Wat ik meemaakte in W.O.-II van 1940-1945

Herinneringen van dhr. A. J. van Wanroij

Het verhaal werd ingestuurd in het kader van het project Crossroads '40 | '45

Toen de oorlog uitbrak, op vrijdag 10 mei 1940, was ik tien jaar oud en woonde ik samen met mijn familie op een boerderij in Mill. Vlak achter de boerderij liep een kanaal en daarachter stonden kleine kazematten of bunkers, waarin Nederlandse soldaten zaten, die de Duitsers moesten proberen tegen te houden. Wij zouden dus in de vuurlinie terecht komen en moesten daarom gaan vluchten. De hele buurt moest weg.

Rond 12 uur gingen we op weg met paard en wagen (geen wagen op luchtbanden, maar een kar) en wat spulletjes. We trokken richting St. Hubert en zagen onderweg al Duitse soldaten in de bomen op de uitkijk zitten. Midden in St. Hubert moesten we de weg van Haps naar Mill oversteken, dat ging eerst niet want de hele weg was vol met Duitsers, die vanuit Gennep over Haps en St. Hubert naar Mill trokken. Dat was een akelig gezicht, al die vreemde militairen. Na ongeveer een uur konden we verder richting Wanroij: we hebben nog een poosje gerust op de Noord, waar nu de familie Egelmeers woont. We kwamen veilig in Ledeacker aan, waar we op een boerderij van familie van onze buren terecht konden. Dat was op de Hoederstraat, een boerderij achter de van Jos Hermens. Hier zijn we 4 Ă  5 dagen geweest. Toen was het vechten in Mill en omgeving al afgelopen en konden we terug naar huis.

Verschillende boerderijen waren totaal platgebrand, ook die van ons. Wij kwamen te wonen in een klein bakhuisje, waarin vroeger brood gebakken werd, en gingen slapen in een boerderij die wel nog overeind stond. Dit duurde tot we een noodwoning kregen, die gebouwd was van balken en planken, helemaal van (gratis) stellinghout. In de maand december 1941 was de nieuwe boerderij klaar en hadden we het niet meer zo koud.

In de oorlog ging de school natuurlijk gewoon door. Soms kwamen er Duitse soldaten langs en moesten we een paar weken de school uit, dan kwamen er soldaten in. Dat vonden wij natuurlijk niet zo heel erg, lekker onverwacht vrij. In de hoogste klas (de 7e klas) kregen we één uur per week Duitse les. We hebben nog het bekende kerstlied ‘Stille Nacht’ in het Duits leren zingen.

Heel vervelend was als oudere jongens of vaders opgepakt werden om in Duitsland te gaan werken. Mijn oudste broer was 18 jaar toen hem dat gebeurde, hij is vaak voor de Duitsers op de loop gegaan, op de vlucht naar de bossen. Mijn vader moest een tijdje met paar den wagen gaan werken op vliegveld Volkel. De mannen moesten daar bomgaten dichtmaken, die door de Engelse of Amerikaanse bommenwerpers ’s nachts waren veroorzaakt. Dat was geen leuk werk en nog  gevaarlijk ook. ’s Avonds moesten ze hun persoonsbewijs inleveren, dat kregen ze de volgende morgen terug.

Op 14 augustus besloten de mannen, na enig gekibbel, de volgende dag niet terug te komen. Het was immers 14 augustus, en voor katholieken een verplichte zondag/Maria Hemelvaart. De mannen hadden geluk: op 15 augustus, tijdens de hoogmis, werd het vliegveld zo grondig gebombardeerd dat er geen repareren meer in zat. Eerder werd er nooit overdag gebombardeerd. Foto’s hiervan zijn nog te zien in het kleine museum op het vliegveld.

’s Nachts moesten we ook vaak het bed uit en de schuilkelder in, als er weer eens Engelse bommenwerpers en jagers overvlogen richting Duitsland. Die vliegtuigen kwamen vaak twee keer over, eerst heen en een uurtje later terug. Je kon er echt niet van slapen. Gelukkig hebben we verder niets ergs meegemaakt. Op het einde van de oorlog kwamen er wel eens vliegende bommen over, de zogenaamde V-1 en V2. DIe maakten een angstaanjagend geluid. Een paar keer is er een Engels vliegtuig in Mill neergestort en zijn we wel eens stiekem gaan kijken. We pakten dan bijvoorbeeld een stukje mica (glas) of aluminium (licht metaal) als aandenken mee. Dat mocht helemaal niet van de Duitsers. Je mocht al helemaal geen piloten helpen, als die al levend uit het toestel gekomen waren.

Wij hebben geen honger gelegen, al moesten we wel vaak hetzelfde eten. Op de boerderij was meestal eten en drinken genoeg, alleen in de winkel waren verschillende artikelen op de bon. Dat wil zeggen dat je niet zoveel kon kopen als je wilde.

Geheel onverwacht kwamen op zondag 17 september 1944 duizenden Engelse en Amerikaanse vliegtuigen over het zuiden van ons land; dat was een prachtig gezicht, al die dwarrelende poppetjes die uit de vliegtuigen omlaag kwamen in de buurt van Eindhoven, Veghel, Grave, Nijmegen en Arnhem. Deze parachutisten moesten onder andere de brug bij Grave veroveren, dat lukte prima.Wij gingen een paar dagen later al naar Grave kijken, want daar trokken toen al lange colonnes wagens, tanks en kanonnen over de weg richting Nijmegen. We hebben nog achter een dikke boom moeten kruipen toen er plotseling een Duits vliegtuig over kwam, als schietend op de colonne. De Engelsen hebben hem vlot weg kunnen krijgen, maar wij gingen ook maar vlug naar huis!

Weer een paar dagen alter stond onze hele buurt vol met Engelse wagens, tanks, kanonnen en luchtdoelgeschut. Die hadden een poosje rust en wij vonden dat geweldig. We kregen volop chocolade, koekjes, witbrood en rijstepap met krenten. Dat alles hadden we lange tijd niet gehad. De grote mensen kregen echte sigaretten en goede koffie en thee met rum. Een heerlijke tijd! Soms mochten we ook wel een eindje meerijden in een jeep, dat was een belevenis. De Duitse soldaten die daarvoor nog in Mill lagen, waren er als de bliksem vandoor gegaan. Half september 1944 waren wij dus bevrijd!

Jouw verhaal telt ook!

Deel het met ons en help Erfgoed Brabant Verhalen groeien!

Periodes