Zo’n 2000 jaar geleden brachten de Romeinen wijn naar onze contreien. In hun Latijn heette die druivendrank vīnum. De Germanen die hier woonden, namen vīnum over als *wīnan. Dat had dus een w-klank, want die klonk toen ook nog in het Latijnse vīnum.
In de Romaanse talen werd vīnum onder andere het Franse vin, het Italiaanse vino en het Portugese vinho. Daar werd de w-klank dus een v. Maar bij ons niet.
In het Oudnederlands, dat uit het Germaans ontstond, duikt het woord op in de 10e eeuw: an mi sungun thia druncun uuin, ‘tegen mij zongen zij die wijn dronken’. Dat woord uuin moet hebben geklonken als een langgerekt [wien].
In de late middeleeuwen veranderde die uitspraak. De w-klank bleef, maar de klinker ging aan de wandel. Dat ging alleen niet overal op dezelfde manier: er ontstonden dialecten.
In het grootste deel van Brabant werd het eerst wijn. Later werd dat in veel regio’s wèèn of wain. Maar niet in het verre oosten. In gebieden die grenzen aan Limburg, zoals Cuijk en Budel en omstreken, is het woord bijna hetzelfde gebleven: wien.
In Helmond en de regio ten noorden daarvan gebeurde iets anders: daar werd het wing. Die ng-klank vind je daar in nog meer woorden. Pijn is daar ping, fijn is fing, en binden is binge. Althans, zo was het zo’n 70 jaar geleden. In veel plaatsen hoor je wing nu hoogstens nog bij ouderen.