Het begon allemaal in het Oudnederlands (600-1150) met het woord hūs. Hūs werd uitgesproken met de lange oe-klank van boeren. Die uitspraak vind je nog in grote delen van Limburg. In Noord-Brabant komt hij alleen nog voor in en rond Budel: hoes. Lokaal wordt meestal hoês geschreven.
In een lange Oost-Brabantse strook van noord naar zuid veranderde het Oudnederlandse hūs in hows of haws. Rond Best en Woensel was het in 1937 höws geworden, met de ö van het Duitse zwölf.
We gaan even terug naar het Oudnederlandse hūs. In grote delen van de Lage Landen werd die oe-klank in de twaalfde eeuw de lange uu-klank van buren: huus. Daar is weinig meer aan veranderd in Noord-Limburg en het aangrenzende Brabantse gebied rondom Cuijk. Daar zeggen ze huus – maar nu wel met de korte uu van fuut.
Midden-Brabant had in de middeleeuwen ook huus. Vanaf de veertiende eeuw werd dat langzamerhand huis. West-Brabant deed mee, maar daar was de h al vroeg verdwenen: uus en later uis.
In sommige regio’s bleef (h)uis doorveranderen. Rondom Tilburg werd het bijvoorbeeld hèùs en in de regio Woensdrecht èùs. Hois ontstond rond Gemert en Raamsdonksveer, en her en der in Altena.
Zeg je in jouw regio nu iets anders dan in 1937? Dat kan goed! Er is veel veranderd. Hows en haws zijn nu bijvoorbeeld op veel plekken ingeruild tegen huis en hèùs, zoals in Valkenswaard.