In de late middeleeuwen werd het woord voor ‘water’ geschreven als ‘water’, maar het werd niet overal hetzelfde uitgesproken. In het westen was die a al vroeg “donkerder” geworden: zoals in het Engelse ‘father’ of zelfs zoals in het woord ‘zone’. In West-Brabant ontstond zo ‘waoter’. Maar in een groot deel van Oost- Brabant bleef het ‘water’. In West-Brabant zeggen ze bijvoorbeeld ook ‘maoke’ en ‘draoge’, maar in Oost-Brabant hoor je ‘make’ en ‘drage’.
Na de middeleeuwen gebeurde er iets in en rond de Meierij: mensen gingen de klinker van ‘waoter’ en ‘water’ korter uitspreken. ‘Waoter’ veranderde in ‘wòtter’, en ‘water’ werd ‘watter’ of ‘wátter’. De á staat hier voor een half zo lang klinkende aa van ‘maand’. Zo’n verkorting vind je in die regio in nog veel meer woorden. Welke dat zijn, verschilt van plaats tot plaats. In Waalwijk, boven Tilburg, zeggen ze bijvoorbeeld ‘tòffel’ (tafel), ‘pòlling’ (paling), ‘lippel’ (lepel), ‘smerrig’ (smerig), ‘sluttel’ (sleutel), ‘grôtter’ (groter).
In de Meierij kom je nog veel meer verkortingen tegen. Daar zeggen ze bijvoorbeeld niet ‘boôm’, ‘kleure’, ‘hemel’, ‘vleês’, ‘oôre’ en ‘vaoder’ zoals in Midden-Brabant, maar ‘bóm’, ‘klurre’, ‘himmel’, ‘vlís’, ‘órre’ en ‘vòdder’ of ‘vádder’.
Dat het Brabants de kortste taal zou zijn, is een populair fabeltje, maar in het oosten van Noord-Brabant is de taal sowieso een stukske korter dan in het westen!