Het jaar 1950 markeert het formele begin van de waterzuivering als waterschapstaak. Maar de geschiedenis van de waterzuivering begint al ruim honderd jaar eerder, met de aanleg van rioleringen. Om het rioolwater uit dorpen en steden naar lager gelegen beken en rivieren te brengen werden in eerste instantie open greppels gegraven, die later werden overdekt waardoor de huidige riolen ontstonden. Door het rioolwater te lozen op rivieren was men zelf van het probleem af. Dit leidde tot stank, vissterfte en ernstige gezondheidsproblemen elders. In eerste instantie dacht men dat rivieren het rioolwater wel zelf konden zuiveren. Om die reden liggen de meeste moderne rioolwaterzuiveringsinrichtingen nog steeds op de plaats waar de oude negentiende-eeuwse riolen uitmondden in de rivier.
Van beerput en tonnenstelsel naar de eerste zuivering
In het begin was er geen probleem met afvalwater om de simpele reden dat er geen afvalwater was. Er is nog geen leidingwater en het gebruik van een watercloset (wc) was alleen voor de elite. In 1900 had nog slechts een half procent van de Amsterdammers een eigen watergespoeld toilet. In steden zoals Den Bosch hingen honderden ‘secreten’ in kleine houten uitbouwtjes boven de Binnendieze, elders ging menselijke ontlasting in de beerput, op de mestvaalt of gewoon op straat. Het gebruik van de beerput gaf veel vaste mest, die tegen betaling in de landbouw kon worden afgezet. Het zelfreinigend vermogen van de rivieren kon het probleem in eerste instantie nog wel oplossen.
Midden negentiende eeuw braken er in ons land cholera-epidemieën uit met veel sterfgevallen waardoor er voor het eerst politiek draagvlak kwam voor maatregelen. Er was weinig besef voor de oorzaken, meestal werden schadelijke dampen uit bodem en water als oorzaak van ziekten gezien. Het duurde tot omstreeks 1880 toen Koch en Pasteur dit inzicht gaven. Het directe gevolg hiervan was dat het tonnenstelsel zijn intrede deed.
Tussen 1871 en 1899 werd in veel gemeenten dit tonnenstelsel ingevoerd. Het was erop gericht om menselijke ontlasting huis aan huis op te halen en zo snel mogelijk af te voeren. Goes was de laatste gemeente waar de ton pas in 1978 verdween. Deze methode was voor veel gemeenten een reden om dit als een publieke taak te zien en gemeentelijk reinigingsdiensten op te richten, zoals die in de huidige vorm nog bestaan.
Grote steden zoals Amsterdam, maar ook Den Bosch experimenteerden omstreeks 1900 met rioleringssystemen waarbij de menselijke ontlasting vacuüm werd afgezogen, verzameld en verhandeld. Nog steeds gestoeld op het principe dat menselijke mest geld opbracht. De opkomst van kunstmest zorgde ervoor dat het tonnenstelsel niet meer rendabel was.
De aanleg van riolering kwam in Nederland vrij laat op gang. Gemeenten zochten een oplossing om afvalwater kwijt te raken via bestaande sloten die men tegen de stank ging afdekken. Hierdoor werd het probleem verschoven naar de buren. Pas omstreeks 1920 begon men met het grootschalig aanleggen van riolering. Het voorheen gescheiden stelsel van vast afval en regenwater werd vervangen door een gemengd afvoerstelsel. De komst van een leidingwater versnelde dit probleem.
Waterzuivering een volledig nieuw vakgebied
Met de groei van steden, het besef van hygiëne en opkomende industrie, concentreerde het afvalwaterprobleem zich in eerste instantie in de grote woongebieden. Dit verklaart waarom omstreeks 1900 de eerste initiatieven voor waterzuivering hier plaats vonden. Denk daarbij ook aan smerige industrieën zoals, melkfabrieken, looierijen, slachterijen, papierfabrieken en textielindustrie. Ook sanatoria en ziekenhuizen behoorden tot de eerste categorie, met name vanwege de aanwezigheid van wasserijen en de gezondheidsrisico’s.
De eerste zuiveringsmethoden waren vooral mechanisch, waarbij vaste delen; zand, slib en vet door bezinking of opdrijving werden verwijderd. In 1918 loosden textielfabrieken in Tilburg jaarlijks 1.5 miljoen kg vet in het oppervlaktewater. Nog steeds is mechanische zuivering de eerste stap in het moderne zuiveringsproces.
Daarna volgde de septictank, die niet meer was dan een grote afgedekte beerput waarin men het water een tijdje liet rotten en bezinken. Bij gebrek aan echte oplossingen moest de techniek van de waterzuivering eerst nog worden uitgevonden.
In Nederland kwam deze ontwikkeling laat op gang omdat er veel oppervlaktewater aanwezig was. Aanvankelijk zag de overheid slechts één goede oplossing; het verspreiden van afvalwater over landbouwgronden. In het buitenland werden al midden 19e eeuw vloeivelden aangelegd bij grote steden. Ook hier werden de voordelen voor de landbouw gezien vanwege de bemestende waarde van het slib.
Na een bezoek aan de vloeivelden van Parijs bracht de Heidemij in 1901 een rapport uit over de benutting van vuil fabriekswater op heidegronden binnen de gemeente Tilburg. In 1904 werd bij de Witsie (Reeshof, stroomgebied van de Donge) een vloeiveld van circa 400 hectare aangelegd. Leuke bijkomstigheid was dat de gronden gebruikt konden worden voor de tuinbouw, iets wat we ons nu niet meer voor kunnen stellen. In 1926 werd dit gevolgd door 140 hectare vloeiveld op de Loonse Heide (stroomgebied van de Zandleij). Deze vloeivelden hebben gefunctioneerd tot 1972. Plannen voor vloeivelden bij Moergestel werden na maatschappelijk onrust tegengehouden maar waren aanleiding voor de bouw van de rioolwaterzuivering Moerenburg door de gemeente Tilburg in 1937. Deze oude installatie heeft nu de status gekregen van Rijksmonument.

Uit experimenten met vloeivelden werden methodes ontwikkeld met kunstmatige bodems zoals bakken lavastenen, waar het rioolwater doorheen sijpelde. Men ontdekte dat zuurstof een belangrijke invloed had op de zuiveringsprestatie en de vermindering van stank. Hieruit ontstonden de eerste zuiveringstechnieken met contactbedden, voorlopers van de latere oxidatiebedden. De oudste zuivering gebouwd door Waterschap De Dommel in 1955 (Sint-Michielsgestel) gebruikte deze techniek tot in de jaren negentig. Het speurwerk ging verder waarbij de opnieuw de natuur werd gevolgd. Immers, stromend water had het vermogen zichzelf te reinigen. Bij toeval werden beluchtingsproeven in een gesloten vat uitgevoerd waarbij bacterieslib ontstond. Dit kon opnieuw kon worden gebruikt en waarmee het zuiveringsproces enorm werd versneld. In 1916 werd in Worcester (Engeland) de eerste actief slib installatie geopend. De moderne waterzuivering was geboren!

Voorlopers binnen de waterschapsgrenzen
In 1904 werd in Tilburg de ‘Rijksproefinstallatie Moerenburg’ gebouwd,. Het is daarmee de oudste zuiveringsinstallatie van Nederland. Het toezicht lag bij de ‘Centralen Gezondheidsraad’ immers pas in 1920 werd het Rijksinstituut voor de Zuivering van Afvalwater (RIZA) opgericht. Dit was zeventig jaar later dan vergelijkbare overheidsinstanties in Engeland.
Nadat de installatie 12 jaar had stilgelegen wordt in 1924 een nieuwe proefinstallatie gebouw. Er werd hiervoor een uniek chemisch proces gebruikt met zwavelzuur, met als doel om met de terugwinning van vetten de gehele installatie rendabel te maken. In 1937 wordt door de gemeente een permanente installatie gebouwd met hetzelfde principe. In 1954 wordt hier een biologische zuivering gebouwd. Het complex heeft vanwege de waarde als industrieel erfgoed de status van Rijksmonument gekregen.
Na Tilburg volgden elders in Nederland snel meer voorbeelden. Voorburg (ZH) was in 1906 de eerste gemeente met een biologische zuivering. In 1936 was de gemeente Vught de eerste gemeente die al het afvalwater van 7.000 inwoners behandelde. Vooruitstrevend was dat dit gebeurde met een volledig gescheiden rioolwaterstelsel en energieopwekking met vergist methaangas. Eerder werd binnen Vught op gesticht Voorburg in 1926 al een installatie gebouwd met oxidatiebed en nabezinking. Daarna volgden Lijmkokerij Maas in Valkenswaard in 1931, het gesticht in Woensel (1938), het Koloniehuis in Eersel (1939) en de militaire kazerne in Oirschot (1949).

In Eindhoven verliep de ontwikkeling veel trager omdat de Dommel het afvalwater kon verdunnen. Tussen de oorlogen verdriedubbelde het aantal inwoners van de stad naar 135.000. De groei van Philips en de vele wolwasserijen in Geldrop droegen er aan bij dat de rivier volledig zuurstofloos werd tot aan Boxtel. Omstreeks 1930 schrijft men “In den aanvang zag men meermalen doode visch bovendrijven, soms in groote hoeveelheid, maar allengs werd dit minder, tot men geen vischje meer zag, levend noch dood.” Uiteindelijk duurde het tot 1960 toen Waterschap De Dommel met de bouw van een grote zuiveringsinstallatie in Eindhoven begon.
Dit verhaal is geschreven in een serie over 75 jaar zuiveringswerk van Waterschap De Dommel. Hieronder een overzicht van de verhalen.
- Gerrit Stubbe, “Waarom het waterschap De Dommel het eerste waterschap werd dat de formele zuiveringstaak toegewezen kreeg”
- Hein Elemans, “Van beerput en tonnenstelsel naar de eerste biologische waterzuivering van Waterschap De Dommel”
- Jesse Flohr, “100 jaar geschiedenis van de slibbehandeling bij RWZI Tilburg”
- Ilse van der Doelen, “De Dienstwoningen aan de Bos en Beemdweg in Tilburg”
- Frank van Dorst, “We lossen het op!”