We lossen het op!

75 jaar rioolwater zuiveren bij Waterschap De Dommel
Jan van de Velde neemt een watermonster in een proefsloot bij Eersel. (Foto: onbekend, Waterschap De Dommel)

In 2025 viert Waterschap De Dommel het feit dat het al 75 jaar bezig is met afvalwater zuiveren. 

Het begon in 1950, net na de Tweede Wereldoorlog, het moment dat de overheden hun zaken financieel weer wat op orde hadden. Vuile rivieren en beken blijken stilletjesaan een steeds groter probleem te worden. In feite is de aandacht voor het schoonmaken van ons afvalwater al in de jaren ’30 van de vorige eeuw ontstaan. En wel in Tilburg, in 1936 aan de Hoevense Kanaaldijk verrijst de eerste rioolwaterzuivering. 

In 1975, aan het begin van mijn waterschapcarrière, ging het vaak over ‘het zelfreinigend vermogen van oppervlaktewater’. Een opvatting met de achterliggende gedachte dat de natuur het zelf wel aan kan. 

Wat vooraf ging: 1930/1940 

Aan de Hoevense Kanaaldijk (Moerenburg in Tilburg) wordt in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog de eerste Brabantse ‘AfvalWaterZuiveringsInrichting’ (AWZI) in gebruik genomen. Aanvankelijk was het niet meer dan een bezinktank, waarin het water tot rust werd gebracht zodat zwevend materiaal kon bezinken. Twee jaar later wordt deze installatie voorzien van een biologische zuivering, een unicum voor die tijd. Het zelfreinigend vermogen van oppervlaktewater nabootsen, het proces optimaliseren en concentreren. 

Het zuiveren van rioolwater is in die tijd een gemeentelijke taak, een verlengstuk van het rioolbeheer. De gemeente Tilburg verdient dan ook de eer dat zij als een van de eersten slagvaardig aan de gang gaat. Daar gaat een stevig juridisch proces aan vooraf, maar dat terzijde. Voor de geïnteresseerden: googlet maar eens op de ‘Voorste Stroom Arresten’. Een bijzonder fenomeen in de juridische wereld. Het is een kwestie van moeten. Men kon er niet meer onderuit. Maar dat wordt destijds niet verteld aan het grote publiek. 

1950 Experimenteren in sloten 

Pas na de oorlog begint Waterschap De Dommel te experimenteren met het schoonmaken van rioolwater. In samenwerking met Waterschap Dongenstroom graaft De Dommel in Eersel en Etten-Leur proefsloten, ovale sloten waarin het rioolwater wordt rondgepompt en ‘beluchting’ wordt toegepast. In een ernstig vervuilde sloot, beek of rivier verbruiken de rottende afvalstoffen nogal wat zuurstof. Het gevolg is dat er geen zuurstof overblijft voor het biologisch leven. 

Jarenlang blijft de ‘stromende sloot’ het beste middel om van vervuild water af te komen. Een kwestie van verdunnen en afvoeren naar zee. Experimenteren in een sloot is daarmee een logisch vervolg. Een leerproces met vallen en opstaan, het schuim stijgt soms tot meters hoog uit de sloot. Chemicaliën komen eraan te pas om dit probleem te bestrijden. Ja, je leest het goed: met chemicaliën! Van controle op de kwaliteit van het oppervlaktewater is in die tijd nog geen sprake. Gebruik van chemische stoffen: geen probleem! Het doorzicht is relevant: kun je de bodem nog zien? En het zuurstofgehalte: is er nog leven in de sloot? Verslag van deze experimenten gaat naar het eigen bestuur en de gemeenteraden in het gebied van het waterschap. Daarnaast verschijnen er artikelen in bladen voor specialisten van zuiveringstechniek. Een te moeilijk verhaal voor het grote publiek? Leden van de gemeenteraden vormen in die tijd nog het algemeen bestuur van het waterschap. Er zijn nog geen rechtstreekse waterschapsverkiezingen, wel zogenaamde ‘getrapte’ verkiezingen. Daarnaast zijn er zogenaamde ‘toegewezen zetels’1 voor agrariërs en vertegenwoordigers uit de industriële sector. Dus de kennis over ontwikkelingen in het zuiveren van rioolwater bleef in kleine kringen. 

In Sint-Michielsgestel (1955), Sint-Oedenrode, Hapert en Soerendonk (1958) verschijnen de eerste zuiveringen met een combinatie van een bezinktank en een gistingstank (Imhofftanks), de zogenaamde ‘mechanische zuiveringen’. 

1960 De eerste proefinstallaties in Eindhoven: in de praktijk inbrengen van zuurstof

In 1960 bouwt het waterschap op een oude huisvuilstortplaats in Eindhoven de eerste ‘serieuze’ ‘rioolwaterzuiveringsinrichting’ (later installatie/RWZI). Twee grote bezinktanks voor 335.000 zuiveringseenheden. Een deel van het bezonken water wordt door twee kleine experimentele ‘biologische’ zuiveringen (voor 100.000 zuiveringseenheden) geleid. Dat biologisch behandelde water gaat vervolgens door een paar kleine nabezinktanks; het slib met zuiveringsbacteriën bezinkt en zo kan het bacteriemateriaal voor een groot deel worden hergebruikt.

Iedere tien jaar is er flink gesleuteld en is de installatie telkens uitgebreid. Dat heeft geleid tot de huidige zuivering, waarbij het nabezinkproces intussen het meeste oppervlak van het terrein in beslag neemt. Met het oog op de toekomst legt het waterschap nog een voorziening aan: moerasbos/natuurlijke nazuivering. Dat levert voldoende zuurstof en ook biologisch leven in het water op. Genoeg om te kunnen voldoen aan de Europese regelgeving (de Europese Kaderrichtlijn Water) voor gezond oppervlaktewater.

1970 De Wet Verontreiniging Oppervlaktewater

Tot 1970 gebeurt veel nog op vrijwillige basis. Alleen het eerdergenoemde ‘Voorste Stroomarrest’ legt een verplichte zorgtaak op in het beleid. In 1970 komt regelgeving op gang: het lozen op oppervlaktewater is niet langer zomaar toegestaan. Dat kan wel met een lozingsvergunning, waarin precies omschreven staat welke stoffen in welke hoeveelheden wel en welke niet mogen worden geloosd. De waterschappen krijgen de rol van het verstrekken en handhaven van lozingsvergunningen. De waterschappen Aa, Maaskant, Dommel en Dongestroom stellen een Gemeenschappelijke Technologische Dienst in (1972), belast met het bouwen van rioolwaterzuiveringen, de vergunningverlening voor lozen van afvalwater en de controle van de kwaliteit van het oppervlaktewater. Een gemeenschappelijke regeling tussen de waterschappen Aa, Dommel en Maaskant. Deze heeft tot 2004 bestaan. Daarna heeft ieder waterschap de bedrijfsvoering van de zuiveringsinstallaties en het verlenen en handhaven van lozingsvergunningen weer in eigen hand genomen.

Dr.ir. Hendrik-Jan Eggink promoveert in 1965 te Wageningen op het estuarium (lozingspunt) voor het ontvangend water. Dat wil zeggen het afvalwater zo ver zuiveren dat het zelfreinigend vermogen van het oppervlaktewater vervolgens het reinigingsproces zelf aan kan. Plusminus 90% zuiveren is dan voldoende. In de jaren ’60/’70 zijn de meeste biologische rioolwaterzuiveringen gebouwd en met officiële plechtigheden en open dagen geopend: Eindhoven 1960, Boxtel 1963, Sint-Oedenrode en Soerendonk 1968, Tilburg 1972, Haaren 1973, Biest-Houtakker 1976.

1980 Slib naar de landbouw

Bij het zuiveringsproces houd je een restproduct over: zuiveringsslib. Omdat dat veel organisch materiaal bevat, is dit slib een goede meststof voor de landbouw, denken waterschappen in die tijd. Een nieuwe medewerker start het overleg met de agrarische sector. De boeren kunnen het waterschap helpen door zuiveringsslib af te nemen en als meststof te gebruiken op hun akkers. Ze krijgen er zelfs voor betaald. Het inzicht in de risico’s die dat oplevert, komt pas later.

Het scheppen of realiseren van een positief beeld van dat restproduct uit rioolwater kost het nodige werk. Promotieactiviteiten starten richting pers en doelgroep (boeren), maar ook rondleidingen en open dagen worden georganiseerd. Het waterschap treedt op deze manier voor het eerst echt naar buiten. In Boxtel is nog een nieuw zuiveringssysteem uitgeprobeerd met zogenaamde ‘biorotoren’, maar het is geen bedrijfszekere installatie. Te veel storingen leiden in de jaren ’90 tot beëindiging van dit probeersel.

1990 Fosfaat- en stikstofverbindingen

Een teveel aan fosfaten en stikstofverbindingen in het gezuiverde afvalwater is nog niet direct een probleem. In de jaren ’80 van de vorige eeuw komt er een verbod op fosfaten in wasmiddelen. Het motto: het probleem aanpakken bij de bron; wat er niet in komt, hoeft er ook niet uitgehaald te worden. Om de nog resterende concentraties in het gezuiverde afvalwater naar beneden te krijgen, is meer bezinkcapaciteit nodig. In de jaren die volgen, komen er dan ook steeds meer bezinktanks. Fosfaten en stikstofverbindingen komen daarmee in het slib terecht en het zuiveringsslib voldoet uiteindelijk niet meer aan de normen voor meststoffen. Er moet een nieuwe oplossing komen. Een paar jaar later is die oplossing gevonden: dat slib gebruiken voor fluisterwallen en afdeklagen voor huisvuilstortplaatsen.

Echter, later bleken ook concentraties zware metalen de normen van toelaatbaarheid te overschrijden. Opnieuw zoeken naar een alternatieve oplossing. Die zoektocht resulteert in de bouw van een slibverbrander. Een vuilverbrander specifiek voor zuiveringsslib. Om technische redenen kan dat helaas niet in combinatie met huisvuilverbranding. Er komt een speciale verbrandingsoven in Moerdijk, een samenwerkingsproject met waterschap Aa en Maas en Hoogheemraadschap West-Brabant, gebouwd in 1997.

Er ontstaat steeds meer vraag van scholen voor rondleidingen op de rioolwaterzuiveringen. De ambtenaar die het slib aan de boer moest slijten, krijgt wat ruimte en pakt deze nieuwe taak op.

Landelijk start er ook een voorlichtingscampagne: ‘Bespaar water’. Steeds meer nabezinktanks bouwen is namelijk wel erg kostbaar. We moeten afvalwater besparen. Kraan dicht tijdens het tandenpoetsen, een bespaarknop voor de kleine ‘boodschap’, monteer een bespaardouchekop, produceer wasmachines die minder water verbruiken. Droppie Water’ verschijnt ten tonele, een stripfiguur die het zuiveringsverhaal op een laagdrempelige wijze aan de man (het kind) brengt. Dit verhaal krijgt een plek in het verhaal van de rondleidingen. De kinderen gaan vervolgens thuis hun ouders wijzen op hoe zij met water moeten omgaan. Veel aandacht komt er voor ‘het afkoppelen’. Regenpijpen afkoppelen en meer gescheiden rioolstelsels aanleggen, zodat een kleinere hoeveelheid ‘afvalwater’ naar de rioolwaterzuiveringen gaat, of op zijn minst minder snel toeneemt. In 2025 hebben 34 van 296 basisscholen in het gebied van Waterschap De Dommel een excursie gedaan. Dit is ruim 10%!

2000 Derde-trapszuiveringen

Het slibprobleem is nu voor een groot deel de wereld uit, uiteindelijk opgelost. Zeker als je nu ziet dat uit circa 95% van het slib een circulaire grondstof wordt geproduceerd.

Terug naar de waterlijn. De uitbreiding van de nabezinkcapaciteit zorgt wel voor schoner water, maar kent nog niet het biologisch leven van rivierwater. Het is doods, er zit geen leven in het resultaat van de brouwerij ‘rioolwaterzuivering’. Oplossen dat probleem is de houding van de waterschappen.

En er komt een oplossing: de derde-trapszuivering. Begrippen als moerasbos, rietveld, helofytenvijver en waterharmonica vormen een nieuw adagio. Een terrein inrichten, waar het gezuiverde water doorheen stroomt, om biologisch leven in het water te brengen, om het daarmee meer in overeenstemming te brengen met de waterkwaliteit van de beek of rivier, waarin het wordt geloosd. Daarom wordt de eerste toepassing van deze nieuwe aanvullende zuiveringstechniek gedaan op de rioolwaterzuiveringen die op de kleinere waterlopen van het waterschap lozen. Daar is het effect van de lozing van het gezuiverde water op de beek het grootst.

Sinds 2000 neemt Waterschap De Dommel ieder jaar het initiatief om kinderen van zowel het basisonderwijs als het middelbaar onderwijs voor een rondleiding naar de rioolwaterzuivering uit te nodigen. De rioolwaterzuiveringen Eindhoven, Tilburg en Hapert hebben hiervoor inmiddels een excursieruimte.

2010 Meten is weten

De laboratoriumtechnieken zijn in de loop der jaren verfijnd: men kan in milligrammen tot drie cijfers achter de komma stoffen aantonen die voorkomen in het water. Concentraties worden uitgedrukt in micro- en nanogrammen.

2020 Milieuvreemde stoffen en medicijnresten.

Een almaar groeiend probleem vormen medicijnresten in het rioolwater. De Nederlandse bevolking vergrijst en het gebruik van medicijnen neemt daarmee enorm toe. Restanten komen via het toilet in het rioolwater terecht. In september 2023 start de bouw van een ozoninstallatie in Hapert. Die zorgt ervoor dat er rond de Groote Beerze minimaal 70% minder medicijnresten in het milieu terechtkomen. Het is de eerste ozoninstallatie van Waterschap De Dommel en de derde ozoninstallatie in Nederland. Doel: o.a. kennis en ervaring opdoen met deze innovatieve techniek voor latere toepassingen in andere rioolwaterzuiveringen. Voor het terugdringen van medicijnresten in het milieu zet Waterschap De Dommel ook in op preventie door voorlichting over bewuster omgaan met water en doorspoelen en de ‘Rik on Tour’.

In 2025 is Waterschap De Dommel een onderzoek naar lachgas gestart. Lachgas ontstaat tijdens het zuiveren van rioolwater. Het broeikasgas is ruim 250 keer schadelijker dan CO₂. De lachgasuitstoot is de afgelopen jaren gemeten op de acht rioolwaterzuiveringen van het waterschap. De uitstoot kan drastisch verminderd worden, blijkt uit dat onderzoek. Het zuiveringsproces aanpassen is daarvoor noodzakelijk.

Een bijkomend voordeel van deze aanpassing is dat het gezuiverde water een betere waterkwaliteit heeft. Bestuurslid Bas Peeters licht toe: ‘Naast minimaal de helft minder lachgasuitstoot zagen we dat het gezuiverde water van rioolwaterzuivering Eindhoven ook beter scoort op het verwijderen van stikstof en fosfaat. Zo werken we niet alleen aan een klimaatvriendelijker zuiveringsproces, maar ook aan schoner water voor het Dommelgebied.’ Daarbij kan onderzoek van rioolwater ingezet worden als opsporingsmethode voor het lokaliseren van drugslabs. Via metingen in het rioolstelsel kan het waterschap lozingsbronnen opsporen en lokaliseren.

Op rioolwaterzuivering Tilburg draaide in 2000 een proef om het gezuiverde water extra schoon te maken met een zogenaamde osmosetechniek, zodat het als proceswater op een bedrijventerrein in Tilburg te gebruiken is. De proef is mislukt omdat de uiteindelijke kostprijs hoger was dan het actuele drinkwatertarief. Voor de waterschappen moet dit circulair denken het uitgangspunt blijven. Kwalitatief gezond drinkwater wordt schaarser en misschien komt er een tijd dat we het water dat we concreet in de zuiveringsinstallaties hebben, kunnen hergebruiken en een gesloten, circulair watersysteem kunnen maken.

2025 75 jaar ervaring

Je mag wel constateren dat er in de afgelopen 75 jaar veel is gebeurd. Iedere tien jaar stak er wel een nieuw probleem de kop op. Studies en het samenwerken met andere waterschappen en technische adviesbureaus leverden oplossingen op. Maar we zijn er zeker nog niet. De strijd tegen vervuild water moet zich meer op de bronnen richten: wat er niet in komt, hoef je er ook niet uit te halen! Want dat eruit halen lijkt een eindeloze strijd. Mogelijk dat het idee dat afvalwater een basis kan zijn voor het terugwinnen van grondstoffen, het voortbestaan van rioolwaterzuiveringen nog relevanter kan maken. Dan krijgt het water en het waterschap zijn plekje in een eeuwigdurende kringloop.

Dit verhaal is geschreven in een serie over 75 jaar zuiveringswerk van Waterschap De Dommel. Hieronder een overzicht van de verhalen.

Onderdeel van:

Jouw verhaal telt ook!

Deel het met ons en help Erfgoed Brabant Verhalen groeien!

Periodes