwongen de poortenn te sluiten. Er was nu eenmaal besloten tot de stillegging van bedrijven en daar hield men zich ook aan. De voordelen van de Duitsers waren dan ook evident. Zo konden er in het kader van de Arbeitseinsatz werkkrachten worden vrijgemaakt en ontstond er een grotere overzichtelijkheid van de productie. Van de 3504 arbeiders in de leerindustrie werden er 2054 getroffen.Â
Een klein deel werd tewerkgesteld in Duitsland en een groot aantal op het vliegveld Gilze-Rijen, waar de werkzaamheden bestonden uit het dichten van de vele bomkraters en het repareren van de startbanen. De vrijkomende arbeiders moesten van de Gruppe Leder gesplitst worden in ouderen en jongeren, waarbij de eerste groep zou moeten overstappen naar de nog open bedrijven. De laatste groep kon dan naar Duitsland. Onduidelijk is in hoeverre dit plan is uitgevoerd. Zo bleef een aanzienlijk deel nog in dienst bij de gesloten bedrijven. Dit is niet zo opmerkelijk omdat in veel gevallen, ook na de sluiting, het bedrijf bleef doorwerken. Na veelvuldig overleg met de Gruppe Leder slaagde het RHL er begin 1943 in de Duitsers ervan te overtuigen dat het met handkracht laten doorwerken in de bedrijven nuttig kon zijn. Dankzij het al eerder vermelde Kriegswichtige karakter van de leerproductie lukte het zelfs om grondstoffen toegewezen te krijgen en een tiental lederfabrieken weer open te krijgen.
Tijdens de oorlog namen de looiers en leerbewerkers het niet al te nauw met de regels. Hierdoor ontstond er vooral na 1942 een levendige illegale productie en handel. Handelaren en lederfabrikanten hadden aanzienlijke voorraden en huiden verborgen weten te houden. In het geheim looide men behoorlijke partijen huiden naast de partijen waarvoor vergunningen verleend waren. Op deze manier kwam er het nodige leder op de zwarte markt, evenals voorraden afkomstig uit officieel gelooide partijen . Zo was het lastig te controleren hoeveel leder verloren ging bij het snoeien of bijknippen van de huiden en in de loop van het looiproces. Opmerkelijk was de houding van de Duitse bezetter ten aanzien van illegale productie en handel. Men stimuleerde de zwarte handel door het oogluikend toestaan van smokkel en andere overtredingen. Ook de Duitsers deden zelf op grote schaal inkopen op de illegale markt.
Naast het stoppen van kolenleveranties waren de verwijdering van Joodse Nederlanders uit het bedrijfsleven en de roof van hun bezittingen wel de meest ingrijpende maatregelen die de bezettingsautoriteiten namen. Omdat er in de leerindustrie van oudsher veel Joden actief waren, had de Jodenvervolging grote gevolgen voor de bedrijfstak. De kleine bedrijven in de huidenhandel, het bontbedrijf en de lederwarenbranche werden gesloten of kwamen in handen van NSB’ers. De grotere bedrijven stelde de Duitse bezetter zo spoedig mogelijk onder een Treuhändler. Dit was in de praktijk vrijwel altijd een Duitser. Belangrijke Joodse bedrijven waarnaar de Duitse interesse uitging, waren de hieronder te bespreken KLO en de huidenhandel Kaufmann in Rotterdam.
Vanaf september 1944 zonden de Duitsers onder invloed van de opmars van de geallieerde legers voorraden leder en schoeisel in hoog tempo naar Duitsland. In het zuiden van het land behoedde de snelle opmars van de geallieerde troepen het machinepark van de lederindustrie voor roof. Wel werden voorraden leder geroofd en enkele fabrieken vernield door Duitse bombardementen en zich terugtrekkende Duitse troepen. Een bedrijf dat niet vernietigd werd, was de KLO.
De periode 1916-1940
Op 27 oktober 1916 richtten Chris van der Aa (1885-1941) en de Rotterdamse koopman Jan Adolf Vermetten (1858-1939) de N.V. Lederfabriek ‘Oisterwijk’ op, een voor die tijd modern bedrijf. Het beginkapitaal van de onderneming bedroeg 126.000 gulden verdeeld over 126 aandelen. In de beginfase was het lastig om aan machines te komen. De Eerste Wereldoorlog was immers nog in volle gang en de noodzakelijke machines moesten uit Duitsland komen. Desondanks wist Van der Aa beslag te leggen op een uit 1906 daterende Duitse stoommachine. Na voltooiing van het bedrijfscomplex startte men in september 1918 de productie.
In 1920 volgde de overname van het bedrijf door de Amsterdamse Ledermaatschappij (Almij). Onder leiding van deze handelsfirma, behorend tot het Duitse leerconcern Adler & Oppenheimer, groeide het bedrijf uit tot de grootste leerfabriek in Europa. Chris van der Aa bleef aan als directeur en zou dat blijven tot aan zijn overlijden in oktober 1941. De Amerikaan Albert L. Benoit (1881-?), een vakman op het gebied van leerlooien, werd technisch directeur. De leerlooier Charles J.H. Hueber (1880-1951) volgde Benoit in 1929 op en was tot 1939 bedrijfsleider. De productie van leer nam onder zijn leiding spectaculair toe.
De Joodse ondernemers Isaak Adler (1837-1898) en zijn zwager Ferdinand Oppenheimer (1846-1905) hadden in 1872 in Straatsburg in de Elzas een handelsfirma in leer opgericht met een eigen looierij. In de daaropvolgende decennia breidden de families Adler en Oppenheimer hun bedrijf uit tot een concern waar zo’n 2000 tot 2500 werknemers werkzaam waren. In 1906 kwam in Amsterdam een handelsfirma van Adler & Oppenheimer tot stand, die in 1919 werd omgezet in de Amsterdamse Leder Maatschappij N.V., kortweg Almij. In hetzelfde jaar onteigende de Franse regering het bedrijf in Straatsburg. De Elzas was immers na afloop van de Eerste Wereldoorlog weer Frans grondgebied geworden. De zonen van Adler en Oppenheimer verplaatsten hierdoor noodgedwongen in 1920 het hoofdkantoor naar Berlijn. In hetzelfde jaar namen zij behalve de Oisterwijkse looierij van Chris van der Aa ook nog looierijen over in Duitsland en Luxemburg.
In de jaren twintig breidde de onderneming zich gestaag uit, juist in een tijd waarin het niet goed ging met de lederindustrie. In deze periode zorgde de fabriek ervoor dat grote werkloosheid in Oisterwijk uitbleef. De expansie van het bedrijf leidde in 1928 tot de verhuizing van het personeel van de Almij van Amsterdam naar Oisterwijk. Hierdoor concentreerden zich voortaan alle activiteiten op één plaats. Naast directeur Max Weil (1882-1943) kwamen ook een kleinzoon van de oprichter, Erich Rudolf Adler (1905-1990), en zijn neef dr. Hans Isaak Ludwig Adler (1903-1981) over naar Oisterwijk. Erich Adler behartigde de financiële belangen en neef Hans Adler bemoeide zich vanaf 1934 met de technische zaken.
De N.V. Lederfabriek ‘Oisterwijk’ was duidelijk gericht op het buitenland. Zo exporteerde het bedrijf voor de Tweede Wereldoorlog 80 procent van de lederproductie naar andere landen. De grote economische crisis van 1929 leidde echter tot handelsbelemmeringen vanuit het buitenland. Door de economische malaise beschermden verschillende Europese naties de eigen economie en daar had ook de lederfabriek te Oisterwijk last van. Een gedwongen inkrimping van de bedrijfsactiviteiten was er het gevolg van.
In 1932 verleende koningin Wilhelmina het predicaat ‘Koninklijke’ aan de onderneming. Deze onderscheiding kwam niet geheel uit de lucht vallen, omdat het bedrijf zich in die periode had ontwikkeld tot de grootste overlederfabriek van heel Europa. Door het aantrekken van de overlederproductie wist de onderneming zich in de tweede helft van de jaren dertig te herstellen van de economische crisis. Wel daalde het aantal werknemers van 1007 in 1929 tot 550 in 1940.
Inmiddels was het personeel van de Almij, in verband met het dreigende oorlogsgevaar, terugverhuisd naar Amsterdam. Ook verplaatste het concern Adler & Oppenheimer het hoofdkantoor van de KLO naar Curaçao. Tevens sluisde men een groot deel van het vermogen van het bedrijf door naar dit overzeese gebiedsdeel.
Na de Duitse inval In 1940 vestigde de Duitse Wehrmacht een Wehrmachtverpflegungsamt (WVA) in de gebouwen van de leerfabriek, waar daarvoor een complex van de Nederlandse strijdkrachten was gevestigd. Dit WVA zorgde voor levensmiddelen, drank, rookwaren en stro voor de paarden ten behoeve van het Duitse leger. In de volksmond sprak men vaak over “Werk Voor Allen”, omdat veel inwoners van Oisterwijk er emplooi vonden en levensmiddelen stalen. De Joodse directeuren van de Oisterwijkse lederfabriek trachtten aan de nazi-repressie te ontkomen. Kort voor de bezetting ontvluchtte Erich Adler via het Belgische De Panne per boot naar de Verenigde Staten. Zijn neef Hans Adler was al eind 1939 naar Brussel verhuisd en ook hij wist met zijn gezin naar de Verenigde Staten te vluchten. Hun compagnon Franz Ferdinand Oppenheimer had minder geluk. Hij trachtte na de Duitse inval in mei 1940 via IJmuiden te ontkomen, hetgeen mislukte. Hij werd gearresteerd en naar concentratiekamp Sachsenhausen overgebracht, waar hij op 25 februari 1941 werd omgebracht. Max Weil vluchtte in 1940 via Engeland naar de Verenigde Staten. In oktober 1943 overleed hij in New York. Zoals eerder gesteld, overleed Chris van der Aa in 1941.Â
De machtswisseling
Na de vlucht van de Joodse directeuren kwam de waarnemende directie en bedrijfsleiding van de KLO in handen van Frans de Jong en August E. Hueber, respectievelijk procuratiehouder en bedrijfsleider van de lederfabriek. Laatstgenoemde was de zoon van bedrijfsleider Charles Hueber, die in 1939 met pensioen was gegaan. Ook de lederfabriek ontkwam niet aan de antisemitische maatregelen van de Duitse bezetter. Zo verplichtte een verordening van 22 oktober 1940 de registratie van Joodse ondernemingen. Dit leidde tot de aanstelling van bewindvoerders (Verwalter) in Joodse ondernemingen. Omdat de directeuren naar de Verenigde Staten waren gevlucht, werd de KVL bovendien gebrandmerkt als Joods-vijandelijk vermogen. Daarom kreeg het bedrijf in maart 1941 een Duitse beheerder toegewezen in de persoon van dr. Hubert Huppertz. Ook werd hij door de Duitse autoriteiten aangesteld als beheerder van de Almij.
Vanaf dat moment schortte de Duitse bezetter de bevoegdheden van de raad van commissarissen en directeuren van beide bedrijven op. De onderneming werd onder leiding van Huppertz geariseerd en tot onderdeel gemaakt van de moedermaatschappij Nordleder G.M.B.H. te Berlijn. Bovendien werd hij belast met de liquidatie van het privévermogen van de families Adler en Oppenheimer.
Vanaf maart 1941 vormden Frans de Jong en August Hueber als gevolmachtigden samen met Hubert Huppertz de directie van de KLO. Hiermee kwam het bedrijf indirect onder Duits bestuur te staan. Doordat de onderneming net als de andere schoenfabrieken voor de Duitse bezetter werkte, bleven veel Oisterwijkse arbeiders aan het werk en wisten zo te ontkomen aan de verplichte tewerkstelling in Duitsland. Wel kreeg het Joodse kantoorpersoneel in december 1941 als gevolg van een verordening van de Duitse bezetter ontslag. De wijze waarop werd de directieleden De Jong en Hueber na de oorlog zeer kwalijk genomen. Beiden zouden zich niet hebben verzet tegen het ontslag van de Joodse werknemers door Verwalter Huppertz zonder enige vorm van compensatie.
In 1942 bespraken Duitse instanties de verkoop van de Oisterwijkse lederfabriek aan Duitse geĂŻnteresseerden. Prof. dr. Henricus A. Kaag (1897-1970), hoogleraar aan de R.K. Handelshoogeschool in Tilburg en commissaris van de N.V. Lederfabriek ‘Oisterwijk’ en de met haar gelieerde Amsterdamse Leder Maatschappij, greep toen in. Hoewel in het voorjaar van 1941 de bevoegdheden van de commissarissen waren opgeschort, stelde Kaag zich op het standpunt dat hij nog steeds commissaris was om als zodanig de Nederlandse familiebelangen te behartigen. Hij achtte het van belang dat het Duitse onderdeel van het concern, de Nord Deutsche Lederwerke, als koper zou optreden. Door de bemiddeling van Kaag stemden de Duitsers hiermee in. De Nord Deutsche Lederwerke stichtte daarop in januari 1943 de N.V. Nieuwe Amsterdamse Leder Maatschappij (NALMIJ), waarin de belangen van de N.V. Lederfabriek ‘Oisterwijk’ werden ondergebracht en apart beheerd.
Dankzij zijn internationale contacten wist Kaag te bewerkstelligen dat Frans de Jong en August Hueber tot directeuren werden benoemd. Vanaf 1 januari 1943 was Huppertz geen beheerder meer, maar was hij een door de Duitse aandeelhouders in juni 1943 te Berlijn benoemde directeur met de speciale opdracht om als BetriebsfĂĽhrer op te treden. Volgens Hueber gebeurde dit omdat de Duitse instanties onvoldoende vertrouwen hadden in zijn persoon en die van De Jong. De benoeming van De Jong en Hueber tot directeur naast Huppertz zorgde volgens Kaag voor een beperking van de Duitse invloed in het bedrijf.
Huppertz was geen lid van de NSDAP en hij vermeed aanvankelijk politieke druk op de andere directieleden en het personeel. Desondanks oefende de Gemachtigde van de Rijkscommissaris in de provincie Noord-Brabant zodanig druk op hem uit dat Huppertz toch overstag ging. Zo trachtte hij door middel van enkele sympathisanten politieke invloed op het personeel uit te oefenen, maar hierin slaagde Huppertz niet, ondanks de schriftelijke propaganda van de bladen Werkend Volk en De Gil, die gratis onder het personeel van het bedrijf werden verspreid. Hier tegenover stond dat Huppertz tijdens de laatste maanden voor de bevrijding het plan van de Duitse Wehrmacht verijdelde om bij de aftocht de krachtinstallatie van de fabriek te vernietigen. Enkele dagen voor de bevrijding van Oisterwijk koos Huppertz het hazenpad en vluchtte naar het noorden van Nederland met een auto die toebehoorde aan de NALMIJ. In de volgende paragraaf zien we hoe het de andere directieleden van de lederfabriek verging na de bevrijding.
Collaboratie of accommodatie?
Na de bevrijding van het zuiden van Nederland in september en oktober 1944 werden De Jong en Hueber al snel gearresteerd vanwege vermeende collaboratie met de Duitse bezetter. Wat was de aard van deze aanklachten en van wie kwamen ze? In de meeste gevallen kwamen de aanklachten van oud-werknemers. In hun ogen waren Hueber en De Jong tijdens de bezettingsjaren op vriendschappelijke wijze met Verwalter Huppertz en Duitse gasten van de fabriek omgegaan en daaraan hadden zij zich gestoord. In het vervolg gaan we daarom nader in op de aard van verschillende klachten en het weerwoord van De Jong en Hueber.
Een kwestie die De Jong en Hueber ernstig werd aangerekend, was het ontslag van het Joodse personeel. Zo waren Wilhelm Busch en Bernard Abraham Klein (1903-1997), medewerkers van de leerfabriek uit Oisterwijk, tijdens de oorlog ontslagen. Na de bevrijding keerden zij terug in Oisterwijk. Dit tweetal diende in november 1944 een aanklacht in tegen de directie van de lederfabriek. Zij deden dit bij de plaatselijke Commissie der Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten. Hun ergernis over het collectieve ontslag van het Joodse personeel en de manier waarop was groot. Zij verweten De Jong en Hueber onder meer wangedrag ten opzichte van hun Joodse medewerkers. Deze zouden op straat zijn gezet met een “schamele schadeloosstelling”, waarbij de directieleden geen enkel medeleven toonden met het Joodse personeel.Â
De kritiek van Wim Brugman, een andere medewerker van het bedrijf, kwam op hetzelfde neer. Hij had de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten een op papier gezet relaas toegezonden, waarin hij stelde dat de directie van de lederfabriek de bevelen van de Duitse bezetter nauwgezet opvolgde en “haar Joodse werknemers onmiddellijk en zonder de minste steun op de keien had gesmeten”. Ter verdediging voerden De Jong en Hueber aan dat langer aanblijven van de Joodse werknemers onmogelijk was door toedoen van de Sicherheitspolizei. Bovendien waren volgens beide directieleden de meeste Joodse werknemers van de fabriek “uit eigen beweging” of op grond van de door Seyss-Inquart uitgevaardigde bepalingen verdwenen.
Busch en Klein laakten bovendien de houding van de directeuren tijdens de April-meistakingen van 1943. De stakers zouden gedreigd zijn met interventie van de SD. De staking was gericht tegen de verplichte tewerkstelling in Duitsland, de zogenoemde Arbeitseinsatz. Deze aanklacht pareerde De Jong als volgt:
“Ik heb me helemaal niet vertoond tijdens die staking. Enkele dagen na de staking verscheen er een Verordening van de Rijkscommissaris waarbij verboden werd over de stakingsdagen loon uit te betalen. De staking begon op een vrijdagmiddag, verder de zaterdag en op maandag liet ik de verschillende afdelingschefs de arbeiders bij elkaar roepen en heb hen gezegd, verstandig te zijn en aan het werk te gaan voordat er slachtoffers zouden vallen. En hoewel ik wel wist, wie de raddraaiers waren, heb ik die mensen niet aangebracht, toen er een onderzoek werd ingesteld.”
Hiermee gaf De Jong impliciet aan dat hij zich bezorgd maakte over zijn personeel. Hij wilde hen niet afvallen, maar benadrukte juist dat ze voorzichtig moesten zijn. De directie zat in de Duitse houdgreep en kon ten aanzien van de uitbetaling van het loon niet anders reageren.Â
Een andere klacht die door werknemers werd geuit, betrof de houding van De Jong en Hueber ten aanzien van de Winterhulp. Zo zouden zij zonder instemming van het personeel bij het uitkeren van een gratificatie 10 procent voor de Winterhulp hebben ingehouden. Volgens een medewerker leek deze handelwijze veel op “morele afpersing”. De Winterhulp was een nationaalsocialistische organisatie die tijdens de oorlogsjaren was opgericht om behoeftigen en zwakkeren in de samenleving hulp en ondersteuning te verschaffen in de vorm van kleding en voedsel. De inkomsten van de Winterhulp bestonden onder andere uit giften, collectes en loterijen. Bij de Nederlanders waren de collectes niet populair vanwege anti-NSB sentimenten en er werd dan ook met enige regelmaat opgeroepen hieraan niets te geven.
De Jong ging in zijn getuigeverklaring uitvoerig op deze kwestie in. Volgens hem was de klacht ten aanzien van de inhouding van 10 procent voor de Winterhulp weliswaar juist, maar de inhouding kwam niet van De Jong en Hueber. Het was juist BetriebsfĂĽhrer Huppertz die verantwoordelijk was voor deze actie en 10 procent van het jaarlijkse bedrag aan loonbelasting van de gratificaties voor Winterhulp had ingehouden. Protesten van De Jong en Hueber tegen deze handelwijze in de aandeelhouders- en commissarissenvergadering haalden echter niets uit. Huppertz drukte volgens De Jong zijn zin door. Verder benadrukte De Jong dat hij juist had getracht de collectebus van de Winterhulp te spekken om op deze manier bij Huppertz de indruk te wekken dat alle werknemers in de fabriek hadden bijgedragen. Dit deed hij door achter de rug van de BetriebsfĂĽhrer om kleine bedragen uit de vennootschapskas te nemen en deze in de collectebus van de Winterhulp te doen. Ook zou volgens De Jong Huppertz een bedrag van 15.000 gulden uit de vennootschapskas aan Winterhulp hebben gegeven. Protesten van De Jong tegen deze actie leidden ertoe dat de BetriebsfĂĽhrer door de raad van commissarissen openlijk werd gedesavoueerd. Bij herhaling zou Huppertz zelf met de uitgaven worden belast. Ook nu bleek de situatie anders te liggen dan het eenzijdige beeld dat de klagers hadden. Het bleek dat De Jong en Hueber zich achter de schermen wel degelijk met succes hadden ingespannen om de handelwijze van Huppertz aan de kaak te stellen. De werknemers hadden daar op dat moment echter geen weet van.
Tevens werden De Jong en Hueber beticht van een pro-Duitse houding. Hun vriendschappelijke omgang met Huppertz en andere Duitsers was een aantal werknemers opgevallen en bij hen in het verkeerde keelgat geschoten. EĂ©n van die werknemers verwoordde het als volgt:Â
“(…) maar bovendien papten ze op een dergelijke wijze met de door de Rijkscommissaris dr. Seyss-Inquart benoemde Duitse Verwalter dr. Huppertz aan, alsmede met Frau dr. Kramer, vrouw van de secretaris van genoemde Rijkscommissaris, dat ze de grenzen van het welvoeglijke verre overschreden. Op een gegeven ogenblijk bijvoorbeeld was genoemde Duitse beheerder in pension bij Paymans tegenover mij. Zeer tot mijn ergernis moest ik verschillende malen constateren, hoe de heren De Jong en Hueber, op hun fietsen de heer Huppertz voor een tochtje kwamen afhalen. Als schooljongens, die hun vriendje komen afhalen, zo gingen ze met hun fietsbellen tekeer.”
Vervolgens stelde de werknemer in zijn belastende verklaring: “Praktisch dagelijks zag men verder ook de vrouwen en kinderen van de heren De Jong en Hueber, in gezelschap van de vrouw en het kind van dr. Huppertz; het was een innige vriendschap.” Een andere getuige verklaarde:
“Tevens is mij bekend, dat de heer De Jong in gezelschap van de Verwalter Huppertz en de heren Smulders en Van de Keyl enkele malen bij de als pro-Duits bekend staande heer G. Kuypers te Hilvarenbeek, schoenfabrikant, op bezoek zijn geweest om door te fuiven met Duitse officieren met onder andere de heer Hase van de SD te Den Bosch. Deze laatste heer was een speciale huisvriend van de heer Kuypers en zodoende werd deze heer altijd in de arm genomen als er speciale zaakjes betreffende passen et cetera op te knappen waren.”
Ook in dit voorbeeld was er sprake van een discrepantie tussen het beeld dat de werknemers en oud-werknemers hadden van het handelen van De Jong en Hueber en de opvatting van beide directieleden. Zo ontkende De Jong niet dat er een zekere relatie was tussen de directieleden en de Duitsers, maar hij benadrukte dat zowel hij als Hueber tijdens de bezettingsjaren juist zakelijke relaties onderhield met de Duitse bezetter.
De privĂ©-ontmoetingen met de Verwalter en vier Duitse commissarissen van het bedrijf waren volgens De Jong op de vingers van een hand te tellen. Dit gebeurde tijdens het 25-jarig jubileum van De Jong en toen hij in juli 1943 vijftig jaar werd. Ook de contacten met Frau Kramer waren niet zo intensief als de buitenwacht deed geloven. Zo was er volgens Hueber van “regelmatig fuiven” met Frau dr. Kramer geen sprake en was zowel Hueber als De Jong terughoudend in hun contacten met andere Duitsers. Wel gaf De Jong toe dat de directie inlichtingen moest verstrekken aan de Duitsers, maar De Jong en Hueber hadden zich echter zozeer verzet tegen het wegvoeren van het personeel van de lederfabriek naar Duitsland dat er van de 550 personeelsleden uiteindelijk maar 8 voor de arbeidsinzet naar Duitsland waren uitgezonden. In het vervolg gaan we nader in op de situatie van Hueber en De Jong na de bevrijding van het zuiden van Nederland.
Vervolging, verdediging en vrijspraak
Op basis van de besproken aanklachten werden Hueber en De Jong in het najaar van 1944 aangehouden en geĂŻnterneerd. De verdenking was: “geestelijk contact met de vijand”. In de daaropvolgende periode werden beiden intensief ondervraagd. Uit hun verklaringen kwam naar voren dat zowel De Jong als Hueber geen lid van de NSB was geweest en dat zij alleen interesse hadden getoond voor de Katholieke Staatspartij. Ook volgden er ondervragingen van oud-personeelsleden, personeelsleden en bestuurders. Het waren vooral de verklaringen van professor Kaag en de Tilburgse advocaat mr. H.J.A. Scheidelaar die in het voordeel van Hueber en De Jong uitpakten. Kaag stelde zich tijdens de bezettingsjaren op het standpunt dat hij, ondanks de opschorting van zijn functie door de Duitse bezetter, nog steeds commissaris was. Uit hoofde daarvan bleef hij contact onderhouden met De Jong en Hueber. Na de oprichting van de Nieuwe Amsterdamse Leder Maatschappij in januari 1943 was hij dan ook een groot voorstander van de benoeming van De Jong en Hueber tot directeuren van deze maatschappij. Met hun aandeel in de directie hoopte Kaag het Duitse aandeel in de bedrijfsvoering van de lederfabriek tot een minimum te beperken.
Mr. Hubertus J.A. Scheidelaar (1890-1965) was begin 1945 aanvankelijk benoemd tot beheerder en later tot bestuurder over de KLO, de N.V. Amsterdamse Leder Maatschappij en de N.V. Nieuwe Amsterdamse Leder Maatschappij. Hij liet zich in zijn verklaring over Hueber en De Jong positief uit:Â
“(…) mij is gebleken, dat de heren De Jong en Hueber van den beginne af van hun optreden als directeuren voor de Nederlandse belangen op de bres hebben gestaan. Bij zeer belangrijke beslissingen hebben zij zich resoluut tegen dr. Huppertz verzet. Zo, toen deze wenste liquide middelen der fabriek te beleggen in Duitse waarden of te deponeren op een Duitse bank. De heren De Jong en Hueber weigerden hieraan mede te werken en onderwierpen het geschil aan de Duitse commissarissen. Deze stelden de heren De Jong en Hueber in het gelijk en aldus werden de liquide middelen in Nederland gehouden. Tegen bijdragen door de Vennootschap aan Winterhulp zijn de heren De Jong en Hueber zich blijven verzetten, wederom met succes.”
Volgens Scheidelaar hadden zij dr. Huppertz ook dwars gezeten in de kwestie van de propaganda die hij voerde voor het Nationaal Arbeids Front (NAF). Ook toen vond Huppertz De Jong en Hueber tegenover zich, waardoor die propaganda weinig succesvol was. In de contacten tussen Scheidelaar en beide directieleden kwam naar voren dat zij vaak in angst hadden gezeten om door de GrĂĽne Polizei of de SD te worden opgepakt wegens hun verzet tegen Huppertz.
Scheidelaar was ervan overtuigd dat De Jong en Hueber als directeuren van de ALMIJ verdienstelijk werk hadden verricht en dat zij daarvoor geen blaam maar lof verdienden. Hij was ervan overtuigd dat bij een betere communicatie de meeste klachten wel achterwege waren gebleven. Scheidelaar baseerde dit gegeven op een bijeenkomst die hij met het personeel belegde. Nadat hij alles uit de doeken had gedaan en het verloop van zaken had geschetst, werd er opgemerkt: “Ja, als wij dat allemaal geweten hadden, zou de zaak heel anders zijn gelopen.” Wilhelm Busch, de hiervoor genoemde medewerker van de Lederfabriek, verwoordde het als volgt:Â
“Ik heb mede de aanklacht tegen de directeuren ingediend, doch ik heb er thans spijt van. Ik was namelijk in de tijd dat een en ander gebeurde, ondergedoken en hoorde alles van derden. Zelf weet ik dus niets. Ook wist ik niet dat de aanklacht eigenlijk onjuist was.”
In hun verdediging stelden Hueber en De Jong dat sommige contacten met enkele hooggeplaatste Duitsers noodzakelijk waren en dat zij tijdens de April-meistaking in 1943 juist hadden voorkomen dat de SD de namen van bepaalde werknemers zou krijgen. In combinatie met de getuigenverklaringen van Kaag en Scheidelaar leidde dit tot hun voorlopige vrijlating in augustus 1945. Hun terugkeer naar de fabriek, samen met de werknemers die lid waren geweest van het fascistische vakverbond NAF, leidde echter tot grote onrust onder het personeel. Een grote meerderheid in het bedrijf was gekant tegen de terugkeer van De Jong en Hueber. Er moest volgens het personeel eerst een uitspraak van de zuiveringsorganen volgen voordat de directie kon terugkomen. Het Bijzondere Gerechtshof in Den Bosch sprak op 2 mei 1946 uit dat de verdenkingen tegen De Jong en Hueber ongegrond waren. Daarbij baseerde men zich vooral op de verklaringen van Kaag, die tijdens de oorlogsjaren als commissaris aan het bedrijf verbonden was geweest.Â
Wel waren mr. J. Houben, procureur-fiscaal van het Bijzonder Gerechtshof in ’s-Hertogenbosch, en mr. J. Kickert, secretaris van de Centrale Zuiveringsraad voor het Bedrijfsleven, van mening dat er toch sprake was van een laakbare houding van beide directeuren ten opzichte van de Duitse bezetter. Op 3 juni 1946 sprak in navolging van het Bijzonder Gerechtshof ook de Centrale Zuiveringsraad voor het Bedrijfsleven uit dat er geen grond voor vervolging was.
In 1948 droeg Scheidelaar zijn functie over aan een combinatie van oude en nieuwe directieleden. Zo kwamen De Jong en Hueber weer terug als directeuren. De directie werd gecompleteerd door de nieuwe directieleden O.H. Busch en H.J.R. van der Keyl. Scheidelaar bleef aan de fabriek verbonden als commissaris. Na de oorlog keerde ook de Joodse directeur Erich Adler terug. Hij maakte zich sterk voor een gedenksteen om de gevallen medewerkers van de leerfabriek te herdenken. Deze werd in mei 1949 onthuld. Als gevolg van de oorlog waren er onder de werknemers van de lederfabriek zeventien slachtoffers te betreuren. Onder hen waren twaalf Joden.
Conclusie
Volgens historicus Hans van der Leeuw heeft het collaboratievraagstuk in de lederindustrie geen rol van betekenis gespeeld. De fabrikanten hadden er in de oorlogsjaren alle belang bij dat men moest kunnen blijven produceren. Bij de verdeling van Duitse militaire orders was van enige tegenzin bij de schoenfabrieken dan ook weinig te merken. Sterker nog, diverse fabrikanten probeerden zelfs bij de Gruppe Leder een groter aandeel te krijgen.
Ook de KLO werkte voor de Duitse bezettingsautoriteiten. Maar was er dan ook sprake van “hulpverlening aan de vijand” of overheerste toch accommodatie? De directie van de onderneming stond voor een duivels dilemma. Stoppen met de productie zou immers het einde betekenen van het bedrijf en van de werkgelegenheid van enige honderden werknemers. Er moest wel voor de Duitse bezettingsautoriteiten geproduceerd worden om de fabriek door de oorlogsjaren te loodsen, werkgelegenheid te waarborgen en arbeidsinzet te voorkomen. Maar keek iedereen op deze manier tegen de zaak aan?
Zo konden in de perceptie van een aantal personeelsleden De Jong en Hueber het niet goed doen. Op basis hiervan werden zij beschuldigd van laakbare acties, zoals het ontslaan van het Joodse personeel in 1941 en hun optreden bij de April-meistaking in 1943. Ook werden beiden met enige regelmaat gesignaleerd in het gezelschap van de Duitse Verwalter dr. Huppertz en Duitse zakenrelaties, waardoor een zweem van collaboratie om hen heen hing. De bewijslast was echter relatief dun. Klachten waren gebaseerd op persoonlijke sentimenten van de klagers, die vaak de achtergrond niet kenden. Het gebrek aan communicatie, kennis en begrip leidde ertoe dat enkele persoonsleden wantrouwen koesterden ten opzichte van hun bazen. De fabrikanten hadden in deze kwesties vaak de schijn tegen en die bleef na de bevrijding bestaan. Toch werden beide directeuren uiteindelijk niet verder vervolgd en later vrijgesproken.
Mede dankzij de verklaringen van professor Kaag en mr. Scheidelaar en het gegeven dat zowel De Jong als Hueber volledig afstand had genomen van het nationaalsocialistische gedachtegoed, gingen vrijuit. In mei en juni 1946 verklaarden het Bijzondere Gerechtshof in ’s-Hertogenbosch en de Centrale Zuiveringsraad voor het Bedrijfsleven dat de verdenkingen tegen beiden ongegrond waren. Wel vond de Centrale Zuiveringsraad voor het Bedrijfsleven dat de houding van beide directeuren ten opzichte van de Duitse bezetter laakbaar was. Ze werden met andere woorden vrijgesproken, maar kregen wel een waarschuwing. Deze casus toont aan dat de zaak niet zo eenvoudig lag en dat de interpretatie niet zwart-wit was. Een aantal klachten was gebaseerd op het horen zeggen van en door anderen. Historicus Chris van der Heijden wees in zijn studie Grijs Verleden al op dit fenomeen. Collaboratie en verzet was voor verreweg de meeste Nederlanders iets van horen zeggen. Alles overziende slaat dan de balans in dit specifieke geval door naar accommodatie, eerder dan collaboratie.
Archieven
Den Haag, Nationaal Archief (NL-HaNA), Toegang 2.06.076.03, Rijksbureau voor Huiden en Leder, inv.nr. 184.
Den Haag, Nationaal Archief (NL-HaNA), Toegang 2.06.089, Ministerie van Economische zaken, Centrale Zuiveringsraad voor het Bedrijfsleven 1945-1949, inv.nr. 61: dossier no. 07/50: zaak contra Franciscus de Jong.
Den Haag, Nationaal Archief (NL-HaNA), Toegang 2.09.09, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR):
- inv.nr. 2.09.09: dossiernummer 111531 August Emil Hueber.
- inv.nr. 2.09.09: dossiernummer 111782 Franciscus Johannes de Jong.
Literatuur
Bruine, E. en Out, S., Lederindustrie, Zeist, 1995 (PIE rapportenreeks no. 18).
De Jong, T., Duitse vrienden. Verraad en redding in Hilvarenbeek, Hilvarenbeek, 2019.
Van der Heijden, C., Grijs Verleden. Nederland en de Tweede Wereldoorlog, Amsterdam, 2001.
Seelen, J. en Vogel, A., De geschiedenis van het leerlooien in Noord-Brabant, Tilburg, 1986.
Verhoog, J. en Warmerdam, H., Koninklijke Verenigde Leder B.V. 1916-1991, Noordwijk, 1991.